id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.946 Rolnummer: A. 64288/XII-628 Zaak: Arrest 137946 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 15:20 Fiche Arrest nr 137.946 van 2 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.946 van 2 december 2004 in de zaak A. 64.288/XII-
- In zake :
- Maurice BODET,
- François BODET, die woonplaats kiezen bij advocaat L.S. Spadazzi, kantoor houdende te Grace-Hollogne, rue J. Heusdens 55 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat 20 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice Bodet en François Bodet op 28 juni 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing op 11.05.1995 genomen door het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Leuven”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 25 november 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-628-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Vermote, die loco advocaat J. Timmermans verschijnt voor verzoekers, en van advocaat J. Vanstipelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de stad Leuven al sinds jaren aan verzoekers, die een draaimolen uitbaten, een standplaats toewijst op de septemberkermis; dat verzoekers ook voor de kermis van 1995 een standplaats aanvragen; dat met schrijven van 6 april 1995 de plaatsmeester aan het college van burgemeester en schepenen de “plannen” van de septemberkermis en een aantal “praktische regelingen” ter goedkeuring voorlegt; dat de “plannen” de aanduiding behelzen van de plaats waar de gegadigden hun attractie mogen opstellen; dat de plannen niet voorzien in een standplaats voor verzoekers; dat het college op 13 april 1995 met de plannen en praktische regelingen instemt; dat met brief van 11 mei 1995 verwerende partij aan verzoekers meedeelt “dat wij op uw vraag niet kunnen ingaan aangezien er geen enkele plaats meer beschikbaar is”;
- Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie oppert dat verzoekers “klaarblijkelijk afstand doen van de procedure”, vermits zij geen laatste memorie hebben ingediend; Overwegende dat wat klaarblijkelijk is voor de verwerende partij, het hoegenaamd niet is voor de Raad van State; dat, in zijn verslag, de auditeur het beroep van verzoekers ontvankelijk en gegrond heeft bevonden; dat het zich dan ook licht laat verstaan dat verzoekers niet menen daar in een laatste memorie iets tegenin te moeten brengen; dat uit de loutere afwezigheid van een laatste memorie vanwege verzoekers niet is af te leiden dat zij van hun vordering wensen afstand te doen;
- Overwegende dat volgens de verwerende partij, in een eerste ontvankelijkheidsexceptie, “verzoekende partijen zich vergissen omtrent het voorwerp in hun verzoekschrift tot nietigverklaring”; dat de verwerende partij toelicht dat verzoekers de nietigverklaring vorderen van een besluit van 11 mei 1995 XII-628-2/5 van het college van burgemeester en schepenen, dat op die dag echter geen collegebeslissing werd genomen, maar alleen een brief aan verzoekers is gericht, dat de beslissing waarbij de standplaatsen worden toegewezen 13 april 1995 is gedagtekend en dat de vernietiging van de brief van 11 mei 1995 niet zou kunnen beletten dat hoe dan ook het collegebesluit van 13 april 1995 blijft bestaan; Overwegende dat de exceptie ervan uitgaat dat verzoekers de nietigverklaring vorderen van een beslissing van 11 mei 1995 van het college van burgemeester en schepenen; dat dit getuigt van een foutieve, want al te selectieve en onvolledige lezing van het verzoekschrift; dat daarin immers met zoveel worden óók wordt vermeld: “Huidig verzoekschrift heeft als doel de nietigverklaring van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Leuven d.d. 13 april 1995 die per schrift d.d. 11 mei 1995 aan verzoekers betekend werd”; dat, op grond van de vermeldingen van het gehéle verzoekschrift, moet worden aangenomen dat verzoekers de collegebeslissing van 13 april 1995 beogen; dat de exceptie feitelijke grond mist;
- Overwegende dat verwerende partij in een tweede ontvankelijkheidsexceptie het belang van verzoekers betwist, omdat ieder jaar een nieuwe beslissing wordt genomen over de standplaatsen en omdat zij geen enkel voordeel meer zullen kunnen halen uit een eventueel vernietigingsbesluit; Overwegende dat de bestreden beslissing, met brief van 11 mei 1995 aan verzoekers ter kennis gebracht, hen belet, voor het eerst sinds jaren, hun draaimolen te exploiteren op de septemberkermis te Leuven; dat het in principe, vanwege de toepasselijke procedureregels, van meet af aan was uitgesloten dat een vernietiging van de beslissing nog vóór het einde van de kermis, die tot 20 september 1995 duurde, kon worden uitgesproken en hun aldus een direct praktisch nut kon verschaffen; dat, indien voor de ontvankelijkheid van het annulatieberoep tegen deze beslissing die op korte termijn haar volledig effect sorteert, onverkort geëist zou worden dat een vernietiging de verzoekers ipso facto een daadwerkelijk voordeel kan bijbrengen, daaruit zou voortvloeien dat de beslissing niet voor vernietiging in aanmerking komt; dat evenwel uit niets blijkt dat de wetgever een dergelijke beslissing uit het annulatiecontentieux heeft uitgesloten of heeft willen uitsluiten; dat de conclusie hieruit dan ook moet zijn dat in gevallen als dat van verzoekers, het belang bij de vordering tot nietigverklaring met de nodige soepelheid moet worden beoordeeld; dat, om verzoekers niet het rechtens vereiste actueel belang te XII-628-3/5 ontzeggen, bovendien wordt bedacht dat de afwijzing van hun aanvraag voor een standplaats op de septemberkermis voor herhaling vatbaar is en een vernietiging er toe kan bijdragen, weze het onrechtstreeks, dat die herhaling wordt vermeden; dat de besproken exceptie verworpen wordt; 5.
- Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord onder meer aanvoeren dat uit het uittreksel van de beslissing van 13 april 1995 van het college van burgemeester en schepenen niet blijkt dat hun kandidatuur aan het college is voorgelegd, dat het college geen kennis had van de kandidatuur van verzoekers, dat het slechts kennis had van het verslag van 6 april 1995 van de plaatsmeester, dat de beslissing om geen standplaats aan verzoekers toe te wijzen is genomen door de plaatsmeester of door de schepen van feestelijkheden, alleen handelend, dat blijkens artikel 7 van de algemene voorwaarden toepasselijk op de toewijzing en exploitatie van de standplaatsen op kermissen gehouden op het grondgebied van de stad Leuven, de weigering van een standplaats nochtans tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen behoort; 5.
- Overwegende dat het middel volgens de verwerende partij als onontvankelijk moet worden afgewezen omdat het nieuw is en “perfect had kunnen ontwikkeld worden ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring”; Overwegende dat het middel inderdaad nieuw is; dat het hierop steunt, en neerkomt, dat het college van burgemeester en schepenen zich op 13 april 1995 er toe beperkt heeft in te stemmen met de door de plaatsmeester voorgestelde plannen, waarin geen sprake is van verzoekers; dat verzoekers die informatie kennelijk hebben gehaald uit het administratief dossier dat de verwerende partij tezamen met de memorie van antwoord heeft ingediend; dat niets ervan doet blijken dat zij er reeds eerder kennis van hadden of moesten hebben; dat de bewering van de verwerende partij dat het middel ook al “perfect” in het inleidend verzoekschrift kon zijn aangevoerd, bijgevolg volkomen gratuit is; dat het middel op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; 5.
- Overwegende, wat de grond van het middel betreft, dat volgens artikel 7 van de algemene voorwaarden toepasselijk op de toewijzing en exploitatie van de standplaatsen op de kermissen gehouden op het grondgebied van de stad Leuven, het college van burgemeester en schepenen jaarlijks de toewijzing uit de XII-628-4/5 hand doet van de standplaatsen tegen de door de gemeenteraad vastgestelde prijzen, en de foornijveraars hiertoe jaarlijks een aanvraag aan het college dienen te richten; dat voor de septemberkermis 1995 het college op 13 april 1995 over de toewijzing van de standplaatsen uitspraak heeft gedaan, door zich zonder meer aan te sluiten bij het verslag van 6 april 1995 van de plaatsmeester; dat het, alzo handelend, geen kennis heeft genomen of kunnen nemen van de aanvraag van verzoekers; dat die aanvraag in het verslag van 6 april 1995 van de plaatsmeester immers niet ter sprake komt; dat niet blijkt waarom dat het geval is; dat in de gegeven omstandigheden moet worden vastgesteld dat de aanvraag van verzoekers bij de toewijzing van de standplaatsen zonder deugdelijke reden is voorbijgezien; dat dit de ganse toewijzing aantast; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 13 april 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven tot toewijzing van de standplaatsen voor de septemberkermis
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-628-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.