id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.641 Rolnummer: A. 134301/XII-3803 Zaak: Arrest 137641 - - 25/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 14:51 Fiche Arrest nr 137.641 van 25 november 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.641 van 25 november 2004 in de zaak A. 134.301/XII-
- In zake : Leon HELSEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Maes, kantoor houdende te Lokeren, Zelestraat 99 tegen :
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP,
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leon Helsen op 19 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “de beslissing dd. 16/1/03, ter kennis gebracht bij brief dd. 20/1/03 door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs, Kon. Albert II-laan 15 te 1050 Brussel, waarbij verzoeker, werkzaam als statutair leerkracht in het gemeenschapsonderwijs, wordt beschouwd als ter beschikking gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid, en waarbij hem gemeld wordt dat hij zal moeten verschijnen voor de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst, en dit in toepassing van art. 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 11/2/2000, en waarbij hem wordt meegedeeld dat het verder genieten van de TBS 55+ regeling welke hij had aangevraagd en die hem werd toegekend met ingang van 1/1/2003 afhankelijk wordt gesteld van de beslissing van de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3803-1\11 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Maes, die verschijnt voor verzoeker, van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker, vast benoemd leraar technische vakken en beroepspraktijk lager secundair onderwijs aan het koninklijk technisch atheneum (KTA) Heist-op-den-Berg, op 12 december 2002 een aanvraag doet voor terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen (TBS55+); dat de directeur van het KTA op 13 december 2002 die aanvraag stuurt aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; Overwegende dat de afdeling beleidsuitvoering personeel secundair onderwijs (hierna: de afdeling) namens de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs op 24 december 2002 aan de directeur antwoordt : “Bij nazicht van het dossier van voormeld personeelslid is vastgesteld dat het op 11-11-2002 in totaal reeds 1188 dagen ziekteverlof heeft genoten. Met een sociale anciënniteit van 21 jaar op 11-11-2002 kan betrokkene vanaf zijn eerste indiensttreding tot heden aanspraak maken op 630 dagen ziekteverlof. Het aantal dagen ziekteverlof is overschreden op 12.11.
- Overeenkomstig artikel 9 en 10 van het KB van 18.01.1974 wordt betrokkene ter beschikking gesteld wegens ziekte vanaf 12-11-2002 met een wachtgeld (toelage) gelijk aan 63% van de laatste activiteitswedde (toelage). De eventueel ten onrechte toegekende wedde (toelage) zal worden verrekend of teruggevorderd. Wil u een afschrift van deze brief aan betrokkene bezorgen en hem meedelen dat de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst hem eerlang zal oproepen”; XII-3803-2\11 Overwegende dat de afdeling op 14 januari 2003 aan verzoeker schrijft dat hij “de gestelde voorwaarden vervult om vanaf 01.01.03, in afwachting van een definitieve beslissing van de Algemeen Geneeskundige Dienst, aanspraak te maken op [TBS55+]”; Overwegende dat de afdeling op 16 januari 2003 aan verzoeker schrijft : “Uw aanvraag voor een TBS55+ met ingangsdatum 1 januari 2003 kwam bij ons pas binnen op 19 december
- Op 14 januari 2003 werd u op de hoogte gesteld van de omvang van het wachtgeld. Daarnaast bevond u zich de op ingangsdatum van de TBS55+ in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte. Artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11/02/2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding stelt uitdrukkelijk : 'Het personeelslid dat op de dag waarop de door hem aangevraagde volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegen- heden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als deze commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld, wordt de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de oppensioenstelling van het personeelslid'. U zult dus eerlang worden opgeroepen door de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. In afwachting van de oproeping zal u in de stand TBS55+ blijven. Indien de pensioencommissie beslist dat u arbeids- geschikt bent, kan u van uw TBS55+ blijven genieten tot aan uw pensioen. Beslist de pensioencommissie daarentegen dat u niet meer geschikt bent om uw functie uit te oefenen dan wordt u de maand volgend op de beslissing met pensioen wegens ziekte gesteld. Ik hoop hiermee eventuele onduidelijkheden in verband met uw situatie uitgeklaard te hebben.”; Overwegende dat de afdeling op 12 mei 2003 aan de administratieve gezondheidsdienst meedeelt dat de aanvraag om onderzoek van verzoeker door de pensioencommissie voorbarig was en zij verzoekt “geen gevolg te willen geven aan voormelde oproeping tot onderzoek”; XII-3803-3\11 Overwegende dat verzoeker op 18 augustus 2003 een pensioenaanvraag indient; dat hem op 23 juni 2003 wordt meegedeeld dat hij zijn rechten op een rijkspensioen kan doen gelden en op eigen aanvraag eervol ontslagen wordt uit zijn ambt met ingang van 1 juni 2004; Over de partijen. Overwegende dat het Gemeenschapsonderwijs in de memorie van antwoord argumenteert volledig buiten de zaak te staan, dat het het departement Onderwijs is dat de terbeschikkingstelling van rechtswege vaststelt en dat het Gemeenschapsonderwijs “ter zake geen enkel initiatief genomen [heeft]”; Overwegende dat, zoals hierna zal blijken, een beslissing wordt bestreden die uitgaat van de Vlaamse Gemeenschap en niet van het Gemeenschapsonderwijs; dat het bijgevolg de Vlaamse Gemeenschap is, en niet het Gemeenschapsonderwijs, die als verwerende partij moet optreden; dat het Gemeenschapsonderwijs daarenboven niet vraagt om vrijwillig in de zaak te mogen tussenkomen, noch in gedwongen tussenkomst wordt geroepen; dat zulks meebrengt dat haar verzoek om buiten de zaak te worden gesteld mag worden ingewilligd; dat hierna enkel de Vlaamse Gemeenschap wordt bedoeld als verwerende partij; Over het voorwerp van het beroep en de rechtsmacht van de Raad van State. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de brief van 16 januari 2003 waartegen verzoeker opkomt geen beslissing bevat maar een toelichting, nopens de modaliteiten van de TBS55+, bij een eerder genomen beslissing vervat in de brief van 14 januari 2003, dat de brief van 16 januari 2003 evenmin beslist over de terbeschikkingstelling wegens ziekte van verzoeker, “beslissing die bij schrijven van 24 december 2002 van de administratie aan de directie van het K.T.A. Heist-op-den-Berg werd meegedeeld en waarvan verzoeker een afschrift ontving”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord preciseert niet “zijn TBS55+” aan te vechten, maar wel “de beslissing waarbij [hij] geacht wordt zich op 1/1/2003 te bevinden in een staat van TBS wegens ziekte”; XII-3803-4\11 Overwegende dat artikel 82, eerste lid, c, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) bepaalt dat het personeelslid onder de door de Vlaamse regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking kan worden gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid; dat luidens artikel 74 van het rechtspositiedecreet terbeschikkingstelling een van de drie administratieve standen is waarin de personeelsleden zich geheel of gedeeltelijk kunnen bevinden; dat een personeelslid voor de vaststelling van zijn administratieve stand, luidens artikel 75 van hetzelfde decreet, altijd wordt geacht zich in de stand dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van een terzake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst; dat uit de genoemde bepalingen voortvloeit dat de administratieve stand van terbeschikkingstelling wezenlijk verschillend is van de stand dienstactiviteit; dat de overgang van de ene naar de andere niet impliciet kan geschieden, omdat zulks de rechtszekerheid van de betrokkene ernstig in gevaar zou brengen; dat een uitdrukkelijke administratieve beslissing vereist is; dat naast de hiervoor in het feitenrelaas geciteerde briefwisseling geen afzonderlijk formeel besluit voorligt dat de terbeschikkingstelling van verzoeker vaststelt; dat verwerende partij echter niet ontkent dat tot de terbeschikkingstelling van verzoeker wegens ziekte door haar is besloten; dat het voorwerp van het beroep dan aldus begrepen wordt de beslissing te zijn, zoals in de memorie van antwoord omschreven door de verwerende partij, “die bij schrijven van 24 december 2002 van de administratie aan de directie van het K.T.A. Heist-op-den-Berg werd meegedeeld”, namelijk de beslissing waarbij verzoeker, blijkens bedoelde brief van 24 december 2002, “overeenkomstig artikel 9 en 10 van het KB van 18.01.1974”, “ter beschikking gesteld [wordt] wegens ziekte vanaf 12-11-2002”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opwerpt dat, aangezien het voorwerp van het beroep is “de beslissing vervat in de brief van 24 december 2002 waarbij verzoeker wegens ziekte ter beschikking gesteld werd”, die “de loutere toepassing [is] van [artikel] 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974” en “nu verzoeker op eigen aanvraag met ingang van 1 juni 2004 gepensioneerd werd”, de Raad van State “niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep waarvan het wezenlijk doel is geldelijk voordeel te verkrijgen”; dat volgens haar het werkelijk voorwerp van het geschil het bestaan en de omvang betreft van een subjectief recht XII-3803-5\11 op wedde zodat dit geschil tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift schrijft dat “de in zijnen hoofde getroffen beslissing hem te beschouwen als ter beschikking gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid [...] van aard is hem zijn statutaire rechten op toepassing van de TBS 55+ voorafgaand aan het rustpensioen te ontnemen, hetgeen van invloed is op zijn administratieve, statutaire en pecuniaire situatie en zijn toekomstige pensioenrechten”; dat hij in de memorie van wederantwoord herneemt te beogen “dat hij erkend wordt in zijn rechten qua anciënniteit en toekomstige pensioenrechten”; dat hij in de laatste memorie nog verduidelijkt “geen enkele veroordeling tot betaling” te vragen, “doch wel een erkenning van zijn wettelijke en statutaire rechten”; Overwegende dat verzoeker zelf het voorwerp van zijn annulatieberoep niet verwoordt zoals verwerende partij het voorstelt; dat hij luidens de bewoordingen van het inleidend verzoekschrift de nietigverklaring vordert van “de 'beslissing' [...] waarbij [hij] wordt beschouwd als ter beschikking gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid”; dat hij als gezien het voorwerp van zijn beroep in de memorie van wederantwoord voor zoveel als nodig in die zin heeft gepreciseerd; dat hieruit en uit het zo-even aangehaalde betoog van verzoeker, waarin hij weliswaar melding maakt van zijn “pecuniaire situatie en zijn toekomstige pensioenrechten”, maar evengoed refereert aan zijn administratieve toestand en zijn “rechten op toepassing van de TBS 55+”, blijkt dat verzoeker zelf voor de Raad van State niet de uit de brief van 24 december 2002 eventueel voortvloeiende financiële gevolgen van de terbeschikkingstelling aanvecht, waarover de Raad van State zich inderdaad niet vermag uit te spreken, maar de beslissing welke hij leest in die brief om hem in de administratieve stand “terbeschikkingstelling” te plaatsen; dat het voorwerp van het geschil dus wel degelijk de beslissing betreffende de terbeschikkingstelling van verzoeker is; dat, terwijl het Gemeenschapsonderwijs als gezien verklaart ter zake geen enkel initiatief genomen te hebben, verwerende partij overigens niet ontkent tot de terbeschikkingstelling van verzoeker te hebben besloten; dat zij dit heeft gedaan, luidens de brief van 24 december 2002, “overeenkomstig artikel 9 en 10 van het KB van 18.01.1974”; XII-3803-6\11 Overwegende dat naar luid van het bedoelde artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, waarop verwerende partij zich beroept, het personeelslid “van rechtswege ter beschikking [is] gesteld wanneer hij wegens ziekte [...] afwezig is nadat hij het maximum aantal verlofdagen heeft genoten dat hem om die reden kan toegekend worden”; dat, zoals de Raad van State reeds eerder heeft vastgesteld, onder meer in de arresten nr. 65.658, Druez, van 26 maart 1997, nr. 70.605, Kesteloot, van 9 januari 1998 en nr. 127.226, Mathijs, van 20 januari 2004, de in die bepaling voorkomende uitdrukking “van rechtswege” geen declaratief karakter verleent aan de handeling waarbij een personeelslid ter beschikking wordt gesteld; dat zij alleen betekent dat het bestuur ter zake niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt om tot terbeschikkingstelling te besluiten wanneer de in dit artikel vastgestelde voorwaarden vervuld zijn; dat de overheid, alvorens tot die terbeschikkingstelling te besluiten, echter eerst de situatie van het betrokken personeelslid dient te onderzoeken en zijn periodes van afwezigheid tijdens zijn loopbaan nader moet omschrijven; dat zulk een beslissing, wegens de ingewikkeldheid ervan en de beoordeling die ermee gepaard gaat wanneer twijfel of een geschil rijst over de oorzaak van bepaalde periodes van afwezigheid, onderworpen is aan de controle van de rechter inzake machtsoverschrijding; Overwegende dat de terbeschikkingstelling wegens ziekte een individuele rechtscheppende beslissing is die ten aanzien van het personeelslid een nieuwe rechtstoestand doet ontstaan die zonder die beslissing niet rechtens als vaststaand kan worden beschouwd; dat constitutieve handelingen van administratieve overheden bij de Raad van State met een annulatieberoep bestreden kunnen worden op grond van artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State tenzij ze, bij wijze van uitzondering op dat artikel, door een wetsbepaling aan dat beroep onttrokken zijn; dat een zodanige wetsbepaling te dezen niet bestaat; dat overigens de enkele omstandigheid dat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing een weerslag heeft op de subjectieve rechten van verzoeker, zoals zijn pensioenrechten, het werkelijke voorwerp van zijn beroep niet XII-3803-7\11 maakt tot de erkenning van een subjectief recht en niet volstaat om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten; dat de exceptie wordt verworpen; Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de verwerende partij de laattijdigheid van het beroep opwerpt, nu het is ingediend buiten de termijn van zestig dagen nadat verzoeker van het bestreden besluit kennis kreeg; Overwegende dat verzoeker in de memorie van antwoord verklaart dat hem van de brief van 24 december 2002 op 15 januari 2003 kennis is gegeven; dat hij zich evenwel beroept op de bescherming van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State omdat geen melding werd gemaakt van de hem ter beschikking staande beroepsmogelijkheden; Overwegende dat het verzoekschrift ingediend is meer dan zestig dagen na de kennisgeving van de beslissing waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd; dat er op het eerste gezicht dan ook gemeend kan worden dat het beroep laattijdig is; dat evenwel voormelde brief van 24 december 2002 niet de vermeldingen bevat waarin artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voorziet; dat luidens die bepaling de verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, alleen een aanvang nemen “op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt”; dat deze bepaling tot doel heeft diegenen die zich benadeeld achten door een administratieve beslissing met individuele strekking in kennis te stellen van het bestaan van de mogelijkheid om tegen deze beslissing beroep in te stellen; dat de naleving van deze vormvereiste impliceert dat gewag moet worden gemaakt van het bestaan van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen en van de verplichting om dit beroep in te stellen bij aangetekende brief binnen zestig dagen na de kennisgeving; dat, zoals bij arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004 van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, dit artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt; dat de rechtsonzekerheid waartoe deze bepaling kan leiden, te wijten is enerzijds aan het tekortschieten van de administratieve overheid en anderzijds aan de bedoeling van de wetgever om op de niet-naleving van XII-3803-8\11 die bepaling een radicale straf te stellen waarvan de werking niet beperkt is in de tijd; dat de exceptie wordt verworpen; dat het beroep tot nietigverklaring ratione temporis ontvankelijk is; Overwegende dat de verwerende partij ten slotte in de memorie van antwoord opwerpt dat verzoeker in de loop van de procedure zijn belang zal verliezen omdat, nu de AGD is verzocht geen gevolg te geven aan de vraag om oproeping van verzoeker voor de pensioencommissie, het weinig waarschijnlijk is dat hij vroegtijdig op pensioen zal worden gesteld; Overwegende dat luidens artikel 5, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, de TBS55+ wordt toegekend door de inrichtende macht; dat in het dossier geen dergelijke beslissing is neergelegd; dat evenwel verzoeker niet betwist dat zijn aanvraag voor een TBS55+ is ingewilligd; dat het feit dat naderhand aan verzoekers TBS55+ niet is geraakt en hij niet wegens ziekte voortijdig op pensioen is gesteld, zijn initieel belang bij het beroep reduceert maar het niet uitschakelt; dat de bestreden beslissing immers nog steeds verzoeker gedurende een bepaalde aan de TBS55+ voorafgaande periode in een andere administratieve stand stelt dan de stand dienstactiviteit die de regel is; dat verzoeker als gezien reeds in het inleidend verzoekschrift zijn belang ruimer invult en het mede situeert in een correcte vaststelling van zijn rechtspositionele situatie; dat verzoeker nog steeds voordeel kan halen, indien de bestreden beslissing verdwijnt uit het rechtsverkeer; dat verzoeker immers, bij stilzitten van het bestuur na een nietigverklaring, uit kracht van het rechtspositiedecreet geacht moet worden steeds in dienstactiviteit gebleven te zijn tot aan de TBS55+; dat hij dit voordeel niet heeft verspeeld door zijn pensionering te hebben aangevraagd; dat het verweer van de verwerende partij niet volstaat om aan verzoeker actueel belang te ontzeggen; dat de exceptie wordt verworpen; Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat luidens artikel 4 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, “de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs” de inrichtende macht zijn van het in dat bijzonder decreet bedoelde gemeenschapsonderwijs en al de bevoegdheden bezitten die XII-3803-9\11 rechtstreeks of onrechtstreeks noodzakelijk of nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdracht; dat het bijzonder decreet aan de raad van bestuur van de scholengroepen de benoeming van personeelsleden overeenkomstig het personeelsstatuut opdraagt en voorts het college van directeurs van de scholengroepen belast met het beheer van de loopbaan van de personeelsleden; dat ook artikel 75 van het rechtspositiedecreet het “bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs” vermeldt dat een personeelslid in een andere stand plaatst; dat uit die teksten kan worden afgeleid, ook al bedoelt de decreetgever met artikel 4 van het bijzonder decreet niet zichzelf alle bevoegdheden te ontzeggen met betrekking tot het gemeenschapsonderwijs, dat in beginsel de onderwijs-organiserende instantie, die het Gemeenschapsonderwijs en meer in het bijzonder de scholengroep is, beslist over de vaststelling van de administratieve stand van haar personeel; dat, wil de Vlaamse Gemeenschap zich niettemin een aspect van die bevoegdheid voorbehouden, zulks uit een uitdrukkelijke tekst moet blijken; dat de Raad van State geen enkele bepaling bekend is die aan de verwerende partij de bevoegdheid verleent om de administratieve stand van een lid van het onderwijzend personeel van het gemeenschapsonderwijs te wijzigen; dat bijgevolg de bestreden handeling enkel kon worden gesteld door het bevoegd orgaan van de inrichtende macht; dat die inrichtende macht het Gemeenschapsonderwijs is en niet de verwerende partij; dat de maatregel bijgevolg van een onbevoegde overheid uitgaat; dat dit desnoods ambtshalve moet worden vastgesteld, BESLUIT: Artikel
- Het Gemeenschapsonderwijs wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse Gemeenschap, die blijkt uit de brief van 24 december 2002, waarbij Leon Helsen vanaf 12 november 2002 ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte. XII-3803-10\11 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig november 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3803-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.