id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.571 Rolnummer: A. 137600/VII-30005 Zaak: Arrest 137571 - - 24/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 14:36 Fiche Arrest nr 137.571 van 24 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.571 van 24 november 2004 in de zaak A. 137.600/VII-30.005 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Slowaakse nationaliteit, op 5 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 3 november 2004; VII-30.005-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België als minderjarige binnen op 3 november
- De ouders van verzoekster verklaarden zich op 4 november 1996 vluchteling, zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen. 1.
- Op 30 juni 1998 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 december 1996 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en werd de asielaanvraag definitief afgesloten. 1.
- Op 28 september 1999 verklaarde de verzoekende partij, die intussen meerderjarig geworden was, zich in eigen naam vluchteling. 1.
- Op 6 december 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten. 1.
- Op 6 mei 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) VII-30.005-2/5 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 27/03/2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij aanvoert dat haar asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn werd behandeld en verwijst naar de termijn van 30 werkdagen van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat in casu ruim werd overschreden; dat zij betoogt dat haar recht van verdediging werd geschonden en daarbij het arrest van het Arbitragehof d.d. 13 november 1996 aanhaalt, waarin werd gesteld dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet een schending inhield van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Overwegende dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het inroepen van een eventuele schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, aangezien zij, zolang er geen uitspraak was gedaan over haar dringend beroep, gerechtigd was op het grondgebied te verblijven; dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet ingevolge het door haar aangehaalde arrest van het Arbitragehof achteraf door de federale wetgever werd opgeheven; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en het recht van verdediging doordat zij niet mondeling werd gehoord door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; VII-30.005-3/5 Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de procedure van de Vreemdelingenwet; dat geen enkele wettelijke bepaling de commissaris-generaal verplicht een kandidaat-vluchteling te horen; dat daarenboven uit de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij werd afgewezen omdat zij geen gevolg gaf aan de oproeping, noch aan de vraag om inlichtingen, vervat in de brief die haar aangetekend werd verzonden op 27 maart 2003; dat er bijgevolg dient te worden geconcludeerd dat zij zelf aan de basis ligt van het feit dat zij niet werd verhoord voor het Commissariaat- generaal; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 52, §2, 4/ en 57/8 van de Vreemdelingenwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de zorgvuldigheidsplicht doordat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de uitnodiging voor verhoor van 26 maart 2003 betekende aan de oude woonplaats van de verzoekende partij, gezien zij met haar gezin sinds 28 januari 2003 op een nieuw adres woont; dat zij stelt dat de commissaris-generaal op de hoogte was van deze verhuis, daar de bevestigende beslissing van weigering van verblijf op haar nieuwe woonplaats werd betekend en dat de verwerende partij naliet het wachtregister te raadplegen, hoewel zij hier toegang tot heeft; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij, naar aanleiding van het dringend beroep dat zij instelde tegen de beslissing in eerste aanleg over haar asielaanvraag, woonplaats koos in de te 9000 Gent; dat de oproeping voor het verhoor eveneens naar dit adres werd verstuurd, aangezien de verzoekende partij naliet haar nieuwe adres mee te delen aan de commissaris-generaal; dat artikel 51/2, lid 4 van de Vreemdelingenwet zeer duidelijk stelt dat elke wijziging van de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending moet medegedeeld worden aan de commissaris-generaal; dat de verwerende partij er dan ook in alle redelijkheid kon van uitgaan dat de uitnodiging voor het verhoor rechtsgeldig werd betekend; dat de kritiek van de verzoekende partij waarbij zij de commissaris-generaal verwijt op het ogenblik dat de oproeping voor verhoor werd verzonden, niet te hebben nagekeken of zij al dan niet was verhuisd, niet kan worden aangenomen, nu uit de bewoordingen van artikel 51/2, lid 4 van de Vreemdelingenwet blijkt dat de verantwoordelijkheid hieromtrent ten volle bij de kandidaat-vluchteling ligt; dat de verzoekende partij de commissaris-generaal per aangetekende brief van 9 april 2003 op de hoogte bracht van haar adreswijziging; dat de commissaris-generaal redelijkerwijze pas vanaf die datum rekening kon houden met de adreswijziging; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de VII-30.005-4/5 tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.005-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div