id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.427 Rolnummer: A. 151587/X-11871 Zaak: Arrest 137427 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 14:27 Fiche Arrest nr 137.427 van 23 november 2004 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.427 van 23 november 2004 in de zaak A. 151.587/X-11.
- In zake : de gemeente WEMMEL, die woonplaats kiest bij Advocaat K. ERARD, kantoor houdende te 1703 SCHEPDAAL, Oudstrijdersstraat 30 tegen :
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg 271,
- de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- tussenkomende partij : Philip DE CLERCQ, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente WEMMEL op 8 mei 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 5 maart 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende verwerping van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 23 april 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep van Philip DE CLERCQ tegen de beslissing van 14 november 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wemmel tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van een woning en werkplaats met garage en het bouwen van een nieuwe woning, studio en duplex op een perceel gelegen te Wemmel, J. Vander Vekenstraat 66, kadastraal bekend X-11.871-1/6 Sectie B, nr. 199/r-s, wordt ingewilligd en van voornoemd besluit van 23 april 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zelf; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. ERARD, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat G. HAVET die, loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat W. VERHOEVE die, loco Advocaat S. BUTENAERTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat Philip DE CLERCQ op 27 juni 2001 een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het slopen van een woning en een werkplaats met garage en het bouwen van een woning, studio en duplex op een perceel gelegen te Wemmel, J. Vander Vekenstraat 66, kadastraal bekend Sectie B, nr. 199/r-s; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeenteWemmel met een besluit van 14 november 2001 de gevraagde vergunning weigert; dat Philip DE CLERCQ tegen deze weigering beroep aantekent en dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant met een besluit van 23 april 2002 de gevraagde vergunning geeft; dat dit het tweede bestreden besluit is; X-11.871-2/6 Overwegende dat de gemachtigde stedenbouwkundige ambtenaar op zijn beurt beroep aantekent tegen voormeld vergunningsbesluit; dat dit beroep met het eerste bestreden besluit wordt verworpen;
- De rechtspleging Overwegende dat Philip DE CLERCQ op 25 mei 2004 een verzoekschrift tot tussenkomst heeft ingediend; dat de verzoekende partij de onontvankelijkheid van dat verzoek opwerpt omdat het geen bespreking van de middelen of het door de verzoekende partij aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel bevat; dat Philip DE CLERCQ, zoals hij zelf aanvoert, als houder van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een klaarblijkelijk belang heeft om tussen te komen in de procedure; dat er geen reden is om het verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure onontvankelijk te verklaren op de door de verzoekende partij aangehaalde gronden;
- Ten gronde 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij wat de tweede voorwaarde betreft in essentie aanvoert dat de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten een bouwwerk met drie woonlagen impliceert waarvan het bestaan een onmiddellijke invloed zal hebben op de plaatselijke omgeving en op de in de plaatselijke omgeving nog af te geven stedenbouwkundige vergunningen, dat de verzoekende partij met die toestand zal moeten rekening houden bij de beoordeling van latere bouwaanvragen, dat zij aldus tegen haar wil haar beoordeling en beleidslijn inzake de goede ruimtelijke ordening ter plaatse zal moeten herzien, dat zij recentelijk een ongunstig advies voor een aanvraag tot wijziging van een verkavelingsvergunning heeft gegeven wegens schending van artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan "Halle-Vilvoorde-Asse" waarbij het aantal bouwlagen tot twee wordt beperkt, dat de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten aldus een moeilijk te X-11.871-3/6 herstellen ernstig nadeel aan het behoorlijk bestuur en het vergunningsbeleid van de verzoekende partij zal berokkenen, dat de uitvoering van de bestreden besluiten een visuele aantrekkingskracht op kandidaat-bouwers zal hebben en dat de verzoekende partij met bouwaanvragen voor drie bouwlagen zal worden geconfronteerd, alhoewel dit strijdig is met de wet, en dat het gevaar bestaat dat weigeringen van stedenbouwkundige vergunningen wegens de aanwezigheid van drie bouwlagen zullen worden aangevochten door de afgewezen aanvragers wegens ongelijke behandeling ten opzichte van de thans bestreden bouwaanvraag; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in essentie antwoordt dat de verzoekende partij van oordeel is dat de bestreden besluiten met betrekking tot het aantal bouwlagen in strijd is met haar eigen beleid en interpretatie van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften en dat het aangevoerde nadeel geen gevolg is van de bestreden besluiten maar van het bestaan van een administratief beroep, waarbij beleids- en interpretatieverschillen kunnen bestaan tussen de beslissende overheden in eerste aanleg en deze in beroep; 3.2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in essentie antwoordt dat de verzoekende partij nalaat het voorgehouden nadeel, specifiek veroorzaakt door de bestreden besluiten, voldoende concreet aan te tonen, dat een gemeente de mogelijkheid heeft zich tegen een door een ander bestuur gegeven bouwvergunning te verzetten, dat de beweerde hinder in het voorgenomen beleid door het inboeten van autoriteit niet voldoende is om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te vormen, dat het nadeel uit de miskenning van haar beslissingsbevoegdheid een wettigheidsbezwaar vormt dat op zichzelf geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt, dat moet worden gewezen op de artikelen 149, § 1 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en dat deze bepalingen de gemeenten voldoende waarborgen bieden om desgewenst een volledig herstel te bekomen; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij zich ter terechtzitting aansluit bij het verweer van de verwerende partijen; 3.2.
- Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit X-11.871-4/6 van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting beperkt tot een verwijzing naar haar beleid inzake ruimtelijke ordening en haar interpretatie dat de vergunde constructie met drie bouwlagen in strijd is met de aanvullende voorschriften van het ter plaatse geldende gewestplan; dat zij niet aantoont dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nadeel veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de zin dat de werking van haar diensten erdoor in het gedrang zou komen en zij haar taken als gemeente niet meer naar behoren zou kunnen uitoefenen, noch dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een ernstig nadeel voor haar beleid op het vlak van de ruimtelijke ordening zou betekenen; dat de verzoekende partij evenmin aantoont dat zij na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing niet over de vereiste rechtsmiddelen zou beschikken om het herstel van de plaats in de vorige staat te verkrijgen; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partij derhalve niet blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat derhalve niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, X-11.871-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Philip DE CLERCQ in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november 2004, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.871-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.427 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div