id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.726 Rolnummer: A. 126900/XIV-11741 Zaak: Arrest 137726 - - 26/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 15:04 Fiche Arrest nr 137.726 van 26 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.726 van 26 november 2004 in de zaak A.126.900/XIV-11.
- In zake : XXX, wonende te B., L.straatje 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 september 1974 en van XXX nationaliteit, op 28 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2001 tot weigering van regularisatie; Gelet op de beschikking van 23 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-11.741-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.-M. HAUSPIE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 3/. 1.
- Op 22 mei 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
- Op 10 juli 2001 heeft de tweede Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...)
- De aanvraag werd tijdig ingediend en de aanvrager bewijst zijn identiteit door middel van zijn identiteitskaart.
- De aanvraag werd ingediend op grond van de artikelen 2, 2/, en 2, 3/, van de regularisatiewet.
- Omtrent artikel 2, 2/ (onmogelijkheid van terugkeer). Betrokkene heeft asiel gevraagd op 4 mei
- Deze aanvraag werd na dringend beroep ontvankelijk verklaard. Aan de hand van de door betrokkene bij zijn aanvraag gevoegde documenten, bijgebracht met toepassing van artikel 9,7/, van de regularisatiewet, en zijn toelichting ter zitting, stelt de Commissie vast dat dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag worden aangevoerd als reeds werden aangewend om de status van vluchteling te bekomen. Luidens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd om een vreemdeling als vluchteling te erkennen. Artikel 57/11 van deze wet bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij uitsluiting van iedere andere instantie bevoegd is de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen. De Commissaris- generaal en de Vaste Beroepscommissie beoordelen de status van vluchteling overeenkomstig het Verdrag van Genève van 28 juli
- De Commissie voor regularisatie is derhalve geen bijkomende asielinstantie. Voor de toepassing van artikel 2, 2/, van de regularisatiewet moeten bijaldien andere motieven kunnen worden aangevoerd dan deze die in het toepassingsveld vallen van voormeld verdrag (cf. het proces-verbaal van de Algemene Vergadering van 11 november 2000: “De criteria voor toekenning van het statuut van geregulariseerde en vluchteling zijn niet dezelfde”). Te dezen is dit niet het geval. Betrokkene verwijst immers naar vakbondsactiviteiten, hetgeen een vervolgingsgrond (“het behoren tot een bepaalde sociale groep”) in de zin van artikel 1, A
(2), van voormeld verdrag kan zijn. XIV-11.741-2/7 Betrokkene voldoet derhalve niet aan de voorwaarden om geregulariseerd te kunnen worden op grond van artikel 2,2/.
- Omtrent artikel 2,3/ (ernstige ziekte). Luidens het advies van 21 maart 2001 van de aangeduide arts om de Commissie bij te staan is betrokkene niet ernstig ziek, dit wil zeggen dat hij niet aan een aandoening lijdt die, zonder behandeling, de dood tot gevolg heeft, zijn levensverwachting inkort, of een ernstige handicap veroorzaakt en/of waarvan de behandeling veelvuldige zorgen en controles vereist en/of een zware therapie. Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden om geregulariseerd te kunnen worden op grond van artikel 2,3/. OM DEZE REDENEN Geeft de 2de Kamer van de Commissie voor Regularisatie aan de Minister van Binnenlandse Zaken een ongunstig advies betreffende de regularisatieaanvraag van XXX. (...)”. 1.
- Op 31 juli 2001heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij dit advies. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het enig middel de schending aanvoert van “de plicht tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals de algemene plicht tot behoorlijk bestuur, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, en in het bijzonder onderzoeks- en motiveringsplicht”, evenals de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 23, 2/, van de Grondwet; dat hij aanvoert dat het advies en de beslissing onvoldoende gemotiveerd zijn omdat het advies van de arts werd gevolgd van 21 maart 2001, zonder rekening te houden met het dossier dat verzoeker heeft ingediend en waaruit blijkt dat verzoeker aan chronische hepatitis C lijdt; dat hij stelt dat een door hem geraadpleegde arts, dr. Vandermeeren, op 4 februari 2002 en 4 juni 2002 een medisch attest heeft opgesteld waarin wordt vermeld dat verzoeker een therapie moet volgen en injecties moet toegediend krijgen; dat verzoeker meent dat de medische en therapeutische mogelijkheden in XXX erg beperkt en duur zijn en dat zijn medische opvolging niet op dezelfde wijze als in België zou kunnen gebeuren; dat hij aanvoert dat artikel 3 van het E.V.R.M. en artikel 23, 2/, van de Grondwet worden geschonden omdat zijn fysieke integriteit wordt aangetast en omdat een fundamenteel recht, met name verzoekers recht op gezondheid en een goede medische verzorging, in het gedrang komt; dat hij stelt dat bij een eventuele negatieve beslissing inzake de asielaanvraag van verzoeker, hij naar XXX teruggestuurd zal worden waar hij in de gevangenis zal belanden en geen medische zorgen zal krijgen; dat hij besluit dat de verwerende partij dan ook een appreciatiefout heeft begaan; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat het door verzoeker aangehaalde medisch attest dd. 4 februari 2002 dateert van na de bestreden beslissing en dat hiermee geen rekening kon worden gehouden bij het nemen XIV-11.741-3/7 van de bestreden beslissing; dat een eventuele latere wijziging in de gezondheidstoestand van verzoeker niet kan worden aangewend als grond tot nietigverklaring van de bestreden beslissing op basis van de schending van de motiveringsplicht; dat verzoeker ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing geen bijkomende medische gegevens heeft meegedeeld; dat verzoeker niet rechtstreeks de schending van artikel 23, 2/ van de Grondwet kan inroepen en dat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; dat wat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft, verzoeker op grond van de bestreden beslissing het land niet dient te verlaten; dat er geen bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven omdat de asielprocedure van verzoeker nog steeds hangende is; dat de bestreden beslissing op zich de fysieke integriteit van verzoeker niet in het gedrang kan brengen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord grotendeels herhaalt wat hij in het middel heeft uiteengezet en er nog eens op wijst dat de door de Commissie voor regularisatie aangeduide arts een inschattingsfout heeft gemaakt; dat deze arts enkel heeft geoordeeld op basis van stukken en verzoeker niet persoonlijk heeft onderzocht; dat verzoeker door de medische attesten die dateren van na de bestreden beslissing, wil aantonen dat zijn aandoening ernstig is en dat dit reeds vroeger had moeten worden opgemerkt door de arts aangesteld door de Commissie; dat zijn fysieke integriteit in het gedrang komt, niet omdat hij met uitwijzing zou zijn bedreigd, maar omdat hem een door het E.V.R.M., door de Grondwet, en door artikel 2, 3/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) gewaarborgd recht wordt ontzegd; 2.1.
- Overwegende dat in het advies van de Commissie voor regularisatie, dat de Minister onderschrijft en als het zijne overneemt, verwezen wordt naar het advies van 21 maart 2001 van de aangeduide arts om de Commissie bij te staan, waarin wordt vermeld dat verzoeker “niet ernstig ziek is, dit wil zeggen dat hij niet aan een aandoening lijdt die, zonder behandeling, de dood tot gevolg heeft, zijn levensverwachting inkort, of een ernstige handicap veroorzaakt en/of waarvan de behandeling veelvuldige zorgen en controles vereist en/of een zware therapie”; dat dit advies werd opgesteld door een onafhankelijke en onpartijdige arts; dat op basis van dit advies op goede gronden kon worden vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om geregulariseerd te worden op basis van artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet; dat verzoeker niet betwist dat de medische attesten van de door hem geraadpleegde arts, dr. Vandermeeren, dateren van 4 februari 2002 en 4 juni 2002; dat de bestreden beslissing dateert van 31 juli 2001 en dat met deze attesten geen rekening kon worden gehouden; dat artikel 2 van de Regularisatiewet bepaalt dat aan de regularisatiecriteria moet zijn voldaan op het ogenblik van de aanvraag; dat het advies, en in navolging de bestreden beslissing, op afdoende en pertinente wijze motiveert waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet; XIV-11.741-4/7 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. en van artikel 23, 2/, van de Grondwet betreft, de bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel inhoudt; dat de verwijzing naar een eventuele negatieve beslissing inzake de asielprocedure van verzoeker hypothetisch en niet ter zake dienend is in het kader van huidig beroep tegen de beslissing tot weigering van regularisatie; dat de bestreden beslissing niet inhoudt dat verzoeker geen recht heeft op medische verzorging; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat verzoeker tijdens zijn verblijf op het Belgisch grondgebied medische zorgen geniet; dat de bestreden beslissing een weigering tot regularisatie inhoudt op grond van artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet omdat verzoeker op het ogenblik van de regularisatieaanvraag niet heeft aangetoond dat hij lijdt aan een aandoening die zonder behandeling de dood tot gevolg heeft, zijn levensverwachting inkort, een ernstige handicap veroorzaakt en/of waarvan de behandeling veelvuldige zorgen en controles vereist en/of zware therapie; Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat hij stelt dat de Minister het advies van de Commissie voor regularisatie overneemt en dat hij een voorlopig verblijf geniet als kandidaat-vluchteling in afwachting van een beslissing over zijn asielaanvraag; dat hij aanvoert dat ongeacht het resultaat van deze aanvraag, hij onmogelijk naar zijn land kan terugkeren, dat hij daar zal worden opgesloten en vervolgd, eventueel ter dood gebracht; dat er geen tolk aanwezig was op deze zitting, zodat de ondervraging weinig heeft opgeleverd; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt omdat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de overwegingen kent die de redenen vormen waarom de Minister de regularisatieaanvraag heeft verworpen; dat de door verzoeker aangebrachte elementen identiek zijn als diegene die hij gebruikte ter staving van zijn nog lopende asielaanvraag; dat voor de regularisatieprocedure andere motieven dienen te worden aangevoerd dan deze die vallen onder het toepassingsgebied van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord daaraan toevoegt dat de tweede kamer van de Commissie voor regularisatie vooruitloopt op de nog te nemen beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen door te stellen dat verzoeker verwijst naar vakbondsactiviteiten, hetgeen een vervolgingsgrond in de zin van de Vluchtelingenconventie kan zijn; 2.2.
- Overwegende dat in het advies van de Commissie voor regularisatie, dat de Minister onderschrijft en als het zijne overneemt, wordt overwogen dat verzoeker om de XIV-11.741-5/7 onmogelijkheid tot terugkeer aan te tonen naar zijn land van herkomst, dezelfde feiten en motieven aanvoert als deze die reeds werden aangewend om de status van vluchteling te bekomen; dat in dit advies tevens wordt uiteengezet dat luidens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), uitsluitend de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd is om een vreemdeling als vluchteling te erkennen, en dat artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bij uitsluiting van iedere andere instantie bevoegd is om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen; dat in dit advies verder wordt overwogen dat “voor de toepassing van artikel 2, 2/ van de Regularisatiewet moeten bijaldien andere motieven kunnen worden aangevoerd dan deze die in het toepassingsgebied vallen van voormeld verdrag. (...) Te dezen is dit niet het geval. Betrokkene verwijst immers naar vakbondsactiviteiten, hetgeen een vervolgingsgrond in de zin van artikel 1, A
(2), van voormeld verdrag kan zijn.”; Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de feiten en motieven die hij ter staving van de onmogelijkheid tot terugkeer aanvoert in de regularisatieprocedure, dezelfde zijn als deze die hij heeft aangevoerd om de status van vluchteling te bekomen; dat artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet tot doel heeft de feiten en motieven die de aanvrager heeft aangevoerd om de status van vluchteling te bekomen, tevens te laten beoordelen door de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de beoordeling van de status van vluchteling door de wetgever is toegewezen aan de in de Vreemdelingenwet bepaalde administratieve overheden en administratief rechtscollege; dat hieruit volgt dat de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van een regularisatieaanvraag op grond van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet, de wettelijke opdracht van de asielinstanties niet mogen overnemen of overdoen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet heeft geschonden door de asielmotieven van verzoeker, aangevoerd naar aanleiding van zijn regularisatieaanvraag en waarvan niet wordt betwist dat ze dezelfde zijn als die ingeroepen in het kader van de asielprocedure, niet in aanmerking te nemen; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet wat het causaal verband is tussen de door hem ingeroepen schending van de motiveringsplicht en het feit dat er geen tolk aanwezig was op “deze zitting” (bedoeld wordt de zitting van 22 mei 2001 van de Commissie voor regularisatie); dat het tweede onderdeel van het enig middel ongegrond is; BESLUIT: Artikel 1. XIV-11.741-6/7 Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.741-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div