← België

Arrest 137730 - - 29/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.730 Rolnummer: A. 153855/IX-4583 Zaak: Arrest 137730 - - 29/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 15:05 Fiche Arrest nr 137.730 van 29 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.730 van 29 november 2004 in de zaak A. 153.855/IX-

  1. In zake : Eric VAES, die woonplaats kiest bij advocaat L. GEUKENS, kantoor houdende te TONGEREN, Moerenstraat 1 tegen : de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die woonplaats kiest bij advocaten Chr. RONSE en W. TIMMERMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric VAES op 17 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 19 mei 2004 door de leden van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, bevoegd voor de bijstand aan personen, waarbij de erkenning als rusthuis van de Residentie Branly, Branlystraat 6 te 1190 Brussel, wordt ingetrokken; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2004; IX-4583-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat W. TIMMERMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 20 februari 1992 betreffende inrichtingen die bejaarden huisvesten wordt elke in artikel 3 bedoelde inrichting na advies van de afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Adviesraad voor gezondheids- en welzijnszorg, erkend door het Verenigd College. Daartoe moet de inrichting beantwoorden aan de normen vastgesteld door het Verenigd College na advies van de voornoemde afdeling. De erkenning geldt voor een periode van zes jaar. Wanneer wordt vastgesteld dat de normen niet of niet meer worden nageleefd, wordt de erkenning geweigerd of ingetrokken, na advies van de voornoemde afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Adviesraad voor gezondheids- en welzijnszorg (artikel 7); de inrichting kan dan ook gesloten worden (artikel 8), opnieuw na advies van de voornoemde afdeling. De beheerder die een inrichting exploiteert zonder ofwel de voornoemde erkenning of voorlopige werkingsvergunning te hebben verkregen of in overtreding van een beslissing tot weigering of intrekking van een erkenning of een beslissing tot sluiting is strafbaar (artikel 14, § 1, 1/). 1.
  5. Het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen, stelt deze normen vast. Zij betreffen onder meer ook de directeur, in artikel 2, 5/, van de ordonnantie gedefinieerd als de natuurlijke persoon, die door de beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de in artikel 3 bedoelde inrichting IX-4583-2/8 en met de vertegenwoordiging van deze inrichting tegenover de administratie, en de beheerder, dit is de rechts- of natuurlijke persoon of personen die de inrichting exploiteren (artikel 2, 4/). 1.
  6. Het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 7 oktober 1993 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsvergunning, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning en de sluiting van de inrichtingen die bejaarden huisvesten, regelt verder de procedure. Aldus is bepaald dat tegen een voorstel tot weigering of intrekking van de erkenning, binnen vijftien dagen vanaf de dag van de kennisgeving, een verweerschrift kan worden ingediend bij de voornoemde afdeling die binnen zestig dagen na mededeling van het voorstel een advies meedeelt aan de bevoegde ministers (artikelen 12 - 14). Tenzij beroep is ingesteld door de beheerder, heeft de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning de sluiting van de inrichting tot gevolg (artikel 15). 1.
  7. Met een besluit van 8 mei 2000, gericht aan de NV MEPRIM, Residentie Branly, ter attentie van de heer VAES, Branlystraat 6 te 1190 Brussel, wordt aan de NV MEPRIM een erkenning verleend voor de uitbating van een rusthuis voor 55 bejaarden, onder de naam Branly, gelegen te 1190 Vorst, Branlystraat 6, en dit voor een periode van 1 oktober 1998 tot 30 september
  8. Verzoeker was steeds bestuurder van deze vennootschap en directeur van het rusthuis. 1.
  9. Blijkbaar gaat dit rusthuis begin 2004 vrijwillig over tot een voorlopige sluiting met het oog op de verhuis naar een ander adres en zijn, volgens de nota van de verwerende partij, op 30 januari 2004 alle bejaarden uit het rusthuis vertrokken. In de ter zake opgestelde verslagen over de inspecties op 12 januari 2004, 16 januari 2004, 23 januari 2004 en 29 en 30 januari 2004 en in een verslag van 13 februari 2004 over daarna telefonisch gemelde problemen met de verhuizing van de bejaarden worden verscheidene moeilijkheden en incidenten vermeld die zich tijdens de sluiting voordeden. In het verslag over de inspecties van 29 en 30 januari 2004, blijkbaar wat later opgesteld aangezien ook verwezen wordt naar feiten daterend van begin februari, wordt een overzicht gegeven van die feiten. IX-4583-3/8 1.
  10. In een brief van 16 maart 2004 aan Residentie Branly, ter attentie van verzoeker, delen de bevoegde leden van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad een voornemen tot intrekking van de erkenning mee omdat uit de door de afgevaardigden van de administratie opgestelde verslagen blijkt dat “u als beheerder en directeur van het rustoord, ernstige overtredingen heeft begaan ten aanzien van de bepalingen van de ordonnantie van 20 februari 1992 betreffende inrichtingen die bejaarden huisvesten en van het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen” en dat meer bepaald werd vastgesteld, ondanks het verwittigen van de administratie in haar brieven van 5 mei 2003, 1 oktober 2003, 29 oktober 2003, 15 januari 2004 en 26 januari 2004, dat de voorlopige sluiting zeer slecht verliep en de administratie niet binnen de gestelde termijn verwittigd werd, waarna een aantal concrete feiten worden opgesomd. Er wordt geconcludeerd : “Wij stellen derhalve uw onvermogen vast om op een juiste manier het beheer van het rustoord waar te nemen en dat in deze omstandigheden voor de veiligheid en het welzijn van de bewoners wordt gevreesd”. In fine wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen vijftien dagen een verweerschrift in te dienen en wordt aangekondigd dat het dossier, na die termijn, voor advies zal worden voorgelegd aan de afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Adviesraad voor gezondheids- en welzijnszorg, zelfs als geen verweerschrift bij het bestuur is aangekomen. 1.
  11. Hierop wordt geen verweerschrift ingediend. Op 15 april 2004 brengt de voornoemde afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Adviesraad voor gezondheids- en welzijnszorg een gunstig advies uit over het voornemen tot intrekking van de erkenning, omdat de sluiting niet goed verliep en de administratie niet binnen de wettelijke termijnen over de sluiting werd ingelicht, omdat de beheerder in december 2003 aan al de bewoners dezelfde financiële voorwaarden garandeerde in de nieuwe lokalen, terwijl er dan nog geen toelating tot opening daarvan was, omdat einde januari 2004, bij de sluiting van het rusthuis, dringend een oplossing gevonden moest worden voor de opvang van de bewoners wijl geen der documenten voor de voorlopige werkingsvergunning van de Residentie Parnasse waren bezorgd, omdat de bewoners en hun familie niet werden ingelicht over de specifieke verblijfsvoorwaarden in een serviceresidentie en omdat op de dag van de verhuis meerdere families werden geïnformeerd over de gunstige financiële voorwaarden in de Residentie Josephine terwijl die inrichting nog niet erkend was. IX-4583-4/8 1.
  12. Bij besluit van 19 mei 2004 trekken de bevoegde leden van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel- Hoofdstad de erkenning van de Residentie Branly in. Dat is de bestreden beslissing die blijkbaar werd meegedeeld aan de Residentie Branly, ter attentie van verzoeker. De motivering bestaat uit een aanhaling van de termen van het sub 1.
  13. aangehaalde advies. 1.
  14. In een brief van 30 juni 2004 aan een VZW Josephine, die blijkbaar een aanvraag tot voorlopige werkingsvergunning als serviceresidentie indiende, deelt het bestuur onder meer mee dat verzoeker wordt vermeld als directeur van de serviceresidentie terwijl hij die functie niet meer mag uitoefenen volgens artikel 108, tweede lid, van het besluit van 14 maart
  15. Overwegende dat de verwerende partij twee excepties formuleert, één inzake de bevoegdheid en de andere inzake het belang; dat over die excepties enkel uitspraak zou moeten worden gedaan indien de voorwaarden voor de schorsing vervuld zijn wat, zoals hierna blijkt, niet het geval is;
  16. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  17. Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en machtsafwending; dat hij wat de motiveringsplicht betreft stelt dat de vrijwillige sluiting wel degelijk goed verliep en binnen de voorgeschreven termijnen : ongeacht of de toestemming tot opening reeds verkregen was kon toch reeds meegedeeld worden welke de financiële implicaties zouden zijn van de verhuis naar de geplande nieuwe lokalen, de bewoners en familie waren wel ingelicht over de bijzondere voorwaarden van een serviceresidentie; dat hij voorts betoogt dat het de verwerende partij niet te doen was om een intrekking van de erkenning van de instelling Branly -die toch overging tot vrijwillige sluiting- maar wel om verzoeker persoonlijk te treffen teneinde, middels de intrekking van een erkenning van de instelling die vrijwillig sloot, verzoeker verbod op te leggen op te treden als directeur van een serviceresidentie, wat een duidelijk geval van machtsafwending uitmaakt; IX-4583-5/8 4.2.
  18. Overwegende dat het bestreden besluit vooreerst verwijst naar de toepasselijke reglementering, vervolgens naar het met redenen omklede voornemen tot intrekking van de erkenning en ten slotte naar het gunstig advies van de afdeling instellingen en diensten voor bejaarden, steunend op de onder 1.
  19. hiervoor vermelde redenen welke in het besluit zelf hernomen worden, te weten : “- de vrijwillige sluiting van de instelling verliep niet goed en de administratie werd over deze sluiting niet ingelicht binnen de wettelijk voorgeschreven termijn; - in december 2003 richtte de beheerder een schrijven aan alle bewoners waarin hij hun beloofde dat ze dezelfde financiële voordelen zouden genieten in de nieuwe lokalen, en dit hoewel hij toen nog geen toestemming tot opening had gekregen; - op het ogenblik van de sluiting van het rusthuis, eind januari 2004, heeft men in allerijl naar een oplossing moeten zoeken om de bewoners te kunnen huisvesten, vermits alle documenten die vereist waren voor de voorlopige werkingsvergunning van de residentie ‘Parnasse’ niet verstuurd waren; - de bewoners en hun familie werden niet ingelicht over de bijzondere opvangvoorwaarden van een serviceresidentie; - op de verhuisdatum werden sommige families ingelicht over de gunstige financiële voorwaarden van de residentie ‘Josephine’, en dit hoewel deze instelling nog niet erkend was”; dat het bestreden besluit concludeert dat de veiligheid en het welzijn de basis vormen van de reglementaire normen toepasselijk op bejaardeninrichtingen en dat de erkenning bijgevolg dient te worden ingetrokken; 4.2.
  20. Overwegende dat door te stellen dat de vrijwillige sluiting wel goed verliep, dat ongeacht de toestemming tot opening reeds werd verkregen men toch reeds kon meedelen welke de financiële implicaties zijn van de verhuis naar nieuwe geplande lokalen en dat bewoners en familie wel ingelicht waren over de bijzondere voorwaarden van een serviceresidentie, verzoeker in feite de juistheid van die motieven betwist en hij aldus de schending van de materiële, niet zozeer van de formele motiveringsplicht aanvoert; dat met de verwerende partij voorts dient te worden vastgesteld dat de motieven waarop de beslissing steunt uitdrukkelijk zijn geformuleerd en steunen op inspectieverslagen in het dossier; dat louter de bewering dat de vrijwillige sluiting wel goed verliep en dat de bewoners en familie wel werden ingelicht over de bijzondere voorwaarden van een serviceresidentie, niet volstaat om de tegengestelde vaststelling en conclusie in de bestreden beslissing, steunend op inspectieverslagen, teniet te doen; dat het middel in zoverre gesteund op de schending van de motiveringsplicht niet ernstig is; IX-4583-6/8 4.2.
  21. Overwegende dat wat betreft de betichting van machtsafwending, doordat het de verwerende partij in werkelijkheid te doen zou zijn geweest om verzoeker persoonlijk te treffen, in deze stand van het geding niet kan worden aangenomen dat de machtsafwending aangetoond is enkel omdat de intrekking van de erkenning krachtens artikel 108, tweede lid, van het besluit van 14 maart 1996 ook gevolgen zou kunnen hebben voor verzoeker wanneer hij aangezien wordt als beheerder en een andere inrichting wil openen of overnemen; dat verzoeker geenszins aantoont dat de bestreden beslissing enkel tot doel zou hebben dat gevolg te veroorzaken; dat integendeel uitdrukkelijk verwezen wordt naar de doelstelling de veiligheid en het welzijn van de bejaarden te verzekeren; dat ook niet aangenomen kan worden dat de intrekking wegens de vrijwillige sluiting geen zin meer zou hebben, aangezien anders de erkenning zou blijven bestaan tot 30 september 2004 en volgens de verwerende partij gebruikt zou kunnen worden voor een heropstart; dat blijkens het dossier verzoeker trouwens zelf vroeg dat ook na de vrijwillige sluiting de erkende bedden tijdelijk nog behouden zouden mogen worden; dat ook dit aspect van het middel niet ernstig is;
  22. Overwegende dat de vaststelling dat aan een der voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  23. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4583-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4583-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.730 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.