id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.728 Rolnummer: A. 157576/IX-4696 Zaak: Arrest 137728 - - 29/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-04 15:04 Fiche Arrest nr 137.728 van 29 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.728 van 29 november
- in de zaak A. 157.576/IX-
- In zake : Etienne EEVERS, die woonplaats kiest bij advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan 168 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Etienne EEVERS op 18 november 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 november 2004 tot toekenning van het H-statuut aan de runderen gehouden op zijn bedrijf te Zonhoven, Blookstraat 12; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 november 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 november 2004, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. WELKENHUYSEN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; IX-4596-1/8 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Bij een controle uitgevoerd op 20 september 2004 op het landbouwbedrijf van verzoeker te Zonhoven, Blookstraat, wordt in de woning onder meer een flacon, waarop de naam ROMPUN vermeld is en dat voor 1/5 vol is (gerepertorieerd onder nr. res/38304/04), in beslag genomen. Het in beslag genomen stuk wordt administratief ter griffie van de correctionele rechtbank te Hasselt neergelegd en het wordt aan de opsporingsambtenaar van het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (hierna: FAVV) overhandigd met het oog op het verrichten van laboratoriumonderzoek betreffende de aanwezigheid van verboden hormonale substanties. 1.
- Uit het laboratoriumverslag (nr RES3197/04) van 7 oktober 2004 blijkt dat het flacon een niet-toegestane stof bevat. Verzoeker wordt op 14 oktober 2004 in kennis gesteld van het proces-verbaal van vaststelling van de aanwezigheid van een niet-toegestane stof in het bij hem gevonden product. Tijdens zijn verhoor drukt hij zijn verbazing uit over de vaststelling en stelt dat het “een oud product is, dat aangewend moet geweest zijn voor het grootvee en dit door veearts X uit Y.” Hij vraagt een tegenonderzoek in een door hem gekozen laboratorium. Het tegenonderzoek bevestigt de eerste laboratoriumanalyse (verslag U-Gent, RO4-0227 van 27 oktober 2004). 1.
- Op 16 november 2004 wordt verzoeker door de inspecteur- dierenarts, aangestelde van het FAVV, gehoord. Verzoeker drukt zijn verwondering uit over het feit dat “mest, melkpoeder en monsters worden verzegeld terwijl flessen medicijnen en spuiten niet worden verzegeld en zo worden meegenomen. Er kan in de tussentijd mee gebeurd zijn wat wilt”. Na het verhoor wordt aan verzoeker medegedeeld dat, wegens de aanwezigheid van verboden stoffen in het onderzochte preparaat en in toepassing van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatrege- len inzake de verhandeling van landbouwhuisdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen IX-4596-2/8 of residu’s daarvan met farmacologische werking, “de 108 identificatiedocumenten, slachthuisvignetten van zijn runderen gehouden te Blookstraat, 12, Zonhoven door het FAVV op zijn kosten gemerkt worden met het H-statuut 01", voor een periode van 52 weken. Van die beslissing wordt thans de schorsing van de tenuitvoer- legging gevraagd.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel betoogt dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig tot stand gekomen is; dat hij dit middel (eerste onderdeel) adstrueert vanuit de vaststelling dat naar zijn oordeel het flacon dat in zijn woning aangetroffen is niet rechtsgeldig in beslag genomen is -met name zou de regeling vervat in artikel 38 en volgende van het Wetboek van Strafvordering daarbij miskend zijn- waar hij dan tegenover stelt dat het beproevingsverslag alleen maar “een standaardformulering” bevat aangaande de verzegeling van het door het laboratorium aangeboden monster -het geeft volgens hem “de aard van de verzege- ling (niet) weer”- en dat hij in ieder geval betwist dat er op zijn bedrijf producten in beslag genomen zijn die correct verzegeld waren en dat het aangetroffen verboden product van zijn bedrijf afkomstig is; dat hij in het kader van het middel er ook op wijst (tweede onderdeel) dat “de handelwijze van verweerder getuigt van onbehoor- lijk bestuur en machtsoverschrijding” en (derde onderdeel) dat zijn “rechten van verdediging duidelijk geschonden zijn”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: artikel 38 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in beslag genomen goederen worden gesloten en verzegeld dan wel in een zak geborgen die verzegeld wordt, maar in werkelijkheid is er te dezen niet overgegaan tot een echte “inbeslag- name ter plaatse” maar tot “een meename voor verder onderzoek, inbeslagname ten burele, inventarisatie en neerlegging ter griffie, waarvan dan een afzonderlijk PV wordt opgemaakt”; te dezen blijkt uit het proces-verbaal van 20 september 2004 dat IX-4596-3/8 voor het bewuste flacon die handelwijze gevolgd is; overigens zijn volgens het Hof van Cassatie (Cass. 14 januari 1952) de pleegvormen op het vlak van de inbeslag- name niet op straffe van nietigheid voorgeschreven; in ieder geval is het bewuste flacon wel degelijk ingepakt in aanwezigheid van verzoeker en zijn echtgenote, is krachtens de “bijzondere strafwet” die de wet van 15 juli 1985 is, de bevoegde ambtenaar bevoegd om monsters te nemen op een wijze die aan geen voorwaarden gebonden is (Cass. 12 maart 1996), en zou verzoeker het tegenbewijs moeten leveren van het feit dat het flacon niet op zijn bedrijf in aanwezigheid van hemzelf en van zijn echtgenote meegenomen is; dat hij ten aanzien van het tweede en het derde onderdeel van het middel betoogt dat het bestuur niet onbehoorlijk gehandeld heeft of geen machtsoverschrijding begaan heeft en dat de rechten van verzoeker gerespecteerd zijn, aangezien hij een tegenanalyse heeft gekregen; 3.3.
- Overwegende dat de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking, in artikel 6 bepaalt dat de bevoegde ambtenaren monsters mogen nemen, al dan niet in aanwezigheid van de eigenaar of houder van de dieren en dat zij die monsters door een erkend laboratorium mogen laten ontleden; dat artikel 7 de Koning de bevoegdheid heeft verleend om de wijze van monsterne- ming te bepalen, maar dat die bepaling nog geen uitvoering gekregen heeft; dat anderzijds artikel 38 en 39 van het Wetboek van Strafvordering de te volgen handelwijze bepaalt in geval van inbeslagname van voorwerpen; dat het voor de onderhavige zaak van wezenlijk belang is dat die bepalingen voorschrijven dat de voorwerpen verzegeld worden en dat de betrokkene of zijn gemachtigde bij de inbeslagname aanwezig is om ze te herkennen; 3.3.
- Overwegende dat blijkens het proces-verbaal van de in de woning van verzoeker gehouden huiszoeking (PV nr. 6083 van 20 september 2004), uitgevoerd door leden van het FAVV in samenwerking met de gerechtelijke dienst Hasselt van de federale politie, blijkt dat er in de woning “enkele producten worden aangetroffen evenals vier lege injectiespuiten” waarvan de dierenarts van het FAVV van oordeel is dat zij “voor nader onderzoek dienen meegenomen en in beslag genomen te worden”; dat blijkens de verklaring van de echtgenote van verzoeker, gevoegd bij het proces-verbaal van inbeslagname, het gaat om vier spuiten en vijf verdachte producten; dat blijkens dat proces-verbaal van inbeslagname (nr. 6095/04 van 20 september 2004) deze verdachte producten, waaronder een “flacon ROMPUN, 1/5 vol - 25 ml”, “administratief neergelegd zijn ter griffie van de IX-4596-4/8 correctionele rechtbank te Hasselt, waar ze gekend zijn als overtuigingsstuk 2994/04" en dat ze “na de neerlegging overgedragen zijn aan Mevr. VAN DEN BROECK [de bevoegde ambtenaar van het FAVV] die er de nodige bestemming zal aan geven voor laboratorisch onderzoek (onderzoek op aanwezigheid van hormonale substanties)”; dat het beproevingsverslag nr. RES3197/04 van 7 oktober 2004 van het Federaal laboratorium voor de voedselveiligheid vermeldt : “- datum monstername: 20/09/04 - datum ontvangst: 20/09/04 - datum verslag: 7/10/04 - aard verpakking: plastiek zak - aard verzegeling: monsters ontvangen in ongeschonden staat met intacte verzegeling”; 3.3.
- Overwegende dat de uitvoerende macht de wijze waarop de monsterneming in het kader van de controle op de wet van 15 juli 1985 dient te gebeuren, niet nader bepaald heeft; dat, zo in dat geval de bewijsregels van het gemeen recht aan de orde komen (Cass. 15 september 1992, nr. 5913), in de huidige stand van de rechtspleging vastgesteld wordt dat er inderdaad geen formeel bewijs bestaat van de verzegeling, in aanwezigheid van verzoeker of zijn gemachtigde, van het flacon ROMPUN 25 ml. 1/5 vol, maar dat daar tegenover uit het dossier wel duidelijk blijkt dat de echtgenote van verzoeker aanwezig was bij de inbeslagname van het bewuste flacon, dat alle in beslag genomen voorwerpen als één enkel overtuigingsstuk ter griffie ingeschreven zijn en dat het bevoegde laboratorium op de dag zelf van de inbeslagname “in een plastiek zak (...) de monsters ontvangen (heeft) in ongeschonden staat met intacte verzegeling”; dat verzoeker de bewijswaarde van de laatstvermelde vaststelling wel poogt te verminderen door ze te bestempelen als “een standaardformule”, maar dat zulks geenszins uit het verslag blijkt; dat de enkele omstandigheid dat geen formeel bewijs wordt voorgelegd van het feit dat de in beslag genomen voorwerpen verzegeld zijn in de aanwezigheid van verzoeker of zijn gemachtigde, op zich het vermoeden niet wettigt dat iemand het product in het bewuste flacon zou gemanipuleerd hebben; 3.3.
- Overwegende dat de voorliggende bewijsgegevens volstaan om thans, in het kader van de vraag of de verwerende partij zich voor het treffen van de administratieve maatregel die hier bestreden wordt -een maatregel die de bescherming van de volksgezondheid beoogt, die losstaat van de strafvordering en die slechts nut heeft indien hij spoedig effect kan hebben- rechtsgeldig kon steunen op een laboratoriumonderzoek van producten die mogelijk niet in beslag genomen waren IX-4596-5/8 met inachtneming van de formaliteiten vermeld in artikel 38 en 39 van het Wetboek van Strafvordering, te besluiten dat in dit geval een procedure is gevolgd die aan verzoeker de nodige waarborgen bood om manipulatie van het in zijn woning gevonden product te beletten; 3.3.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift niet uiteenzet op welke wijze hij zijn rechten van verdediging geschonden acht of op welke wijze de verwerende partij machtsoverschrijding gepleegd zou hebben; dat, in de mate hij met de schending van zijn rechten van verdediging verwijst naar het gebrek aan bewijs van de correcte verzegeling van het bewuste flacon, uit de hierboven gegeven uiteenzetting volgt dat een mogelijke tekortkoming van de verbaliserende ambtenaren de rechten van verzoeker niet in het gedrang heeft gebracht; dat, in de mate dat uit de debatten ter terechtzitting opgemaakt zou moeten worden dat verzoeker niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt over de geplande maatregel ter kennis van het bestuur te brengen, opgemerkt kan worden dat de verwerende partij blijkens de tekst van artikel 4, §1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 ten aanzien van het merken van een beslag een gebonden bevoegdheid heeft en dat verzoeker op 16 november 2004 de mogelijkheid heeft gehad om zijn visie op de feiten naar voren te brengen en dat hij te dier gelegenheid ook daadwerkelijk zijn visie over de problematiek van de verzegeling van de monsters uiteengezet heeft; 3.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is doordat de verwerende partij enkel het bezit van een niet-toegestane stof aantoont maar dat zij daarbij niet bewijst dat die stof aangewend is voor enige illegale behandeling, doordat er niet vermeld wordt hoeveel van de verboden stof in het flacon, dat reeds oud was, aangetroffen is en doordat er nooit geantwoord is op zijn brief van 28 oktober 2004 waarin hij het bestuur in kennis had gesteld van de schending van de regels betreffende de inbeslagname en van het feit dat in de dieren zelf geen verboden producten werden aangetroffen; IX-4596-6/8 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat artikel 4, § 1, een beslissing als de bestredene mogelijk maakt van zodra er stoffen worden aangetroffen bij een controle op de bedrijven en dat de ouderdom van het flacon niet van aard kan zijn om de merking niet te verrichten, terwijl het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar de analyseresultaten van de bij verzoeker aangetroffen stof en er ook wordt vermeld dat de aanwezigheid van deze stoffen aanleiding gegeven heeft tot een enquête; 4.3.
- Overwegende dat artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouw- dieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking luidt als volgt : “Wanneer de aanwezigheid van een niet-toegestane stof (...) wordt aang- etoond door de bevoegde diensten door een analyse van monsters die bij een controle op de bedrijven (...) genomen werden, gaat de Dienst over tot een enquête in het beslag van herkomst om de oorzaak van de aanwezigheid van de niet-toegestane stof (....) te bepalen en tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag of van de identificatiedocumenten van deze dieren”; 4.3.
- Overwegende dat deze bepaling duidelijk aangeeft dat de merking ook gebeurt wanneer op de bedrijven een niet-toegelaten stof wordt aangetroffen, zonder dat die stof ook daadwerkelijk in een dier moet aangetroffen zijn; dat de tekst ook niet vereist dat er een bepaalde hoeveelheid van een verboden stof aangetroffen moet worden; dat voor het overige niet wordt ingezien wat de omstandigheid dat de stof gevonden is in een “oud” flacon aan de inbreuk verandert en dat het bestreden besluit ook niet onregelmatig is omdat er niet formeel in wordt geantwoord op de grieven die verzoeker in zijn brief van 28 oktober 2004 ter kennis van het bestuur had gebracht, aangezien een orgaan van actief bestuur er in het kader van de op haar rustende motiveringsverplichting mee kan volstaan de motieven te vermelden die het tot zijn beslissing heeft gebracht, wat te dezen het geval is met de verwijzing naar het koninklijk besluit van 8 september 1997, naar de gevoerde enquête -het verhoor van verzoeker en van de verschillende dierenartsen die volgens verzoeker het flacon bij hem kunnen hebben afgeleverd- en naar de analyseresultaten van de bij verzoeker aangetroffen stof; Overwegende dat ook het tweede middel niet ernstig is; IX-4596-7/8
- Overwegende dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert; dat de vordering verworpen wordt omdat niet voldaan is aan een van de grondvoor- waarden om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4596-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.728 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.