id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.643 Rolnummer: A. 105205/VII-23824 Zaak: Arrest 137643 - - 25/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 14:51 Fiche Arrest nr 137.643 van 25 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.643 van 25 november 2004 in de zaak A. 105.205/VII-23.824. In zake : de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY op 28 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 maart 2001 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van 24 augustus 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning voor een termijn van twintig jaar aan de verzoekende partij, om een graanmaalderij, gelegen aan de Tolpoortstraat 40 te Deinze, verder te exploiteren en te veranderen, ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 8 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-23.824-1/17 Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE KETELAERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.1 De verzoekende partij exploiteert een graanmaalderij aan de Tolpoortstraat in Deinze. De inrichting ligt in het centrum van Deinze. Volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde bevindt zij zich in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s, volledig omgeven door woongebied. Het bedrijf is reeds meer dan een eeuw ter plaatse gevestigd. 1.2. Op 30 mei 1986 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een exploitatievergunning voor de verdere exploitatie, voor een termijn van vijftien jaar. 1.3. Op 3 februari 2000 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de hernieuwing en de verandering van de inrichting. Tijdens het openbaar onderzoek worden elf bezwaarschriften ingediend, waaronder één collectief door 49 buurtbewoners. 1.4. Op 24 augustus 2000 verleent de bestendige deputatie de gevraagde milieuvergunning (met uitzondering van één gevraagd lozingspunt voor VII-23.824-2/17 huishoudelijk afvalwater), voor een termijn van twintig jaar. Er worden een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd. 1.5. Tegen deze vergunning wordt administratief beroep aangetekend door de afdeling Milieuvergunningen. In het beroep wordt aangevoerd dat er belangrijke problemen zijn inzake geluidshinder en veiligheid (stofexplosies), dat in de vergunning weliswaar voor beide aspecten saneringsplannen worden opgelegd, maar geen termijnen, en dat bovendien de maatregelen inzake geluid en de maatregelen inzake veiligheid elkaar kunnen tegenwerken. Gevraagd wordt om een vergunning te verlenen voor een termijn op proef van twee jaar. 1.6. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert eerst de vergunning te weigeren, omdat de door de exploitant voorgelegde saneringsplannen inzake veiligheid onaanvaardbaar lange termijnen voorzien om het explosierisico binnen aanvaardbare perken te brengen; de commissie is van oordeel dat dit zou moeten gebeuren voor het verstrijken van de lopende vergunning op 30 mei 2001. 1.7. Met een brief van 31 januari 2001 bezorgt de verzoekende partij een aangepast saneringsplan. 1.8. Op 20 februari 2001 beslist de minister de behandelingstermijn voor het beroep met een maand te verlengen. Aan de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie wordt een herevaluatie gevraagd, gelet onder meer op nieuwe door de exploitant bezorgde stukken. 1.9. Op 19 maart 2001 geeft de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie een nieuw advies, na herevaluatie. Er wordt geadviseerd om strikte termijnen op te leggen voor het plannen en uitvoeren van sanering inzake geluids- hinder en inzake de veiligheid; omwille van die termijnen wordt een proeftermijn overbodig geacht. 1.10. Op 23 maart 2001 wordt de bestreden beslissing genomen: de vergunning voor twintig jaar wordt vervangen door een vergunning op proef, voor een termijn tot 23 augustus 2003. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd met betrekking tot geluidshinder, tot het lozen van afvalwater en tot het hergebruik van regenwater, tot veiligheid, zowel inzake ontploffingsgevaar als inzake voedsel- veiligheid en tot communicatie met de omwonenden. VII-23.824-3/17 Meer specifiek, wat betreft geluidshinder : " - De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen". En voor wat betreft de veiligheid : " - Door een erkend veiligheidsdeskundige wordt een rapport opgesteld waarin gesteld wordt dat het saneringsplan gedateerd 26 januari 2001, om het stofexplosierisico tot een aanvaardbaar niveau te reduceren tegen 30 mei 2001, integraal is uitgevoerd. Dit rapport wordt ten laatste tegen 30 juni 2001 ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling Milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen van AMINAL. - Er mag onder geen beding minerale olie worden toegepast ter verneveling over de granen, alleen hiertoe geschikte plantaardige oliën zijn toegelaten. De exploitant moet ten allen tijde aan de toezichthoudende overheid een beoordeling kunnen voorleggen, uitgevoerd door een onafhankelijke wetenschappelijke instelling, waaruit de onschadelijkheid van de toegepaste methode t.a.v. de voedselveiligheid moet blijken"; 1.11. Op 22 augustus 2002 verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw een definitieve vergunning. Op vordering van een omwonende, Dirk BLOMME, heeft de Raad van State bij arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van deze vergunning. Het annulatiebe- roep, waarvan de voortzetting werd gevraagd, is gekend onder nummer A. 128.222/VII-28.144. De auditeur concludeert tot de vernietiging van het besluit. VII-23.824-4/17 2. Beoordeling 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting verklaart dat zij afstand doet van het eerste middel; 2.2.1. Overwegende dat in het tweede middel een schending wordt aangevoerd van de formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het middel als volgt wordt toegelicht : "Zoals hoger reeds aangehaald, formuleerde de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie op 19 maart 2001 een gunstig advies om de vergunning te verlenen voor een periode van twintig jaar. De Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie is er dus op basis van de bijkomend verstrekte gegevens van overtuigd dat een proeftermijn geenszins vereist of wenselijk is. De bestreden beslissing stelt dienaangaande: 'Overwegende dat ten aanzien van het tweede advies van de Gewestelij- ke Milieuvergunningscommissie (gunstig voor een termijn van 20 jaar), dient gesteld te worden dat een vergunningstermijn van ruim één jaar op proef te verkiezen valt boven een vergunningstermijn van twintig jaar, gelet op de nog heersende geluidsproblematiek en de evaluatie van de genomen veiligheidsmaatregelen; dat een proefvergunning immers de mogelijkheid biedt om snel en adequaat de genomen saneringsmaatregelen te kunnen evalueren en desgevallend bij te sturen'; Deze motivering voor het toch opleggen van een proeftermijn is - om meerdere redenen (hierna toegelicht) - geenszins afdoende en zelfs tegen- strijdig"; dat de verzoekende partij vooreerst een tegenstrijdigheid ziet in de motivering van het opleggen van een proeftermijn voor het saneren van het explosiegevaar : "Vooreerst wordt gesteld dat de proeftermijn onder andere moet dienen om de genomen veiligheidsmaatregelen te evalueren. Dit is dan wel een opmerkelijke tegenspraak, aangezien de bestreden beslissing dienaangaande zelf stelt dat de exploitant heeft aangetoond dat de risico’s voor externe veiligheid veroorzaakt door de exploitatie reeds kunnen worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau tegen de vervaldatum ... van de basisvergunning (op 30 mei 2001) : 'Overwegende dat rekening houdende met bovenstaande feiten en de nieuw toegevoegde documenten nu kan gesteld worden dat de risico's voor de externe veiligheid veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt tegen de vervaldatum van de basisvergunning'; VII-23.824-5/17 De bestreden beslissing spreekt zichzelf dus tegen waar gesteld wordt dat een proeftermijn onder meer moet dienen om de genomen veiligheidsmaatregelen te evalueren"; dat zij verder uiteenzet dat ook de problematiek van de geluidshinder niet het opleggen van een proeftermijn kan verantwoorden : "Vervolgens wordt het opleggen van een proeftermijn ook verantwoord door de 'nog heersende geluidsproblematiek'. Ook dit is geenszins overtuigend. De exploitant heeft aangetoond dat een eerste fase van geluidssanering reeds achter de rug is en dat enkel in een tweede en laatste fase de geluidssanering van het molengebouw nog moet worden aangepakt. De bestreden beslissing legt precies als bijzondere voorwaarde volgende maatregelen op met betrekking tot het geluidsaspect: S uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek, met 'indien nodig' het uitwerken van een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van VLAREM, binnen een termijn van vier maanden na ondertekening van de bestreden beslissing; S de vereiste saneringsmaatregelen worden 'zo snel mogelijk' uitgevoerd S na de uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na de ondertekening van onderhavig besluit een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van VLAREM steeds gerespecteerd worden. Er valt niet in te zien hoe de proefvergunning toelaat snel en adequaat de genomen saneringsmaatregelen te evalueren en desgevallend bij te sturen. De bestreden beslissing geeft ook hier blijk van tegenstrijdigheid. De exploitant moet immers binnen een tijdspanne van één jaar vanaf de datum van de bestreden beslissing twee volledige akoestische onderzoeken uitvoeren en ondertussen alle noodzakelijke saneringsmaatregelen hebben uitgevoerd. Welke saneringsmaatregelen nodig zijn en binnen welke nuttige tijd deze kunnen worden uitgevoerd, kan echter pas blijken na het eerste volledig geactualiseerd akoestisch onderzoek. Het is dan ook niet te begrijpen dat de proefperiode hieromtrent geen enkele garantie biedt. De bestreden beslissing stelt immers dat de eventuele saneringsmaatregelen 'zo snel als mogelijk' dienen te worden uitgevoerd, terwijl uiterlijk één jaar na datum van de bestreden beslissing reeds een tweede volledig akoestisch onderzoek moet worden ingediend waaruit blijkt dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van VLAREM II steeds gerespecteerd worden. De opgelegde proefperiode laat dus geen enkele ruimte voor bijsturing of aanpassing. Integendeel, als verzoekster er gebeurlijk niet in slaagt alle opgelegde maatregelen binnen een tijdspanne van één jaar te realiseren, loopt zij het risico dat haar milieuvergunning om die reden definitief wordt geweigerd. Ook de 'nog heersende geluidsproblematiek', waarvan niet wordt betwist dat deze binnen een aanvaardbare termijn kan worden opgelost, kan geen argument zijn om de vergunning slechts op proef te verlenen. Het is trouwens veeleer aangewezen dat de vergunningverlenende overheid gebeurlijk een beroep zou doen op de mogelijkheden die artikel 45 VLAREM I haar biedt om de in de lopende milieuvergunning opgelegde voorwaarden te wijzigen of aan te vullen. Zij kan dit op elk moment, ambtshalve, op verzoek van de adviesverlenende instanties en op verzoek van elke natuurlijke of rechtsper- soon die ten gevolge van de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden. Een proefvergunning dient immers niet om 'bij te sturen' of 'aan te VII-23.824-6/17 passen', wel om te verwachten - maar nog niet voldoende gekende - risico’s en gevaren voor mens en leefmilieu te kunnen inschatten"; dat zij, wat betreft de duur van de proeftermijn, het volgende stelt : "Tenslotte dient ook vastgesteld dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze uitlegt waarom precies een 'vergunningstermijn van ruim één jaar op proef', meer bepaald één jaar en vijf maanden, wordt toegekend, in plaats van de wettelijk voorziene maximale proeftermijn van twee jaar, zoals trouwens voorgesteld door de beroepsindiener. In werkelijkheid wordt de proeftermijn van één jaar en vijf maanden nog verder uitgehold, aangezien - zoals hiervoor aangehaald - reeds binnen één jaar vanaf de datum van de bestreden beslissing, d.i. tegen 23 maart 2002, de geluidsproblematiek volledig moet opgelost zijn. Ook op dit punt blijkt de beslissing tot het opleggen van een proeftermijn niet afdoende gemotiveerd"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar tegenover stelt: "Men mag (...) niet uit het oog verliezen dat het bestreden besluit dateert van 23 maart 2001, en de verzoekende partij niet meer doet dan beweren dat zij een vermindering van het explosiegevaar kan garanderen op 30 mei 2001. Op het ogenblik dat de verwerende partij haar beslissing nam, kon zij derhalve nog niet stellen dat het explosiegevaar reeds op afdoende wijze was geweken. In die omstandigheden was het dan ook verantwoord een proeftermijn in te lassen, om er zeker van te zijn dat de beloofde veiligheidsmaatregelen ook effectief werden getroffen, en dat daarenboven ook helemaal geen twijfel meer zou bestaan over de efficiëntie van deze maatregelen. De verwerende partij heeft hier ook de ligging van de inrichting in acht genomen, en m.n. de aanwezigheid van een drukke winkelstraat met woon- gelegenheden en zelfs enkele scholen in de onmiddellijke nabijheid. Men mag niet vergeten dat de informatie, en meer bepaald de saneringsver- slagen die door de verzoekende partij worden bijgebracht, eenzijdig zijn, en nog niet voorgelegd ter goedkeuring aan de bevoegde diensten. Het zou dan ook weinig zorgvuldig zijn geweest om, nog vóór de sanering volledig voltooid was, reeds te oordelen dat deze hoe dan ook wel afdoende zou zijn. Als men tenslotte het laatste verslag van 03 juli 2001 van veiligheidsdeskundige DEBEIL naleest, moet vastgesteld worden dat ook daarin nog diverse opmerkingen worden geformuleerd, waarin wordt voorgesteld dat bijkomende testen worden uitgevoerd, en bijkomende veiligheidsmaatregelen worden getroffen. De sanering is m.a.w. nog volop bezig en allesbehalve voltooid. Indien de verwerende partij daarentegen had vastgesteld dat (o.m.) de veiligheidsrisico’s niet konden gereduceerd worden tot een aanvaardbaar niveau tegen de vervaldatum van de basisvergunning, had zij de gevraagde hernieuwing en zeker de gevraagde verandering door uitbreiding zonder meer moeten weigeren. (...) In de voorgaande fasen van de procedure werd systematisch beklemtoond dat er sprake is van een ernstige geluidsproblematiek. Zo werd uit een 'saneringsplan m.b.t. geluid' van februari 1999 afgeleid dat het specifieke geluid van de inrichting de terzake geldende richtwaarden van VLAREM II met zo maar eventjes 18 dB(A) overschrijdt (nachtperiode), hetgeen vanzelfsprekend volstrekt onaanvaardbaar is. VII-23.824-7/17 De verwerende partij erkent, ook in het bestreden besluit, dat de verzoekende partij sindsdien verschillende maatregelen heeft getroffen - waaronder dus ook de realisatie van wat zij de eerste fase noemt -, doch dit neemt niet weg dat er geen geactualiseerd akoestisch onderzoek wordt bijgebracht, ook niet in de meest recente documenten van de verzoekende partij. Daarenboven werpt de verzoekende partij op dat 'enkel nog het molen- gebouw' moet worden aangepakt, zonder dat echter wordt verduidelijkt welke de geluidsimpact is van de activiteiten van die molens. Het staat m.a.w. nog helemaal niet vast dat de geluidshinder effectief kan worden gereduceerd tot een aanvaardbaar niveau, reden waarom overigens een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd (cfr. bijzondere vergunnings- voorwaarden). De verwerende partij heeft dan ook terecht beslist, zonder dat er sprake is van interne tegenstrijdigheid in de motivering, dat een proefperiode uitsluitsel moet bieden over de vraag of de geluidshinder voldoende beperkt blijft. De verweren- de partij heeft zeer terecht gesproken van 'de nog heersende geluidsproblema- tiek', en de verzoekende partij bewijst het tegendeel niet. Ten onrechte wil de verzoekende partij verder doen geloven dat de opgelegde proefperiode geen ruimte zou laten voor bijsturing of aanpassing. Het opgelegde akoestisch onderzoek kan onmiddellijk uitgevoerd worden nu het enkel de thans bestaande toestand moet vastleggen. De verzoekende partij stelt zelf steeds opnieuw dat het probleem van de geluidshinder reeds zo goed als opgelost is, zodat de verwerende partij hiervan is uitgegaan bij haar beoordeling. Dit betekent immers dat er, na kennisname van de stand van zaken via het geactualiseerd akoestisch onderzoek, wellicht slechts nog een aantal ‘kleinere’ maatregelen moeten worden uitgevoerd opdat de inrichting aan de terzake geldende regelgeving zou beantwoorden. Er valt niet in te zien waarom deze (wellicht) beperkte maatregelen niet zouden kunnen uitgevoerd worden op één jaar tijd, waarna dan de conformiteit van de inrichting op het vlak van geluidshinder kan worden bevestigd in een tweede akoestisch onderzoek. Daarenboven is het, gelet op het feit dat er nu reeds jaren geëxploiteerd wordt met ernstige en onaanvaardbare geluidsoverlast voor de omwonenden, noodzakelijk om de termijnen voor het uitvoeren van de saneringsmaatregelen, strikt en zo kort mogelijk te houden. Het is tenslotte uiteraard niet omdat de vergunningverlenende overheid art. 45 VLAREM I kan toepassen, dat een vergunning op proef meteen uit den boze zou zijn. (...) De vergunningverlenende overheid bepaalt zelf voor welke termijn een vergunning op proef wordt verleend. De enige beperking die in art. 18 § 1 Milieuvergunningsdecreet wordt opgelegd, is dat de termijn maximaal 2 jaren mag bedragen (art. 30§4 VLAREM I stelt een minimumtermijn van 6 maanden vast). Daar waar een termijn van 2 jaren slechts een maximumtermijn is, en geen wettelijk opgelegde termijn, hoeft de verwerende partij ook niet expliciet te motiveren waarom zij geen termijn van 2 jaren toestaat. Er mag overigens redelijkerwijze worden aangenomen dat de verzoekende partij zeer goed weet en begrijpt waarom de proefvergunning vervalt op 23.08.2002. De verwerende partij is immers van oordeel dat de bestendige deputatie ten onrechte geen proeftermijn (van 2 jaren) heeft vastgesteld. Had zij dit wel gedaan, zou deze termijn vervallen zijn op 23.08.2002 (2 jaren na datum van het besluit dd. 23.08.2000). Het is niet omdat de verzoekende partij beroep heeft aangetekend, dat zij automatisch recht zou hebben op een volledig nieuwe termijn van 2 jaren, zeker niet nu de overschrijdingen van die aard waren/zijn, dat een spoedig optreden onontbeerlijk is"; VII-23.824-8/17 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord tegenspreekt dat in de bestreden beslissing het opleggen van een proeftermijn zou zijn gemotiveerd door de overweging dat "nog niet kon gesteld worden dat het explosiegevaar op afdoende wijze was geweken, en evenmin op de ligging van de inrichting (nabijheid van woongebied)"; dat zij na herhaling van de relevante passage uit de bestreden beslissing vervolgt : "Precies het feit dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie - na zorgvuldige herevaluatie - op 19 maart 2001 GUNSTIG adviseerde om de vergunning te verlenen voor een periode van twintig jaar, zonder proeftermijn, toont aan dat de adviesverlenende instanties ervan overtuigd waren dat de op te leggen milieuvoorwaarden volstonden om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie meent zonder meer dat op basis van de bijkomend verstrekte gegevens een proeftermijn geenszins vereist of wenselijk is, en er voldoende waarborgen voorhanden zijn dat de opgelegde voorwaarden zullen worden uitgevoerd en nageleefd. Aan dit advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dient men dan ook niet achteloos voor bij te gaan, aangezien de eis tot het opleggen van een proeftermijn precies het voorwerp uitmaakte van het beroep waarover de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie advies uitbracht. Zoals reeds aangehaald, is de opgelegde proefperiode van nauwelijks een jaar en enkele maanden precies van aard elke eventuele bijsturing of aanpassing van de voorwaarden te verhinderen. Indien verzoekster er gebeurlijk niet in slaagt alle opgelegde maatregelen binnen een tijdspanne van één jaar te realiseren, loopt zij het risico dat haar milieuvergunning om die reden definitief wordt geweigerd. (...) Het opleggen van een vergunning op proef in het algemeen is inderdaad ook niet meteen 'uit den boze' zoals verwerende partij opmerkt, doch in casu schiet dit instrument zijn doel voorbij. Een proefvergunning dient immers niet om 'bij te sturen' of 'aan te passen', wel om te verwachten - maar nog niet voldoende gekende - risico’(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.