id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.557 Rolnummer: A. 132486/VII-28887 Zaak: Arrest 137557 - - 24/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 14:35 Fiche Arrest nr 137.557 van 24 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.557 van 24 november 2004 in de zaak A. 132.486/VII-28.887 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. GOOSSEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 30 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 3 november 2004; VII-28.887-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat M. GOOSSEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 20 augustus 2000 en verklaarde zich op 22 augustus 2000 vluchteling. 1.
- Op 12 oktober 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 januari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Servië (Joegoslavië), meerbepaald uit Presheve. Vanaf juni 1999 zou u, samen met twee vrienden, gedurende zes maanden het UCPMB (Bevrijdingsleger voor Presheve, Bujanovc en Medvegje) geholpen hebben door hen eten en wapens te brengen. Op 8 augustus 2000 zou de politie bij u thuis zijn gekomen en u gevraagd hebben of u zich bezighield met het UCPMB en of u ze geholpen had. U zou dit ontkend hebben, waarop de agenten u geslagen zouden hebben. De politie zou u ook gevraagd hebben of u met hen wou samenwerken. U zou dit geweigerd hebben, waarop de agenten u meegenomen zouden hebben in hun bestelwagen. Onderweg zou u, samen met een andere persoon, kunnen ontsnappen zijn. Daarna zou u uit Presheve vertrokken zijn. U zou gedurende twee weken in Macedonië verbleven hebben en vervolgens gedurende drie weken onderweg naar België geweest zijn. Op 22 augustus 2000 hebt u in België asiel aangevraagd. Midden mei 2002 zouden vier gemaskerde mannen die Servisch spraken naar uw woning zijn gekomen. Ze zouden uw vader gevraagd hebben VII-28.887-2/5 waar u was en ermee gedreigd hebben hem te vermoorden. Daarop zou uw vader de politie op de hoogte gebracht hebben die beloofde een onderzoek in te stellen. Achteraf zou uw vader twee anonieme brieven gekregen hebben waarin stond dat men u en uw vader zou vermoorden als uw vader niet zou zeggen waar u was. Uw vader zou weerom naar de politie gegaan zijn en deze laatste zou beloofd hebben een onderzoek in te stellen. U bent in het bezit van uw geboorteakte en een brief (fax) van uw vader (dd. 12/07/2002). Er dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen inconsistent en niet eensluidend zijn. Zo beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat op 8 augustus 2000 Servische militairen, bij u thuis zouden langsgekomen zijn en uw neef ondervraagd zouden hebben over zijn broer die bij het UCPMB was. Daarna zouden de militairen u beginnen ondervragen zijn over waar uw broer was. Op het Commissariaat-generaal daarentegen beweerde u dat op 8 augustus 2000 de militaire en gewone politie bij u thuis zou gekomen zijn en u gevraagd zou hebben of u zich bezighield met het UCPMB en of u ze geholpen had. U maakte geen gewag van het feit dat uw neef daarbij aanwezig zou zijn geweest en stelde expliciet dat de politie daar alleen voor u was (verhoorverslag p. 3 en 4). Daarnaast verklaarde u vanaf juni 1999, samen met twee andere vrienden, gedurende zes maanden het UCPMB geholpen te hebben door hen eten en wapens te gaan brengen (verhoorverslag p. 4 en 5). Op de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen maakte u geen enkel gewag van het feit dat u het UCPMB zou geholpen hebben. U verklaarde er wel dat uw broer lid was van het UCPMB. Gelet op bovenvermelde tegenstrijdigheden en inconsistenties, die de kern van uw vluchtverhaal raken, kan aan uw relaas geen geloof worden gehecht. Wat er ook van zij, er dient te worden vastgesteld dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst een gegronde vrees in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie zou dienen te hebben. De situatie voor de etnische Albanezen in Zuid-Servië is immers, na de zware onlusten die plaatshadden in de periode 2000 - mei 2001, ondertussen aanzienlijk verbeterd. Overeenkomstig een akkoord gesloten tussen de Servische autoriteiten en het "Albanese" bevrijdingsleger UCPMB werd overgegaan tot de ontwapening en de demilitarisatie van het UCPMB. In samenwerking met de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) werd een multi-etnische politiemacht opgericht met een duidelijke vertegenwoordiging van etnische Albanezen in die Servische gebieden waar een groot aantal etnische Albanezen wonen. De vierde groep van deze politiemacht heeft in juni 2002 de opleiding beëindigd. De werking van deze politiemacht wordt nauwlettend gevolgd en geëvalueerd door de OVSE. Bovendien werd in Bujanovc een kantoor van het Ministerie van Nationale en Etnische Minderheden geopend waar alle burgers van de gemeenten Preshevë, Bujanovc en Medvegje terecht kunnen met hun klachten en bezwaren wanneer zij menen dat hun burger- en mensenrechten werden geschaad. In het algemeen wordt gewerkt aan de pacificatie op politiek, cultureel en socio-economisch vlak. Ten slotte werd in juli 2002 een amnestiewet van kracht waardoor vijandelijke activiteiten gepleegd tijdens de gewapende opstanden tussen 1 januari 1999 en 31 mei 2001 in Zuid-Servië niet langer vervolgd worden. Wat de door u aangehaalde problemen van uw vader met gemaskerde mannen en de anonieme brieven betreffen, dient te worden opgemerkt dat deze kennelijk van interpersoonlijke (privaatrechtelijke) en strafrechtelijke (gemeenrechtelijke) aard zijn. Bovendien heeft uw vader zonder problemen klacht kunnen indienen bij de politie en werd door deze laatste beloofd een onderzoek in te stellen. De door u neergelegde fax van uw vader is niet van die aard bovengedane vaststellingen te doen wijzigen, aangezien het geen objectieve bron betreft en hoe dan ook geen afbreuk doet aan het feit dat u beroep kunt doen op de bescherming van uw autoriteiten.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van artikel 14 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948 VII-28.887-3/5 en van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat de verzoekende partij betoogt dat de naam van de interviewer niet op het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeld staat en dat zij zich beklaagt over het feit dat zij gedurende de procedure de verhoorbladen niet heeft kunnen controleren waardoor zij twijfelt aan de bewijswaarde; Overwegende dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948 niet is ingevoerd in de Belgische wetgeving; dat derhalve de rechtstreekse schending van deze verklaring noch in haar geheel, noch van bepaalde artikelen op een ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; dat de Raad van State geen bepaling bekend is waaruit de door de verzoekende partij voorgehouden "informatieplicht" tijdens de asielprocedure in hoofde van de commissaris-generaal zou kunnen worden afgeleid; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar tweede middel beroept op een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij in wezen de materiële motiveringsplicht geschonden acht; dat zij zich echter beperkt tot het summier herhalen van haar asielrelaas; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-28.887-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.887-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div