← België

Arrest 137729 - - 29/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.729 Rolnummer: A. 58250/IX-504 Zaak: Arrest 137729 - - 29/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 15:05 Fiche Arrest nr 137.729 van 29 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.729 van 29 november 2004 in de zaak A. 58.250/IX-

  1. In zake : Joseph VAN HAVER (overleden) , Rechtsgeding hervat door : Sophie URBANIAK, wonende te ZAVENTEM, Schemeringsweg 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph VAN HAVER op 20 mei 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 maart 1994 van de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen waarbij zijn bezwaarschriften van 16 en 30 augustus 1993 in verband met de toekenning van de betrekking van adjunct-directeur worden afgewezen en om een schadevergoeding te vorderen “voor het verlies aan wedden” over de periode van 1 september 1993 tot 28 februari 1995; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 10 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-504-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gezien uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker op 8 december 2003 overleden is; dat zijn echtgenote, Sophie URBANIAK, bij verzoekschrift van 28 september 2004 het geding heeft hervat; Gelet op de beschikking van 9 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De oorspronkelijke verzoeker was comptabiliteitsinspecteur bij de administratie der directe belastingen te Elsene. Bij dienstorder nr. 12/1993 van 28 juni 1993 worden verscheidene betrekkingen van adjunct-directeur (sector invordering) in competitie gesteld met het oog op een mutatie of een bevordering. Verzoeker stelt op 15 juli 1993 zijn kandidatuur voor de vacante betrekkingen van adjunct-directeur te Brussel-district A, Brussel-district B en Leuven-district Leuven. IX-504-2/6 1.
  4. Op 12 augustus 1993 worden de benoemingsvoorstellen van het college van dienstchefs meegedeeld aan de kandidaten. Verzoeker wordt niet voorgesteld en dient op 16 augustus 1993 een bezwaarschrift in. 1.
  5. Het college van dienstchefs hoort verzoeker in zijn vergadering van 24 augustus 1993, onderzoekt het bezwaarschrift en wijst het af als ongegrond. 1.
  6. Op 26 augustus 1993 wordt aan de kandidaten meegedeeld dat de notificatie van 12 augustus 1993 vernietigd en vervangen wordt door nieuwe benoemingsvoorstellen van het college van dienstchefs. Verzoeker wordt opnieuw niet voorgesteld en dient op 30 augustus 1993 een nieuw bezwaarschrift in. 1.
  7. Het college van dienstchefs hoort verzoeker in zijn vergadering van 14 september 1993, onderzoekt het bezwaarschrift en wijst het opnieuw af als ongegrond. 1.
  8. Bij koninklijk besluit van 18 februari 1994 worden de door het college van dienstchefs voorgedragen kandidaten Raphaël DE WULF, Octaaf VAN HOEFS en Antoon POLLAERT op 1 september 1993 benoemd tot adjunct- directeur invordering respectievelijk te Brussel-district B, te Brussel-district A en te Leuven-district Leuven. 1.
  9. Op 25 maart 1994 deelt de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen aan verzoeker mee dat het college van dienstchefs van oordeel is dat hij, wat geschiktheid, kennis en verdiensten betreft, voorbijgegaan wordt door de na hem gerangschikte sollicitanten en dat zijn bezwaarschrift als ongegrond wordt afgewezen. IX-504-3/6
  10. Over de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van 25 maart 1994 van de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen. 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de beslissing van 25 maart 1994 van de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen slechts de kennisgeving is van het advies van het college van dienstchefs, welk advies een voorbereidende handeling is die voor de benoemende overheid niet bindend is; 2.
  12. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat hij niet in kennis is gesteld van het koninklijk besluit van 18 februari 1994 waarbij Raphaël DE WULF, Octaaf VAN HOEFS en Antoon POLLAERT op 1 september 1993 benoemd zijn tot adjunct-directeur; dat hem bij brief van 25 maart 1994 van de directeur-generaal der directe belastingen slechts is meegedeeld dat zijn bezwaar- schrift als ongegrond werd afgewezen zonder dat gewag is gemaakt van voornoemd koninklijk besluit; dat hij derhalve onmogelijk in zijn verzoekschrift de nietigverkla- ring kon vorderen van een koninklijk besluit waarvan hij het bestaan niet kende; 2.3.
  13. Overwegende dat de beslissing van 25 maart 1994 van de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen de kennisgeving inhoudt van het niet-bindend advies dat het college van dienstchefs in het kader van de benoemingsprocedure heeft uitgebracht, zodat deze beslissing een voorbereidende handeling ter kennis brengt die niet vatbaar is voor nietigverklaring; 2.3.
  14. Overwegende dat verzoeker de nietigverklaring nastreeft van de beslissing waarbij hij niet wordt benoemd tot adjunct-directeur, beslissing die vervat is in het koninklijk besluit van 18 februari 1994 waarbij Raphaël DE WULF, Octaaf VAN HOEFS en Antoon POLLAERT op 1 september 1993 tot adjunct-directeur benoemd zijn; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord toegeeft dat het koninklijk besluit van 18 februari 1994 op datum van indiening van haar memorie van antwoord -19 september 1994- nog niet gepubliceerd was in het Belgisch IX-504-4/6 Staatsblad; dat zij niet aantoont, noch beweert dat voornoemd koninklijk besluit betekend is aan verzoeker of dat hij er kennis van had; 2.3.
  15. Overwegende dat verzoeker op 27 oktober 1994 bericht heeft gekregen dat het administratief dossier ter inzage ligt op de griffie, waar hij kennis kon nemen van het koninklijk besluit van 18 februari 1994; dat verzoeker geen annulatieberoep heeft ingesteld tegen voornoemd koninklijk besluit, noch in zijn memorie van wederantwoord verzocht heeft om de uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep; dat het koninklijk besluit van 18 februari 1994 waarbij Raphaël DE WULF, Octaaf VAN HOEFS en Antoon POLLAERT op 1 september 1993 benoemd worden tot adjunct-directeur definitief is geworden; dat verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep zodat het als niet ontvankelijk moet worden afgewezen;
  16. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding. 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat verzoeker zijn vordering tot toekenning van een schade- vergoeding klaarblijkelijk steunt op een fout van de overheid; dat op grond van artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet de geschillen over burgerlijke rechten, waaronder het recht op schadeloosstelling wegens foutief gedrag van de overheid, bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoren; 3.
  18. Overwegende dat artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de afdeling administratie bevoegd is om een herstel- vergoeding toe te staan “als geen ander rechtscollege bevoegd is”; dat de verwerende partij terecht aanvoert dat krachtens artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet uitsluitend de rechtbanken bevoegd zijn om te oordelen over een eis tot schade- vergoeding wegens foutief handelen van de overheid; dat de Raad van State ter zake onbevoegd is, BESLUIT: IX-504-5/6 Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de nalatenschap van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-504-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.729 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.