id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.945 Rolnummer: A. 67978/XII-2331 Zaak: Arrest 137945 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 15:19 Fiche Arrest nr 137.945 van 2 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.945 van 2 december 2004 in de zaak A. 67.978/XII-é
- In zake : Oswald DE WAELE die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Herzeele, kantoor houdende te Zottegem, Sint-Annastraat 19 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Oswald De Waele op 8 maart 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 januari 1996 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij zijn beroep tegen de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen ongegrond wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 10 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-é1-1/7 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 29 september 1992 en op 22 februari 1993 van de korpschef van de gemeentepolitie van Zottegem vergunningen tot het voorhanden hebben van zes karabijnen verkrijgt; dat hij op 6 juli 1995 bij de gemeentepolitie van Zottegem een aanvraag voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen indient waarbij hij als reden vermeldt “Wet van 19-1-95 M.B. op zwartkruit pistolen”; dat de korpschef hem in een schrijven van 19 september 1995 meedeelt dat de gevraagde vergunning hem niet kan worden verleend omwille van “de gerechtelijke antecedenten en vroegere geweldplegingen, alsook [...] de herhaalde eerdere bezwaren vanwege het Ambt van de heer Procureur des Konings in Oudenaarde”; dat verzoeker bij brief van 18 oktober 1995 tegen die beslissing beroep aantekent bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen; dat hij in dit schrijven stelt dat hij nooit gewelddaden heeft gepleegd en vraagt gehoord te worden teneinde zijn verweermiddelen uiteen te zetten; dat de procureur des Konings van Oudenaarde in een brief van 8 december 1995 een ongunstig advies uitbrengt “wegens het ongunstige verleden van de betrokkene”, hetgeen als volgt wordt gepreciseerd : XII-é1-2/7 “Hij is aan de drank verslaafd geweest en was als dusdanig agressief. Hij heeft weliswaar in het jaar 1991 een inplanting ondergaan die een duidelijke beterschap in zijn gedrag tot gevolg had, ik meen echter dat er vooralsnog geen redenen zijn om hem toe te laten een wapen in zijn bezit te hebben. Hij werd inderdaad reeds viermaal veroordeeld waarvan driemaal wegens diefstal en éénmaal in oktober 1992 wegens dronkenschap aan het stuur in staat van herhaling”; Overwegende dat de gouverneur in zijn besluit van 8 januari 1996 op grond van volgende motivering besluit dat het beroep van verzoeker “ontvankelijk doch ongegrond is” : “Dat het beroep tijdig werd ingediend en gebeurde in de door de Wet voorgeschreven vorm, waardoor een onderzoek ten gronde zich opdrong; Dat belanghebbende in zijn verzoekschrift wijst op het feit dat hij nooit gewelddaden heeft gepleegd; Gelet op het dossier d.d. 31 oktober ll. overgemaakt door de Korpschef van Politie Zottegem ; Dat hieruit blijkt dat op 19 september ll. de weigering van de Korpschef gebaseerd is op de gerechtelijke antecedenten en vroegere geweldplegingen van betrokkene, alsook op de herhaalde eerdere bezwaren vanwege het ambt van de Procureur des Konings te Oudenaarde tegen het afleveren van een een wapenvergunning Gelet op het advies van de heer Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde d.d. 8 december ll. in verband met het aangetekend beroep; Dat dit advies ongunstig is gezien de vroegere veroordelingen van belanghebbende; Dat betrokkene aan drank was verslaafd en als dusdanig agressief; Dat belanghebbende weliswaar in 1991 een inplanting heeft ondergaan die een duidelijke beterschap in zijn gedrag tot gevolg had, doch gezien het gevaar van recidief gedrag meent de Procureur dat er vooralsnog geen redenen zijn om betrokkene toe te laten een wapen in zijn bezit te hebben; Dat er voldoende redenen zijn om het beroep niet in te willigen”; Overwegende dat in zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift naast de vernietiging van het bestreden besluit ook vraagt om “opnieuw statuerende, te zeggen voor recht dat aan verzoeker ten onrechte een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen werd geweigerd”, hij hiermee niets anders lijkt te vragen dan de onwettigverklaring van het bestreden besluit die reeds in een eventuele nietigverklaring ervan besloten zou zijn; dat in XII-é1-3/7 elk geval de Raad van State niet bevoegd is om een vergunning te verlenen of om formeel te bevelen een vergunning af te geven; Overwegende dat verzoeker in het derde middel doet gelden dat de gouverneur zich in het bestreden besluit beperkt tot het verwijzen naar vroegere geweldplegingen; dat hij bevestigt dat hij halverwege de jaren tachtig een aantal kruimeldiefstallen heeft gepleegd en dat hij zich in het jaar 1992 schuldig heeft gemaakt aan enkele verkeersinbreuken; dat hij benadrukt dat elke verwijzing naar een geweldpleging uit de lucht is gegrepen; dat hij een bewijs van goed zedelijk gedrag voorlegt; dat verzoeker voorts verduidelijkt dat hij een enthousiast sportschutter is, dat hij lid is van meerdere schuttersclubs, regelmatig de schietstand bezoekt, zich er stipt aan de veiligheidsvoorschriften houdt en zelfs regelmatig als instructeur optreedt; dat verzoeker er op wijst dat hij wel vergunningen tot het voorhanden hebben van karabijnen verkreeg zodat het bestreden besluit volgens hem niet logisch is; dat hij tenslotte stelt dat de motivering niet met de werkelijkheid overeenstemt; Overwegende dat verwerende partij uiteenzet dat de motivering van het bestreden besluit verzoeker in staat moet stellen na te gaan welke elementen aan de beslissing ten grondslag liggen, dat zij zorgvuldig heeft aangegeven dat het besluit steunt op het advies en niet op een interpretatie van de feiten die het advies schragen, dat bijgevolg het besluit een getrouwe weergave is van de overwegingen die zij heeft gemaakt; dat verwerende partij voorts antwoordt dat zij net als de procureur des Konings geen onderscheid heeft gemaakt tussen recente en minder recente veroordelingen zodat het door verzoeker gemaakte onderscheid niet dienend is, dat verzoeker bij het instellen van het beroep niet heeft aangegeven dat het wapen zou worden gebruikt voor het beoefenen van de schietsport, dat zij het motief van de aanvraag niet nader diende te onderzoeken aangezien verzoekers persoonlijkheid het verwerven van een wapen in de weg staat, dat uit het feit dat verzoeker reeds geruime tijd sportschutter is en zelfs optreedt als instructeur blijkt dat de bestreden beslissing zijn rechten niet schaadt, dat de verwijzing naar verzoekers vergunningen niet XII-é1-4/7 dienstig is omdat de wapens werden verkregen op basis van een indeling waarin artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie voorziet, en de hieruit voortvloeiende regularisatie, en omdat een aantal wapens niet vergunningplichtig zijn, dat uit de instructies van de minister van Justitie blijkt dat men een eenvoudige regularisatieprocedure wenste, dat de verweervuurwapens die verzoeker bezit lange verweervuurwapens zijn die onder een ander regime vallen dan korte verweervuurwapens aangezien deze laatste als gevolg van hun technische kenmerken gemakkelijker op een onrechtmatige manier kunnen worden aangewend, dat twijfel omtrent de persoonlijkheid van de betrokkene met betrekking tot deze categorie van verweervuurwapens zwaarder doorweegt; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in hoofdzaak herhaalt wat hij reeds in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet; dat verzoeker stelt dat hoewel hij niet kenbaar heeft gemaakt dat de vergunning werd aangevraagd voor het beoefenen van de schietsport, hij deze vergunning allicht niet wenste te verkrijgen om gewelddaden te plegen, dat hij zijn aanvraag had kunnen toelichten indien men hem de kans had gegeven zijn standpunt te doen kennen, dat de wetgeving inzake verweervuurwapens dermate verandert dat hij zijn hobby niet meer zal kunnen uitoefenen zonder vergunning; Overwegende dat noch de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie noch het koninklijk besluit van 20 september 1991 criteria of voorwaarden bevatten waaraan moet worden voldaan om een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen te verkrijgen, zodat de korpschef en de gouverneur ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken; dat de Raad van State in het kader van een annulatieberoep tegen een dergelijke beslissing niet zelf mag oordelen of er al dan niet een vergunning moet worden verleend; dat hij wel kan nagaan of de motieven van de beslissing ter zake berusten op werkelijk bestaande feiten die met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld en juist werden gekwalificeerd; dat het bestreden besluit steunt op XII-é1-5/7 twee motieven; dat eensdeels wordt gesteld dat de weigering van de korpschef op de gerechtelijke antecedenten en vroegere geweldplegingen van verzoeker en op eerdere bezwaren van de procureur des Konings was gebaseerd en anderdeels wordt verwezen naar het ongunstige advies van de procureur des Konings dat refereert aan vroegere veroordelingen en aan verzoekers alcoholverslaving die ertoe leidde dat hij “als dusdanig agressief” was; dat uit het bestreden besluit noch uit het administratief dossier blijkt welke geweldplegingen verzoeker ten laste worden gelegd; dat eveneens niet wordt verduidelijkt wanneer en in welke omstandigheden zij zouden hebben plaatsgevonden; dat ook het advies van de procureur des Konings ter zake geen concrete gegevens bevat; dat verzoeker reeds in zijn beroepschrift tegen de weigeringsbeslissing van de korpschef aanvoerde dat hij nooit gewelddaden heeft gepleegd; dat niettemin verwerende partij heeft nagelaten aanvullende informatie in te winnen of een bijkomend onderzoek in te stellen; dat zodoende verwerende partij bij de feitenvinding en bij het beoordelen van verzoekers aanvraag en van zijn beroep tegen de weigering van de korpschef de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden; dat de eerdere geweldplegingen van verzoeker een wezenlijk motief van de bestreden beslissing vormen en de feitelijke juistheid van dit motief niet werd nagegaan, laat staan nog uit de stukken van het administratief dossier blijkt; dat het derde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 januari 1996 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van Oswald De Waele tegen de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen ongegrond wordt verklaard. Artikel
- XII-é1-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-é1-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.945 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.