← België

Arrest 137778 - - 30/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.778 Rolnummer: A. 148572/XII-4089 Zaak: Arrest 137778 - - 30/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 15:11 Fiche Arrest nr 137.778 van 30 november 2004 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.778 van 30 november 2004 in de zaak A. 148.572/XII-

  1. In zake : de VZW DE HOGE NOOT, die woonplaats kiest bij advocaat S. Vernaillen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 33 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. tussenkomende partij : de VZW SOCIO-CULTURELE ORGANISATIE VOOR PLURALISTISCHE INFORMATIE EN ANIMATIE, die woonplaats kiest bij advocaat N. Vandebroek, kantoor houdende te Leuven, Constantin Meunierstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de vzw De Hoge Noot op 9 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het Vlaams ministerieel besluit van 19 december 2003 houdende erkenning als lokale radio-omroep van vzw Socio-culturele Organisatie voor Pluralistische Informatie en Animatie voor de lokaliteit Leuven met frequentie 102.6 MHz; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. Haesbrouck; XII-4089-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Vernaillen, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. Goris, die loco advocaat N. Vandebroek verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat vzw Socio-culturele Organisatie voor Pluralistische Informatie en Animatie met een verzoekschrift van 30 maart 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij de begunstigde is van het bestreden besluit; dat er reden is haar verzoek in te willigen; 2.
  5. Overwegende dat het Vlaams Commissariaat voor de Media met een bericht in de tweede editie van het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 2003 verklaart “dat voor de frequenties, bepaald bij en omschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen, met bijlagen (Belgisch Staatsblad van 25 juli 2003) en betrekking hebbende op het grondgebied van de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant en Brussel, een aanvraag tot erkenning als lokale radio-omroep kan worden ingediend”; 2.
  6. Overwegende dat verzoekende partij is opgericht in 1988 en sedert 1991 radio-uitzendingen verzorgt onder de roepnaam Happy/RGR2; dat zij zich XII-4089-2/11 kandidaat stelt voor erkenning als lokale radio-omroep voor elk van de vier beschikbare frequenties in de lokaliteit Leuven; dat de Vlaamse minister van wonen, media en sport bij ministerieel besluit van 17 oktober 2003 onder meer de kandidaturen van verzoekende partij en van tussenkomende partij ontvankelijk verklaart en uiteindelijk, bij het bestreden besluit van 19 december 2003, tussenkomende partij voor de duur van negen jaar erkent als lokale radio-omroep, voor de frequentie 102.6 MHz in de lokaliteit Leuven; dat hij motiveert : “Overwegende dat na onderzoek van de aanvragen blijkt dat elk van de kandidaten voldoet aan de decretale voorwaarden om te worden erkend als lokale radio-omroep; Overwegende dat na grondig onderzoek en ingevolge het overwicht ten opzichte van de andere kandidaten op basis van de invulling van de voorgeschreven criteria VZW Vrije Radio Leuven werd ekend voor de frequentie 104.2 MHz in de lokaliteit Leuven en deze rechtspersoon bijgevolg niet meer in aanmerking komt voor de overige beschikbare frequenties in deze lokaliteit; Overwegende dat uit de dossiers na grondig onderzoek enerzijds blijkt dat de concrete invulling door VZW Scoplia, VZW De Hoge Noot, VZW Socio- Culturele Organisatie voor Regionale Pluralistische Informatieoverdracht en VZW Stadsradio van het programma-aanbod en zendschema, in het bijzonder het aanbod aan eigen programma's en het programma-aanbod met informatie over het eigen verzorgingsgebied, -door het verzorgen van een volledig eigen en gevarieerd programma-aanbod met veel lokale en streekgerichte informatie en met interactie met de luisteraar- op gelijkwaardige wijze als de meest degelijke van alle kandidaatstellingen dienen te worden beschouwd terwijl anderzijds de kandidaturen vanwege VZW Scoplia en VZW Radio Uilenspiegel inzake de infrastructuur, met name de materiële en technische uitzend-mogelijkheden waarover de kandidaat zal beschikken, voor het verzorgen van uitzendingen met een hoog vermogen door de uitvoerige beschrijving van het technisch dossier op gelijkwaardige wijze als de meest degelijke van alle kandidaatstellingen dienen te worden beschouwd; Overwegende dat niettegenstaande uit de dossiers na grondig onderzoek blijkt dat de kandidatuur vanwege VZW De Hoge Noot inzake het opgegeven financiële plan en de financiële structuur voor het verzorgen van uitzendingen met een hoog vermogen als de meest degelijke van alle kandidaatstellingen dienen te worden beschouwd en dat de kandidatuur vanwege VZW Socio- Culturele Organisatie voor Regionale Pluralistische Informatieoverdracht zowel op het gebied van de aantoonbare en beschreven kennis en radio-ervaring op het vlak van de productie en exploitatie van een radioprogramma voor het verzorgingsgebied in kwestie als op het gebied van de aantoonbare en beschreven band die is opgebouwd met de lokale gemeenschap, in het bijzonder de band die is ontstaan door gedurende een langere periode een continuïteit in de radio-uitzendingen te hebben verzorgd, als de meest degelijke van alle kandidaatstellingen dient te worden beschouwd, VZW Scoplia door het overwicht ten opzichte van de overige kandidaten op basis van de invulling van de voorgeschreven criteria omwille van de hierboven vermelde redenen in aanmerking komt voor de toekenning van de in tweede orde aangevraagde frequentie 102.6 MHz in de lokaliteit Leuven”; 3.
  7. Overwegende dat zowel de verwerende als tussenkomende partij opwerpen dat bij gemis aan uiteenzetting ter zake, het belang van verzoekende partij XII-4089-3/11 om vier erkenningen te betwisten niet kan worden aanvaard omdat zij slechts met betrekking tot één frequentie erkend zou kunnen worden; 3.
  8. Overwegende dat voor de lokaliteit Leuven vier frequenties beschikbaar zijn, en verzoekster voor deze vier frequenties kandidaat was; dat zij uiteindelijk voor geen van de vier frequenties een erkenning heeft verkregen; dat zij met haar beroep tegen de erkenning van tussenkomende partij beoogt een nieuwe kans te verwerven om alsnog een frequentie voor de lokaliteit Leuven te verwerven; dat die kans des te groter is wanneer verzoekster er dank zij haar andere beroepen, ingediend tegen de overige drie erkenningsbesluiten, in zou slagen dat twee of zelfs meer erkenningsbesluiten uit het rechtsverkeer verdwijnen en het bestuur zich dan over twee of meer dossiers opnieuw zal moeten uitspreken; dat de Raad in de huidige stand van de procedure geen reden ziet om aan verzoekster belang te ontzeggen om de vier erkenningen te betwisten; dat de exceptie wordt verworpen;
  9. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
  10. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekende partij als derde middel schending aanvoert van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de procedure en de aanvullende kwalificatiecriteria en voorwaarden voor de erkenning van particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen (hierna : het erkenningsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur “inzonderheid van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het transparantiebeginsel” en van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, doordat de bestreden beslissing geen concrete motivering, minstens geen afdoende noch deugdelijke motieven bevat aangaande de toetsing van de kandidaturen aan de aanvullende criteria, opgenomen in artikel 1, vijfde lid, van het erkenningsbesluit en doordat een eventuele toetsing van de aanvragen tot stand is gekomen met schending van de aanvullende criteria en genoemde beginselen van behoorlijk bestuur; XII-4089-4/11 Overwegende dat verzoekende partij dit middel toelicht in twee onderdelen; dat zij in een eerste onderdeel in het algemeen toelicht dat aan de erkenningscriteria opgesomd in het erkenningsbesluit “geen uitdrukkelijke wegingsfactoren [zijn] toegekend door de Vlaamse Regering”, dat de administratie “bij de toetsing van de dossiers (bij gebreke aan uitdrukkelijk toegewezen wegingsfactoren) toepassing heeft gemaakt van een eigen waardenschaal gaande van ++ tot -- die per dossier werd toegekend voor elk van de onderscheiden erkenningscriteria” en dat uit “de gevoerde briefwisseling met de erkenningverlenende overheid [blijkt] dat zij bij de onderlinge afweging van de dossiers [...] aan elk van de + en - waarden een kwotering van 1 tot 5 heeft toegekend”; dat verzoekende partij vervolgt dat “bij het toetsen van de dossiers aan elk van de onderscheiden supplementaire erkennningscriteria en bij het toekennen van een bepaalde waarderingsfactor door de Administratie Media verscheidene onregelmatigheden werden begaan” en dat die onregelmatigheden aan het bestreden besluit kleven aangezien “de erkenningverlenende overheid zich bij het totstandkomen van haar erkenningsbesluit vervolgens uitsluitend gebaseerd heeft op de adviezen inzake de weging vanwege de Administratie Media”; dat zij vervolgens uitvoerig kritiek geeft op de wijze waarop elk van de vijf criteria zijn beoordeeld in de rapporten; dat zij bij besluit ook opmerkt dat, zelfs op basis van de effectief toegekende scores zijzelf en tussenkomende partij “ex aequo op de totaal score” eindigden, dat “uit natelling van de scores (wanneer men de gehanteerde scores ‘++’ tot ‘--‘ transponeert tot een schaal van 5 tot 1 punt)” blijkt dat zij 20 punten heeft en tussenkomende partij eveneens 20 punten, dat evenwel blijkt dat tussenkomende partij “op onregelmatige wijze een aantal punten heeft gekregen, en ten onrechte op basis van het 4e criterium en niet op basis van het 3e criterium (zoals dit voor alle andere frequenties werd gehanteerd) in geval van ex-aequo”, zodat het “duidelijk [is] dat verzoekende partij, alleen al wegens het behalen van een even hoge score, eigenlijk de erkenning had moeten krijgen” en dat onder meer om die reden het bestreden besluit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 schendt; 5.
  11. Overwegende dat artikel 38decies van de mediadecreten de Vlaamse regering opdraagt om de erkenning te verlenen op basis van de in dit artikel 38decies opgesomde criteria én de mogelijk door de regering supplementair opgelegde voorwaarden; dat verwerende partij overeenkomstig artikel 1, vijfde lid, van het ter uitvoering van artikel 38decies genomen erkenningsbesluit van 18 juli 2003 de ontvankelijk bevonden kandidaturen op basis van vijf erkenningscriteria diende te beoordelen; dat deze criteria zijn : XII-4089-5/11 “1/ de concrete invulling van het programma-aanbod en zendschema, in het bijzonder het aanbod aan eigen programma's en het programma-aanbod met informatie over het eigen verzorgingsgebied; 2/ de aantoonbare en beschreven kennis en radio-ervaring van de kandidaat op het vlak van de productie en exploitatie van een radioprogramma voor het verzorgingsgebied in kwestie; 3/ de aantoonbare en beschreven band die is opgebouwd met de lokale gemeenschap in het bijzonder de band die is ontstaan door gedurende een langere periode een continuïteit in de radio-uitzendingen te hebben verzorgd; 4/ de infrastructuur, met name de materiële en technische uitzendmogelijkheden waarover de kandidaat zal beschikken; 5/ de degelijkheid van het opgegeven financiële plan en de financiële structuur”; Overwegende dat op het eerste gezicht mét verzoekende partij mag worden vastgesteld dat over een door het bestuur te hanteren methode voor de toetsing van een aanvraag aan de vijf gestelde criteria, en desgevallend een weging van die criteria, in de mediadecreten zelf niets is terug te vinden en dat ook het erkenningsbesluit geen weging lijkt op te leggen; dat hetzelfde erkenningsbesluit overigens voor de landelijke en de regionale radio-omroepen wél wegingsfactoren bepaalt voor de toetsing aan de aanvullende kwalificatiecriteria; dat de Raad uit een en ander in de huidige stand van de procedure besluit dat de mediadecreten noch het erkenningsbesluit voor de beoordeling van de kandidaat-lokale radio-omroepen aan het bestuur een welbepaalde wegingsmethode opleggen, noch dat zij aan het bestuur een bepaalde weging van de criteria verbieden; Overwegende dat in het ambtelijk onderzoeksrapport, dat over iedere aanvraag is opgesteld, de wijze waarop de aanvraag voldoet aan ieder erkenningscriterium afzonderlijk wordt onderzocht, beschreven, beoordeeld en gewaardeerd, waarbij de eindwaardering wordt uitgedrukt in, eensdeels, een score (-- / - / 0 / + / ++) en, anderdeels, een beknopte motivering, zonder evenwel tot een totaaloordeel te komen of een onderlinge afweging te maken; dat dit wordt overgelaten, zo lijkt, aan het uiteindelijke oordeel van de minister die over de erkenning moet beslissen; Overwegende dat het bestreden ministerieel erkenningsbesluit de voorkeur geeft aan tussenkomende partij “door het overwicht ten opzichte van de overige kandidaten op basis van de invulling van de voorgeschreven criteria omwille van de hierboven vermelde redenen”; dat die redenen zijn: tussenkomende partij is blijkens het besluit “de meest degelijke van alle kandidaatstellingen” voor twee van de vijf erkenningscriteria (het eerste en het vierde criterium), terwijl ook verzoekende XII-4089-6/11 partij die kwalificatie als “meest degelijke van alle kandidaatstellingen” toegemeten krijgt voor twee van de vijf erkenningscriteria (het eerste en het vijfde criterium); Overwegende dat beide kandidaten voor twee van de vijf criteria de “meest degelijke” zijn; dat dit op het eerste gezicht geen “overwicht” verantwoordt voor de ene op de andere maar een ex aequo, tenzij een van de criteria zwaarder zou wegen; dat het ministerieel besluit zulks niet uitdrukkelijk laat verstaan, zo lijkt; Overwegende dat in de huidige stand van de procedure aangenomen wordt dat de minister zich, voor zijn oordeel wie van de kandidaten een “overwicht” van “meest degelijke van alle kandidaatstellingen” voorlegt, gesteund heeft op de ambtelijke onderzoeksrapporten; dat verzoekende partij erkent dat zij vóór het indienen van huidige vordering van de ambtelijke onderzoeksrapporten en van het aanvraagdossier van tussenkomende partij inzage heeft gekregen; dat dan, voor de beoordeling van het middel, onderzocht moet worden of niet in de ambtelijk gegeven scores de verklaring van het “overwicht” voor tussenkomende partij besloten is, nu de minister ook refereert aan de “invulling van de criteria”; Overwegende evenwel dat die rapporten, wat de “invulling van de criteria” betreft op basis waarvan de minister tot zijn besluit stelt te zijn gekomen, verzoekende partij en tussenkomende partij voor het eerste en het tweede criterium op gelijke wijze hebben gewaardeerd, in die zin dat aan hen voor die criteria telkens dezelfde score “+” is toegekend; dat verzoekende partij voor het derde en voor het vijfde criterium hoger is gewaardeerd dan tussenkomende partij, respectievelijk met een score “+” tegenover “0” (derde criterium) en met een score “++” tegenover “+” (vijfde criterium); dat tussenkomende partij daarentegen voor het vierde criterium de beste score “++” krijgt terwijl verzoekende partij het moet stellen met de neutrale score “0”; dat zó gezien de situatie er ook een lijkt van een ex aequo, bij gelijke weging van de vijf criteria, met drie maal “+”, één maal “0” en één maal “++” voor elk van beide kandidaten, of zelfs van een “overwicht” van verzoekende partij, die immers twee maal gelijk, één maal minder goed maar twee maal beter scoort dan tussenkomende partij; dat het niet in die richting lijkt te zijn dat steun voor de ministeriële beslissing dient gezocht; Overwegende dat, zelfs indien rekening gehouden mag worden met een omzetting van de gerapporteerde waardering in cijfers volgens de “briefwisseling XII-4089-7/11 met de erkenningverlenende overheid” die verzoekende partij vermeldt en vervolgens met de som van deze cijfers, beide partijen evenveel “punten” scoren; dat ook dan bijgevolg beide kandidaten gelijk zouden scoren, zoals zij reeds gelijk scoren in het aantal “meest degelijke” kandidaatstellingen; dat steeds de vraag blijft op grond waarvan de minister dan, een of andere weging toepassend, uiteindelijk de voorkeur gaf aan tussenkomende partij; Overwegende dat verwerende partij in de nota met opmerkingen niet tegenspreekt dat beide partijen op basis van de onderzoeksrapporten ex aequo scoren; dat volgens haar dan “[in] redelijkheid dient [...] te worden overgegaan tot de toekenning van de erkenning aan één van de kandidaten, die, bij de afweging, ex aequo eindigden”, dat zij argumenteert : “De criteria van het besluit van 18 juli 2003, dienen in gelijkheid te worden toegepast. Enkel en alleen als deze weging overeenkomstig de in gelijkheid te verdisconteren criteria, tot een ex aequo toestand leidt, dient de knoop te worden doorgehakt op redelijke wijze. Het bestuur heeft daaromtrent inderdaad een algemene beleidslijn uitgestippeld. Daarbij heeft het bestuur zo dicht mogelijk de decretale criteria willen volgen. Art. 38decies van de gecoördineerde decreten voorziet erin dat de erkenning verleend wordt op basis van de concrete invulling van het programma-aanbod, de radio-ervaring en de infrastructuur. Gezien de concrete invulling van het programma-aanbod, in het bijzonder van de eigen programma s en van het programma-aanbod inzake informatie over het eigen verzorgingsgebied, de kern van de opdracht van de lokale radio raakt, wordt eerst en vooral geopteerd voor wie zich differentieert m.b.t. het eerste criterium. Ter zake scoren de beide kandidaten gelijk. Vervolgens wordt er, zoals in de mail wordt uiteengezet, gekeken naar het tweede criterium met ook decretale verankering, nl. de radio-ervaring. Ook hier scoren de beide kandidaten gelijk. In deze omstandigheden wordt er gekeken naar het derde decretale criterium, nl. de infrastructuur. En precies m.b.t. dit criterium scoort de vzw Scoplia beter”; Overwegende dat tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst repliceert dat, “ook al behalen twee kandidaten dezelfde hoogste score, de erkenning als lokale radio-omroep voor een bepaalde frequentie vanzelfsprekend toch maar aan één kandidaat kan worden verleend” dat zij vervolgt : “Dat het helemaal niet kennelijk onredelijk is dat het bestuur, nadat werd vastgesteld dat de inhoudelijke criteria (programma-aanbod, radio-ervaring, ...) in dezelfde mate vervuld waren voor zowel verzoekende partij als verzoekster tot tussenkomst, de erkenning uiteindelijk verleend heeft aan die kandidaat die heeft aangetoond dat zij ook materieel en, technisch in staat is om de uitzendingen te verzorgen, met name verzoekster tot tussenkomst. XII-4089-8/11 Dat dan ook volkomen terecht de erkenning als lokale radio-omroep voor de frequentie 102.6 MHz aan verzoekster tot tussenkomst werd verleend”; Overwegende dat de Raad zich niet dient uit te spreken over de vraag of de door verwerende partij geschetste werkwijze regelmatig is of, zoals tussenkomende partij beweert, “niet kennelijk onredelijk”; dat het binnen het raam van het besproken middelonderdeel volstaat vast te stellen dat de door verwerende partij gegeven uitleg achteraf wordt gegeven en er geen spoor van is te vinden, noch in het bestreden besluit, noch in de onderzoeksrapporten; dat het bijgevolg, zélfs na inzage van deze rapporten, voor verzoekende partij een raadsel bleef waarom zij uiteindelijk moest onderdoen voor de tussenkomende partij; dat ook wanneer rekening wordt gehouden met de kennisgeving van de rapporten, voor haar het doel van de formele motiveringswet, namelijk de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is om te oordelen of, ten aanzien van de motieven, het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft, op het eerste gezicht niet bereikt is; dat het middelonderdeel, voor zover het is gesteund op de formele motiveringsplicht, om die reden ernstig is; 6.
  12. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekende partij in essentie uiteenzet en toelicht dat door de erkenning en de daarna volgende aflevering van zendvergunningen aan de erkende omroepen zij onverbiddelijk uit de ether wordt gehaald en het voor haar niet meer mogelijk zal zijn nog eigen lokale radio-uitzendingen te verzorgen, dat dit haar enige statutaire activiteit vormt, dat deze erkenning van levensbelang is voor haar voortbestaan, dat van de ene dag op de andere de band met de lokale gemeenschap die van vitaal belang is voor een lokale radio-omroep teloor gaat, dat blijkens het door haar ingediende financieel plan de weerslag blijkt van een niet-erkenning op haar omzetcijfers en dat de kans om een marktpositie te Leuven te verwerven teloorgaat; 6.
  13. Overwegende dat, volgens tussenkomende partij, verzoekende partij op financieel vlak haar positie op de lokale radiomarkt niet dreigt te verliezen of de band met de lokale gemeenschap verloren zou zien gaan; dat zij evenwel de argumenten van verzoekende partij hierover poogt te ontkrachten door te refereren aan de vermeende samenwerking van verzoekende partij met de andere zenders van de keten RGR; dat die andere zenders hoe dan ook niet uitzenden in de lokaliteit Leuven, zodat zelfs het eventuele bestaan van een samenwerkingsverband niet tegenspreekt dat momenteel vier concurrerende erkende radio-omroepen in Leuven XII-4089-9/11 hun marktaandeel kunnen verstevigen en anderzijds de inkomstenbronnen van verzoekende partij onvermijdelijk zullen opdrogen; dat verwerende en tussenkomende partij voorts in wezen repliceren dat verzoekende partij, als zij haar voortbestaan laat afhangen van een tijdelijke erkenning, het ingeroepen nadeel alleen aan haarzelf kan wijten en dat voorts slechts met de aflevering van een zendvergunning het nadeel een feit wordt; dat dit verweer niet wordt bijgetreden; dat immers het bestreden besluit in zijn tweede artikel de bij artikel 1 als lokale radio- omroep erkende tussenkomende partij toestaat om “bij het Vlaams Commissariaat voor de Media een aanvraag tot het bekomen van een zendvergunning” in te dienen; dat de dreiging van het aangevoerde nadeel uit de ether te verdwijnen bijgevolg reëel is en met de bestreden beslissing een voldoende nauw verband vertoont; dat voorts, gesteld tegenover het tijdelijk karakter van de erkenning, het voor de beoordeling van de ernst en het moeilijk herstelbaar karakter van het nadeel niet zonder belang is dat verzoekende partij reeds meer dan tien jaar actief is; dat in dat verband overigens verwerende partij zelf in de ambtelijke onderzoeksrapporten aan verzoekende partij een hogere waardering geeft dan aan tussenkomende partij op het gebied van de band die is opgebouwd met de lokale gemeenschap; dat het nadeel dat verzoekende partij in zulke omstandigheden lijdt niet zonder meer tot een zuiver financieel nadeel kan worden herleid; dat in die omstandigheden -en zonder uitspraak te moeten doen over de ontvankelijkheid van de door verzoekende partij ter terechtzitting bijkomend neergelegde overtuigings-stukken- het ingeroepen nadeel geacht kan worden voor verzoekende partij voldoende ernstig en moeilijk herstelbaar te zijn;
  14. Overwegende dat aan de voorwaarden voor een schorsing is voldaan, BESLUIT: Artikel
  15. Het verzoek tot tussenkomst van de vzw Socio-Culturele Organisatie voor Pluralistische Informatie en Animatie in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  16. XII-4089-10/11 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vlaams ministerieel besluit van 19 december 2003 houdende erkenning als lokale radio-omroep van vzw Socio-culturele Organisatie voor Pluralistische Informatie en Animatie voor de lokaliteit Leuven met frequentie 102.6 MHz. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4089-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.778 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.