← België

Arrest 137569 - - 24/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.569 Rolnummer: A. 133124/VII-29039 Zaak: Arrest 137569 - - 24/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 14:36 Fiche Arrest nr 137.569 van 24 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.569 van 24 november 2004 in de zaak A.133.124/VII-29.039 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, afkomstig uit Kosovo, op 5 februari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 januari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 24 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 3 november 2004; VII-29.039-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 16 maart 1999 en verklaarden zich op 17 maart 1999 vluchteling. 1.
  5. Op 29 maart 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 22 januari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen bedrieglijk waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "(...) Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Kosovo (Joegoslavië), meer bepaald uit Ponoshec (gemeente Gjakove). In november 1998 zouden drie of vier Servische politieagenten bij u thuis in Ponoshec langsgekomen zijn en u ervan beschuldigd hebben wapens in huis te hebben. De agenten zouden iedereen geslagen hebben en uit het huis verjaagd hebben. Vervolgens zou u samen met uw gezin naar Albanië gevlucht zijn, waar u gedurende enkele maanden in een vluchtelingenkamp te Kukës zou hebben verbleven. Omwille van de slechte levensomstandigheden aldaar reisde u vervolgens verder naar België, waar u op 16 maart 1999 aankwam en waar u de volgende dag asiel aanvroeg. Ondanks het feit dat de Servische troepen en autoriteiten zich ondertussen uit Kosovo hebben VII-29.039-2/6 teruggetrokken, wenst u niet naar daar terug te keren omdat u er geen onderdak meer heeft. Ter ondersteuning van uw asielrelaas heeft u een geboorteakte, volgens u uitgereikt door UNMIK (tijdelijke VN-administratie in Kosovo) op 14 oktober 2001 en u opgestuurd door uw broers, voorgelegd. Er dient te worden opgemerkt dat u geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn. U beschikt uitsluitend over een geboorteakte, die uitgereikt zou zijn door UNMIK, om uw afkomst of identiteit te staven. Aan dit document kan evenwel geen bewijskracht worden toegekend wegens de talrijke orthografische fouten die erop terug te vinden zijn, onder andere in de officiële Franse benaming van de organisatie UNMIK. In Kosovo zou u eveneens een Joegoslavische geboorteakte hebben gehad waarop rechts onderaan een foto zou hebben gestaan (verhoorverslag CGVS p.8). In werkelijkheid zijn Joegoslavische geboorteaktes, in tegenstelling tot Albanese, echter niet voorzien van een foto. Bovendien kent u de gangbare, Servo-Kroatische benaming van een identiteitskaart niet (verhoorverslag CGVS p.7). Verder dient er op gewezen te worden dat uw geografische kennis van de regio waaruit u beweert afkomstig te zijn, zeer beperkt is. U stelde dat uw dorp, Ponoshec, in het Servo-Kroatisch dezelfde naam draagt (verhoorverslag CGVS p.5). In werkelijkheid is de Servo-Kroatische benaming voor Ponoshec 'Ponosevac'. Gevraagd naar de dorpen tussen Ponoshec en Gjakove noemde u Kolesjan, Rahovec en Bicaj (verhoorverslag CGVS p.13). Kolesjan en Bicaj zijn echter niet in Kosovo te situeren, maar wel in de buurt van Kukës (Albanië). Rahovec ligt wel in Kosovo, maar niet tussen Ponoshec en Gjakove. Gevraagd naar de namen van de naburige dorpen van Ponoshec noemde u Maroshev, Vel, Qiz, Koder Aut, Ujmisht, Boksi en Kalis (verhoorverslag CGVS p.5 en bijlage 2 bij het verhoorverslag). Ujmisht en Kalis bevinden zich echter niet in Kosovo, maar wel in de buurt van Kukës. Op een blinde kaart van Kosovo kon u Pristina, de hoofdstad van Kosovo, niet - zelfs niet bij benadering - situeren (verhoorverslag CGVS p.4). Voorts verklaarde u dat er zich in de buurt van Gjakove een rivier, Lumë i Bardhë genaamd, bevindt (verhoorverslag CGVS p.5). Deze rivier bevindt zich evenwel op een aanzienlijke afstand van Gjakove, maar loopt wel zeer dicht bij Kukës. Gevraagd of de naam Morine (dorp niet ver van Ponoshec) u iets zei, beschreef u de ligging van het Albanese Morinë (nabij de grens met de Kosovaarse gemeente Prizren) (verhoorverslag CGVS p.5). Voorts zei de naam van een ander dorp dichtbij Ponoshec, namelijk Popoc, u helemaal niets (verhoorverslag CGVS p.6). De informatie waarop de commissaris-generaal zich beroept, is bij het administratief dossier gevoegd. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat er geen geloof gehecht kan worden aan uw beweerde afkomst en uw vluchtrelaas.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "(...) Volgens uw verklaringen in uw antwoord op een vraag om inlichtingen (dd. 14 januari 2003) bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Kosovo (Joegoslavië), meerbepaald uit Kodra e Hutit (gemeente Gjakove). Op 16 maart 1998 kwam u samen met uw echtgenoot en uw oudste zoon aan in België, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. U werd uitgenodigd op het Commissariaat-generaal op 9 januari 2003, maar kon wegens ziekte niet aanwezig zijn. Op 14 januari 2003 maakte u schriftelijk uw verklaringen aan het Commissariaat-generaal over. Daarin stelde u dat u Kosovo ontvlucht bent nadat uw echtgenoot meegenomen was door de Joegoslavische politie en gedurende een drietal dagen door hen geslagen werd. Tevens verklaarde u niet naar Kosovo te willen terugkeren omdat alles er vernietigd is Er dient te worden opgemerkt dat u zich ter staving van uw asielaanvraag baseert op dezelfde motieven als diegene die werden aangehaald door uw echtgenoot, XXX. In het kader van het door uw echtgenoot ingediende dringend beroep heb ik echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen, aangezien uw echtgenoot geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn. Bijgevolg kan ook aan uw verklaringen duidelijk geen geloof gehecht worden en ik meen dan ook dat het niet noodzakelijk is u te horen.". VII-29.039-3/6 Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
  7. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de asielaanvragen niet binnen een redelijke termijn werden behandeld en verwijzen naar de termijn van 30 werkdagen van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, termijn die in casu ruim werd overschreden; dat zij betogen dat hun recht van verdediging werd geschonden en daarbij het arrest van het Arbitragehof d.d. 13 november 1996 aanhalen, waarin werd gesteld dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet een schending inhield van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen hun asielaanvraag indienden op 17 maart 1999 en dat de bestreden beslissingen dateren van 22 januari 2003; dat dit geen onredelijke termijn is, gezien de enorme toevloed aan asielaanvragen op dat ogenblik én gezien het feit dat de commissaris-generaal elke asielaanvraag aan een gedetailleerd individueel onderzoek onderwerpt; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet geen sanctie verbindt aan het overschrijden van de termijn van 30 dagen, dat deze bijgevolg een termijn van orde is; dat overigens kan worden afgevraagd welk belang de verzoekende partijen hebben bij het inroepen van een eventuele schending van deze bepaling, aangezien zij, zolang er geen uitspraak was gedaan over hun dringend beroep, gerechtigd waren op het grondgebied te verblijven; dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet ingevolge dit arrest van het Arbitragehof achteraf door de federale wetgever werd opgeheven; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en het recht van verdediging doordat de verzoekende partijen niet mondeling werden gehoord door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Overwegende dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op VII-29.039-4/6 zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissingen van de commissaris-generaal om reden dat de aanvragen van de verzoekende partijen kennelijk ongegrond zijn, niet als zulk een maatregel kunnen worden gezien; dat deze beslissingen immers voortvloeien uit de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en niet gestoeld zijn op het persoonlijk gedrag van de kandidaat- vluchtelingen zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve niet is voldaan aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht; Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de procedure van de Vreemdelingenwet; dat geen enkele wettelijke bepaling de commissaris-generaal verplicht een kandidaat-vluchteling te horen; dat het middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-29.039-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.039-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.