← België

Arrest 137609 - - 25/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.609 Rolnummer: A. 113726/XIV-7566 Zaak: Arrest 137609 - - 25/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 14:45 Fiche Arrest nr 137.609 van 25 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.609 van 25 november 2004 in de zaak A. 113.726/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 4 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-7566-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. GUL, die loco advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 februari 1999 en zich vluchteling verklaart op 1 maart 1999; dat op 17 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 november 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 05 oktober 2001 op uw gekozen woonplaats. (...).”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van “het motiveringsbeginsel”, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 62 en 57/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van “het principe van goede bestuur”; dat zij aanvoert dat de verwerende partij ten onrechte objectieve elementen in het dossier meent te hebben gevonden, dat de verzoekende partij woonstkeuze had gedaan op het adres “XXX", dat de verwerende partij een eerste brief naar dat adres heeft gestuurd op 7 juni 2000, dat de vraag om inlichtingen van 5 oktober 2001 naar het onvolledige adres “XXX" is gestuurd, waardoor de verzoekende partij de brief niet heeft ontvangen, dat de verzoekende partij aldus niet “zonder geldige reden” geen gevolg aan die brief heeft gegeven, dat deze materiële onjuistheid van de motieven een schending van de motiveringsplicht vormt, dat artikel 57/8 van de Vreemdelingenwet vereist dat elke vraag om inlichtingen naar de gekozen woonplaats en derhalve naar het volledige adres wordt gestuurd en dat de overheid de elementaire regels van voorzichtigheid en nauwkeurigheid dient na te leven; 2.1.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat artikel 57/8 van de Vreemdelingenwet niet is geschonden nu de verzoekende partij XIV-7566-2/5 blijkens het administratief dossier op 25, 27 en 30 oktober 2000 “XXX" als adres heeft opgegeven zonder vermelding van een busnummer, dat het verzoek om inlichtingen van 25 oktober 2001 conform voormeld artikel 57/8 naar dat adres is gestuurd, dat de verwerende partij bij gebrek aan gevolg aan dat verzoek toepassing heeft gemaakt van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet, dat de verzoekende partij op 17 oktober 2000 woonplaatskeuze heeft gedaan op de “XXX" doch dat zij deze heeft herroepen met de hoger vermelde latere brieven, dat de verwerende partij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd door het verzoek om inlichtingen naar het door de verzoekende partij zelf expliciet vermelde adres te sturen en dat de verzoekende partij zelf verantwoordelijk is voor de correctheid en de volledigheid van het door haar vermelde adres; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.1.
  6. Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat het gegeven motief de beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij de schending van de formele motiveringsplicht als vastgelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet dienstig kan aanvoeren; Overwegende dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit haar brieven van 25, 27 en 30 oktober 2000, die zich in het administratief dossier bevinden, blijkt dat de verzoekende partij zelf “XXX" zonder vermelding van een busnummer als haar adres op heeft gegeven; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de verzoekende partij voordien als huisnummer “XXX" had opgegeven; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij de brief van de verwerende partij van 5 oktober 2001 niet heeft ontvangen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op onzorgvuldige wijze is genomen noch dat de verwerende partij XIV-7566-3/5 artikel 57/8 van de Vreemdelingenwet heeft miskend door geen busnummer te vermelden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van “het motiveringsbeginsel, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat zij aanvoert dat de verwerende partij de bestreden beslissing uitdrukkelijk heeft gesteund op artikel 52 van de Vreemdelingenwet, dat dit artikel niet kon worden toegepast daar het enkel betrekking heeft op de minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde, dat de toepasselijke bepalingen voor de verwerende partij zich verder in de wet bevinden en dat de motiveringsplicht derhalve is geschonden met de bestreden beslissing; 2.2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar haar antwoord op het eerste middel; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.2.
  10. Overwegende dat met betrekking tot de voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; Overwegende dat de commissaris-generaal de weigering van verblijf, waartoe de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken had besloten, met de bestreden beslissing bevestigt omdat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping en de vraag om inlichtingen binnen de maand na de verzending ervan met toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep over dezelfde beslissingsbevoegdheid beschikt als de minister van Binnenlandse Zaken wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat hij deze dan ook onontvankelijk kan verklaren om dezelfde redenen als deze welke door artikel 52, § 2 van de Vreemdelingenwet worden voorzien; dat de commissaris-generaal dientengevolge niet artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet heeft geschonden, noch de motiveringsplicht door de verwijzing naar dat artikel; dat het tweede middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-7566-4/5 BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig november tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7566-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.