← België

Arrest 137642 - - 25/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.642 Rolnummer: A. 157356/XII-4302 Zaak: Arrest 137642 - - 25/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 14:51 Fiche Arrest nr 137.642 van 25 november 2004 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.642 van 25 november 2004 in de zaak A. 157.356/XII-

  1. In zake : Maria-Theresia INGROSSO, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Wendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen : de UNIVERSITEIT ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria-Theresia Ingrosso op 12 november 2004 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “
  2. De beslissing van de examencommissie van de Universiteit Antwerpen dd. 16 september 2004 van 1/ licentie rechten, 2/ zittijd, waarbij verzoekster niet-geslaagd wordt verklaard [...];
  3. De beslissing van de examencommissie van de Universiteit Antwerpen dd. 4 oktober 2004 waarbij de klacht van verzoekster, met zes neen-stemmen en één onthouding, ongegrond werd verklaard [...];
  4. De beslissing van de rector van de Universiteit Antwerpen dd. 21 oktober 2004 waarbij de klacht van verzoekster ongegrond werd verklaard”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4302-1\11 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Wendrickx, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Deridder, die loco advocaat Chr. Coen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is studente rechten aan de Universiteit Antwerpen. In het academiejaar 2002-2003 is zij niet geslaagd in de eerste licentie (twee examenperiodes). In het academiejaar 2003-2004 is zij toegelaten tot het volgen van een individueel aangepast jaarprogramma, waarbij voor vijf vakken een overdracht van examenresultaat werd verkregen en twee vakken van de tweede licentie worden gevolgd. Zij is andermaal niet geslaagd in de eerste examenperiode. In de tweede examenperiode behaalt verzoekster volgende cijfers : Studiepunten resultaat Staatsrecht 7 13 Personen- en familierecht 5 11 Zakenrecht 4 13 Overeenkomsten 5 12 Aansprakelijkheidsrecht 5 7 Strafrecht & strafrechtspleging 7 10 Volkenrecht 5 12 Gerechtelijk en bewijsrecht 5 14 Rechtsrelat. en -vergelijking 3 11 Recht van de Europese Unie 5 11 Pract. verbintenissenrecht 2 3 10 Jaarverhandeling strafrecht 3 10 Practicum gerechtelijk recht 1 3 15 XII-4302-2\11 Wanneer rekening wordt gehouden met de studiepunten van ieder vak, behaalt zij een gewogen algemeen resultaat van 57,15%. Op 16 september 2004 verklaart de examencommissie haar “niet geslaagd”; zij notuleert dat over verzoekster bij geheime stemming werd beslist “na beraadslaging en rekening houdend met de deliberatieaanbevelingen zoals die werden vastgelegd door de vergadering van de examencommissie van eerste en tweede licentiaat Rechten van 13 januari 1994” en motiveert : “unaniem tegen en bijgevolg niet geslaagd wegens een tekort en een te laag gemiddelde”. Verzoekster, die op dat ogenblik nog geen kennis kreeg van de notulen van de examencommissie, tekent op 23 september 2004 overeenkomstig het examenreglement bezwaar aan tegen de beslissing van de examencommissie, waarbij zij de onvoldoende voor het vak aansprakelijkheidsrecht betwist en vraagt de redenen op te geven waarom zij niet geslaagd werd verklaard. Op 27 september 2004 roept de voorzitter van de examencommissie de commissie samen in bijzondere zitting op 4 oktober
  5. Hij verwittigt verzoekster met een brief waarin hij ook schrijft : “Ingaande op uw wens kennis te krijgen van de motivering van de commissie, kan ik u meedelen dat uw globale percentage te laag was om een ernstig tekort in een vak te compenseren. Deze beslissing werd met eenparigheid van stemmen genomen”. Op 4 oktober 2004 hoort de examencommissie verzoekster, de ombudsman en de docent van het vak aansprakelijkheidsrecht. Vervolgens wordt, na beraadslaging, de klacht van verzoekster over het examencijfer ongegrond verklaard. Over het al dan niet slagen van verzoekster notuleert de commissie : “In een geheime stemming wordt mevr. Ingrosso met zes neen-stemmen en één onthouding niet geslaagd verklaard. De examencommissie motiveert deze beslissing met verwijzing naar het examenreglement van de Universiteit Antwerpen, rekening houdend met de deliberatieaanbevelingen zoals die werden vastgelegd door de vergadering van de examencommissie van eerste en tweede licentiaat Rechten van 13 januari 1994, en met het feit dat zij één tekort heeft (7/20) en een gemiddelde van 57,15%. De voorzitter stelt mevr. Ingrosso onmiddellijk na deze stemmingen mondeling op de hoogte van het resultaat van de geheime stemmingen. Zij wordt hiervan ook bij aangetekende brief op de hoogte gesteld”. XII-4302-3\11 Op 7 oktober 2004 tekent verzoekster overeenkomstig het examenreglement beroep aan bij de rector van de universiteit. In haar klacht stelt zij onder meer vast dat haar “tot op heden geen proces verbaal van de deliberatie werd overgemaakt”, dat de enige motivatie welke zij ontving “werd vermeld op de uitnodigingsbrief van de voorzitter van de examencommissie”, dat zij conform het examenreglement voldoet aan de minimumvereisten, dat de haar door de voorzitter meegedeelde motivatie voor het enige onvoldoende cijfer “louter een stijlformule” is en dat zij “noch schriftelijk noch mondeling, een motivering [heeft] ontvangen van de herdeliberatie en evenmin in het bezit [is] gesteld van een afschrift van [haar] verhoor”. Op 21 oktober 2004 verklaart de rector de klacht ongegrond. Hij schrijft, aan te nemen dat ondertussen de gevraagde documenten aan verzoekster werden gestuurd door de faculteit en “vast [te stellen] dat de beslissing van de examencommissie afdoende gemotiveerd en niet kennelijk onredelijk is”. Op 30 oktober 2004 repliceert verzoekster aan de rector dat zij van de faculteit nog steeds niet de processen-verbaal heeft ontvangen die zij heeft opgevraagd, noch het meermaals gevraagde proces-verbaal van de deliberatie van 16 september 2004, hetgeen haar rechten van verdediging schendt. Met een 9 november 2004 gedateerde brief worden die stukken dan aan verzoekster toegestuurd; Over het voorwerp van de vordering. Overwegende dat verzoekster ter terechtzitting erkent dat haar beroep tegen de beslissing van 16 september 2004 zonder voorwerp is omdat de examencommissie ingevolge haar klacht nadien opnieuw is samengeroepen en dan blijkens de notulen van haar vergadering van 4 oktober 2004 na een nieuwe beraadslaging over de klacht, betrokkenen gehoord, en stemming, de eigen redenen heeft gegeven om op die datum verzoekster niet geslaagd te verklaren; dat de beslissing van 4 oktober 2004 geen louter bevestigende beslissing is en in de plaats is gekomen van de eerste beslissing van 16 september 2004, die uit het rechtsverkeer is verdwenen; dat verzoekster ter terechtzitting verklaart het voorwerp van haar vordering in die zin te beperken; Overwegende dat tegen de nieuwe beslissing van de examencommissie van 4 oktober 2004 vervolgens de beroepsprocedure is voortgezet zoals is voorgeschreven bij artikel 23.3 van het in de universiteit Antwerpen XII-4302-4\11 toepasselijke examenreglement; dat dit beroep een georganiseerd administratief beroep lijkt, dat moet worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd; dat die procedure is uitgelopen op de derde bestreden beslissing, van de rector, om de examencommissie niet opnieuw samen te roepen; dat niet de rector, maar alleen de examencommissie haar beslissing over het al dan niet slagen van verzoekster kan herzien; dat evenwel, nu zij niet opnieuw diende samen te komen met het oog op het nemen van een dergelijke definitieve beslissing, de beslissing van de rector van 21 oktober 2004 de eindbeslissing lijkt te zijn in verzoeksters zaak, en derhalve de beslissing vatbaar voor beroep bij de Raad van State; dat in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat het beroep tegen de bestreden beslissing van de examencommissie van 4 oktober 2004 niet ontvankelijk is; Overwegende dat de onwettigheden die verzoekster deze beslissing van de examencommissie aanwrijft echter wel in aanmerking kunnen worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van de rector; dat de rector bij het gegrond bevinden van een klacht enkel, zoals ook blijkt uit artikel 24 van het examenreglement, de examencommissie kan “uitnodigen tot een nieuwe beraadslaging”; dat de rector als beroepsinstantie enkel de bevoegdheid heeft, zo lijkt, om te beoordelen of er redenen zijn om de examencommissie opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen beslissing te mogen mengen; dat hieruit volgt dat wanneer de examencommissie onwettig heeft gehandeld, zulks voor de rector een reden moest zijn om die examencommissie opnieuw te doen samenkomen; dat de omvang van het door de rector te verlenen rechtsherstel zelfs mede bepaald zal worden door de motieven op grond waarvan de nietigverklaring -of de schorsing- wordt uitgesproken; dat immers een nietigverklaring -of een schorsing- het gevolg kan zijn van een onwettigheid die eigen is aan het handelen van de rector, maar ook het gevolg kan zijn van een onwettigheid die teruggaat op de beslissing van de examencommissie; dat de rector afhankelijk van de met het dictum van de nietigverklaring - casu quo schorsing - verbonden motieven meer of minder beleidsruimte heeft om de examencommissie al dan niet opnieuw samen te roepen om zijn beslissing te heroverwegen; dat in de voorliggende vordering verzoekster overigens geen afzonderlijke middelen aanvoert tegen de beslissing van de rector; dat alle beweerde onregelmatigheden kleven aan de beslissing van de examencommissie; dat indien de Raad op grond van een zodanig middel vaststelt dat de beslissing van de examencommissie onwettig is -thans: onwettig lijkt- , in beginsel ook meteen is vastgesteld dat de examencommissie een nieuwe beslissing diende te nemen; Over de grondvoorwaarden van de vordering XII-4302-5\11 Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat verwerende partij geen verweer voert tegen de terechte vaststelling, gemaakt in het inleidend verzoekschrift door verzoekster, dat het dreigend verlies van een schooljaar volgens de rechtspraak van de Raad in de regel volstaat om deze voorwaarden te rechtvaardigen; dat zij wel, wat de eerste voorwaarde betreft, betwist dat verzoekster zich in de feiten heeft gedragen naar de spoedeisendheid waarop zij zich beroept, door zestien dagen te wachten met het instellen van de vordering; dat verzoekster daarmee volgens haar aantoont dat de vordering eigenlijk niet hoogdringend is en voorts een wanverhouding doet ontstaan tussen de termijn die zij zichzelf heeft voorbehouden om haar vordering te formuleren en de zeer korte termijn die aan de verwerende partij wordt gelaten om haar verdediging voor te brengen; Overwegende dat de toepassing van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid, die de uitoefening van de rechten van verdediging en het onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt, uitzonderlijk moet blijven; dat de toepassing van die procedure alleen kan worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal zijn geworden én op voorwaar- de dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State; dat het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing bijgevolg mede wordt afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering, wat inherent is aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure; dat verzoekster verklaart op 25 oktober 2004 kennis te hebben gekregen van de bestreden beslissing; dat de voorliggende, 10 november 2004 gedateerde vordering pas op 12 november 2004 bij aangetekend schrijven is ingesteld; dat, zelfs rekening houdend met de tussenliggende feestdag, het tijdsverloop op het eerste gezicht vragen doet rijzen of verzoekster na de kennisname van de griefhoudende beslissing wel met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State heeft ingeleid; dat evenwel bij nader toezien moet worden XII-4302-6\11 vastgesteld dat de bestreden beslissing nalaat om, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verzoekster op de hoogte te stellen van het bestaan van de mogelijkheid om tegen deze beslissing beroep in te stellen, met vermelding van de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen; dat voorts verzoekster wél onmiddellijk en overigens niet voor de eerste keer bij verwerende partij heeft moeten vragen naar afschriften van bij de bestreden beslissing horende documenten; dat met die gegevens voor ogen de opgelopen vertraging niet geheel aan haar kan verweten worden; dat gezien de concrete omstandigheden van de zaak, aan de besproken voorwaarden is voldaan; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en de plicht tot zorgvuldigheid; dat zij argumenteert dat haar uitslag voldoet aan de minimumvereiste gesteld bij artikel 17 van het examenreglement, om de examencommissie te verplichten over haar te delibereren, dat het reglement de examencommissie de discretionaire bevoegdheid geeft om haar bij één tekort toch geslaagd te verklaren, dat uit de bestreden beslissing niet duidelijk blijkt om welke reden de examencommis- sie uiteindelijk heeft gekozen om haar niet te laten slagen, dat de “deliberatieaanbeve- lingen” waarnaar wordt verwezen niet werden meegedeeld noch in de beslissing van de examencommissie toegelicht, laat staan getoetst aan haar individuele geval zodat de examencommissie door te verwijzen naar het examenreglement en de deliberatie- aanbevelingen en de cijfers geen eigen redenen heeft ontwikkeld om haar niet geslaagd te verklaren; Overwegende dat verwerende partij repliceert in de nota met opmerkingen, dat elke beslissing uiteraard individueel genomen wordt, dat de deliberatieaanbevelingen waar de beslissing naar verwijst “vuistregels” zijn die “zonder enige bindende kracht te hebben” moeten helpen vermijden dat ten aanzien van studenten van hetzelfde jaar of van verschillende jaren ongewild een verschillende behandeling zou optreden, dat dit “richtsnoer” een “strikt vertrouwelijk document” is waarvan zij zich “trouwens de vraag [stelt] hoe een kopie hiervan in het bezit van verzoekende partij is geraakt”, dat deze aanbevelingen geen a priori beslissing van de examencommissie uitmaken en niet blindelings worden toegepast; dat verwerende partij ten aanzien van het examenreglement antwoordt dat artikel 17.2 enkel voorschrijft dat studenten in de situatie als verzoekster “kunnen” geslaagd worden verklaard, dat zij principieel derhalve niet geslaagd zijn, dat artikel 17.5.
  6. verder bepaalt dat zulke studenten niet zonder stemming niet geslaagd kunnen worden verklaard en dat uit de stukken blijkt dat aan dit voorschrift voldaan is; dat zij voorts XII-4302-7\11 betoogt dat het examenreglement aan een student met een onvoldoende en een algemeen jaartotaal van 50% geenszins een afdwingbaar recht verschaft om geslaagd verklaard te worden, dat de examencommissie zich over elk geval afzonderlijk dient uit te spreken en haar een grote vrijheid is gelaten; dat volgens verwerende partij moet worden vastgesteld “dat de examencommissie, na te hebben vastgesteld dat de quotering van 7/20 voor het vak Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht behouden bleef, na deliberatie een beslissing heeft genomen die in de lijn ligt van de deliberatieaanbevelingen”, verzoekster “behaalde immers geen 12/20 op de meerderheid van haar vakken, en evenmin een gemiddelde van 60%” en in haar geval “waren de overige examenresultaten bijgevolg ruim onvoldoende om een ernstig tekort op één vak terzijde te schuiven”; dat volgens de verwerende partij “de verwijzing naar de deliberatieaanbevelingen er enkel toe strekt de examencommissie de zekerheid te bieden dat gegeven dezelfde omstandigheden, dezelfde beslissingen worden genomen” en, ofschoon zij “inderdaad niet worden meegedeeld, werden de deliberatieaanbevelingen ten aanzien van verzoekende partij wel degelijk getoetst”; Overwegende dat het examenreglement aan verzoekster inderdaad geen afdwingbaar recht verleent om geslaagd te worden verklaard; dat luidens artikel 17.2 immers geslaagd zijn “de studenten die een examencijfer van 10 of meer hebben behaald voor elk opleidingsonderdeel van hun [...] jaarprogramma”, wat voor verzoekster niet het geval is; dat echter niet wordt betwist dat verzoekster, die niet voor alle opleidingsonderdelen een examencijfer van 10 of meer heeft behaald, wel een jaartotaal van ten minste 10 heeft behaald en daarom, op grond van datzelfde artikel 17.2, door de examencommissie toch geslaagd kan worden verklaard; dat verzoekster voorts, nu zij “slechts één examencijfer van minder dan 10 heeft”, “niet zonder stemming ‘niet geslaagd’ [kan] worden verklaard”, aldus het artikel 17.5.
  7. van het examenreglement; dat de examencommissie bijgevolg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om verzoekster al dan niet geslaagd te verklaren; dat haar beslissing wel moet worden gedragen door deugdelijke en toetsbare motieven; Overwegende dat in de voorliggende zaak de examencommissie, op klacht van verzoekster waarbij zij een examencijfer betwist én verklaart niet in te zien waarom zij niet geslaagd kan worden verklaard met één onvoldoende en 57,15 % en waarbij zij vraagt “de redenen te vernemen waarom de examencommissie gekozen heeft voor niet-geslaagd”, op 4 oktober 2004 verzoekster niet-geslaagd verklaart met volgende motivering : “De examencommissie motiveert deze beslissing met verwijzing naar het examenreglement van de Universiteit Antwerpen, rekening houdend met de XII-4302-8\11 deliberatieaanbevelingen zoals die werden vastgelegd door de vergadering van de examencommissie van eerste en tweede licentiaat Rechten van 13 januari 1994, en met het feit dat zij één tekort heeft (7/20) en een gemiddelde van 57,15%”; Overwegende dat in de procedure voor de Raad van State niet langer de onvoldoende wordt betwist, maar wel de aangehaalde motivering voor het niet geslaagd verklaren van verzoekster; Overwegende dat bij examens in beginsel de punten als motivering kunnen volstaan; dat de loutere referentie aan de onvoldoende in de gegeven omstandigheden echter niet afdoende lijkt; dat immers te dezen verzoekster gebruik heeft gemaakt van de haar geboden beroepsprocedure, op basis van een klacht waarin zij met verwijzing naar die ene onvoldoende en naar haar behaalde percentage een nadere motivering verlangt; dat de loutere verwijzing in de beslissing van de examencommissie naar het examenreglement, verzoekster niets meer leert dan hetgeen hiervoor uit het reglement is gememoreerd; dat het niet verduidelijkt waarom zij uiteindelijk niet geslaagd is verklaard; dat het integendeel bevestigt dat over haar geval gedelibereerd moet worden en een geslaagd verklaren niettegenstaande de onvoldoende tot de mogelijkheden behoort; dat zij er uit leert dat er zelfs een stemming vereist is voor haar specifieke geval, hetgeen haar beduidt dat het afwijzen van een student die “slechts” één onvoldoende heeft zeer zeker nog steeds tot de souvereine beoordelingsvrijheid van de examencommissie behoort, maar op het eerste gezicht toch van de andere gevallen te onderscheiden is en een bijzondere afweging vereist; dat verzoekster dan ook als gevolg van haar klacht, van de examencommissie méér mocht verwachten dan een blote herhaling van het examencijfer en een verwijzing naar het reglement; Overwegende dat de mededeling, naast de onvoldoende, van het behaalde totaalcijfer, zonder meer, evenmin een deugdelijk motief lijkt; dat immers verzoekster het percentage in haar klacht zelf heeft gekoppeld aan haar ene onvoldoende om het als onbegrijpelijk te noemen dat zij niet is geslaagd verklaard; dat van haar kant bekeken het jaargemiddelde op het eerste gezicht voldoet: het is meer dan 50% en bijgevolg voldoende om overeenkomstig het examenreglement voor deliberatie en geslaagd verklaren in aanmerking te komen; dat de examencommissie, zo zij gemeend heeft dat dit gemiddelde toch te kort schiet in het licht van andere gegevens van verzoeksters zaak, er niet mee kon volstaan, zo lijkt, om het in de motivering nogmaals te benoemen zonder méér; XII-4302-9\11 Overwegende ten slotte, dat deliberatieaanbevelingen als gedragslijn weliswaar kunnen bijdragen tot een eenvormige toepassing van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de examencommissie beschikt; dat zij evenwel niet het karakter mogen aannemen van een strakke en absoluut bindende regel waardoor de inhoud van de te nemen particuliere beslissing in wezen reeds van tevoren wordt vastgesteld, meer bepaald reeds vóór het onderzoek en de beoordeling van de eigen merites -àlle merites- van elke concrete zaak afzonderlijk; dat, nog daargelaten op het vlak van de formele motiveringsplicht het probleem dat in de voorliggende zaak deze aanbevelingen “strikt vertrouwelijk” zijn en aan verzoekster niet werden meegedeeld, de ontkenning door verwerende partij ter terechtzitting van een blinde toepassing van die vuistregels door de examencommissie niet overtuigt; dat integendeel, als verwerende partij ter terechtzitting insgelijks betoogt dat mee bepalend is voor de beslissing, dat verzoekster niet voor ten minste de helft van de vakken 12/20 en in totaal 60% heeft behaald, de Raad vaststelt dat dit precies volgens de genoemde aanbevelingen tot een niet geslaagd verklaren moet leiden; dat hoe dan ook de loutere vermelding in de beslissing “rekening houdend met de deliberatieaanbevelingen”, zo het inderdaad waar is dat de examencommissie die aanbevelingen niet blindelings heeft toegepast, niet volstaat om zulks aan te tonen; dat het dan een loutere stijlformule is; dat de Raad van State met die enkele referentie in de motivering, niet kan beoordelen of de examencommissie een onderzoek heeft gewijd aan de eigen en particuliere omstandigheden van verzoeksters zaak en zich een eigen oordeel gevormd heeft dat te dien aanzien voldoende verantwoord is; Overwegende dat het middel in de besproken mate ernstig is; dat bijgevolg in de huidige stand van de procedure aangenomen wordt dat de rector, nu de examencommissie op het eerste gezicht het niet slagen van verzoekster niet op zorgvuldige wijze heeft gemotiveerd, niet vermocht vast te stellen “dat de beslissing van de examencommissie afdoende gemotiveerd” is; Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  8. XII-4302-10\11 Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 oktober 2004 van de rector van de Universiteit Antwerpen, waarbij de klacht van Maria-Teresa Ingrosso tegen de beslissing van 4 oktober 2004 van de examencommissie van de eerste licentie rechten ongegrond wordt verklaard. Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig november 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4302-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.642 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.343 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.