id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.554 Rolnummer: A. 133935/VII-29176 Zaak: Arrest 137554 - - 24/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 14:35 Fiche Arrest nr 137.554 van 24 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.554 van 24 november 2004 in de zaak A.133.935/VII-29.176 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, afkomstig uit Kosovo, op 10 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 3 november 2004; VII-29.176-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. BEKE, die, loco advocaat J. OPSOMMER, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 4 januari 1999 en verklaarde zich op 5 januari 1999 vluchteling. 1.
- Op 15 mei 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 februari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Mitrovicë, Kosovo (Joegoslavië). Op 4 januari 1999 kwam u samen met uw echtgenoot, XXX en uw drie minderjarige kinderen in België aan, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot, XXX, aangehaalde motieven. Aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.". Dit is de bestreden beslissing. VII-29.176-2/4 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van “het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”; dat zij uiteenzet dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de schijn heeft gewekt geen bevestigende beslissing van weigering van verblijf meer te nemen, omdat het meer dan vier jaar heeft geduurd eer de bestreden beslissing tot stand kwam; dat zij daarnaast erop wijst dat zij, in de loop van de vier jaar dat zij in België verblijft, in onze samenleving is geïntegreerd; dat zij stelt stelt dat zij geenszins verwachtte dat haar asieldossier nog zou worden afgehandeld, aangezien de commissaris-generaal zowel in de pers als in “gespecialiseerde rechtsliteratuur” verkondigde “dat de asieldossiers van het jaar 1999 niet meer zouden worden behandeld”; Overwegende dat artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een termijn van 30 werkdagen voorziet om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de commissaris-generaal, doch dat hieraan geen sanctie verbonden is; dat de genoemde termijn bijgevolg als een termijn van orde is te beschouwen; dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het inroepen van dit middel, aangezien zij, zolang er geen uitspraak is gedaan over haar dringend beroep, gerechtigd is op het grondgebied te verblijven; dat de verzoekende partij overigens het door haar ingeroepen bericht onjuist interpreteert; dat nergens in dit bericht wordt gesteld dat het volledig uitgesloten is dat bepaalde dossiers nog zouden worden behandeld; dat enkel wordt gesteld dat bepaalde dossiers niet meer prioritair zullen worden behandeld; dat de verzoekende partij een schending van het vertrouwens- noch van het rechtszekerheidsbeginsel aannemelijk maakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede middel een schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel zoals voorzien in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat zij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt "bij het nemen van de bestreden beslissing (af te wijken) van haar eigen principe in 2003 geen asieldossiers van 1999 meer te behandelen"; dat zij stelt dat zij “als enige toch geconfronteerd (werd) met een bevestigende negatieve beslissing van weigering van verblijf”, hetgeen volgens haar een discriminatie uitmaakt ten aanzien van andere kandidaat- vluchtelingen die ook in 1999 een asielaanvraag indienden en ten aanzien van wie er geen beslissing meer werd genomen; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot een blote bewering, doch met geen enkel concreet element aantoont dat zij effectief de enige is die een asielaanvraag indiende in 1999 en ten aanzien van wie toch nog een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen; dat het middel ongegrond is; VII-29.176-3/4
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.176-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div