← België

Arrest 137949 - - 02/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.949 Rolnummer: A. 71600/XII-1728 Zaak: Arrest 137949 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 15:21 Fiche Arrest nr 137.949 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.949 van 2 december 2004 in de zaak A. 71.600/XII-

  1. In zake : het OCMW VAN WEMMEL, dat woonplaats kiest bij advocaten A. Verriest en P. De Maeyer, kantoor houdende te Brussel, Tedescolaan 7 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het OCMW van Wemmel op 11 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 juni 1996 van de minister van Binnenlandse Zaken houdende bepaling van de coëfficiënt R bedoeld bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling van de asielzoekers over de gemeenten met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1996; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 30 november 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1728-1/4 Gelet op de beschikking van 21 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2004, op welke datum de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 9 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten E. Jacubowitz en D. Vermer, die loco advocaat A. Verriest verschijnen voor verzoekende partij, en van advocaat C. Decordier, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat overeenkomstig artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals het ten tijde van de bestreden beslissing luidde, de ter zake bevoegde minister een verplichte plaats van inschrijving kan bepalen voor zekere vreemdelingen die vragen als vluchteling te worden erkend of die zich vluchteling verklaren, daarbij rekening houdend met een harmonieuze spreiding over de gemeenten volgens de criteria bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit; dat volgens artikel 1 van het betreffende, toentertijd geldende, koninklijk besluit van 23 december 1994 de minister slechts een gemeente kan kiezen als verplichte plaats van inschrijving als het aantal asielzoekers die op het grondgebied van die gemeente verblijven lager ligt dan de uitkomst van een welbepaalde formule; dat in deze formule een coëfficiënt “R” voorkomt, zijnde “het totale aantal asielzoekers die in het wachtregister zijn ingeschreven en die nog geen uitvoerbare beslissing hebben ontvangen wat hun asielaanvraag betreft”; dat artikel 4 van het koninklijk besluit voorschrijft dat de minister tot wiens bevoegdheid de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen behoort, de coëfficiënt bepaalt zolang het wachtregister niet alle gegevens bevat die erin moeten worden opgenomen; XII-1728-2/4 Overwegende dat op 21 juni 1996 de bestreden beslissing de coëfficiënt R op 20.840 bepaalt, voor de berekening van de verdeling “van de tweede groep van drieduizend kandidaat-vluchtelingen die vanaf 28 mei 1996 een asielaanvraag hebben ingediend”; Overwegende dat het belang, vereist om ontvankelijk de nietigverklaring van een administratieve handeling te kunnen vragen, een subjectief en een objectief aspect vertoont; dat het eerste verband houdt met een zich benadeeld voelen en het tweede met een feitelijk benadeeld worden; dat beide aspecten verenigd moeten zijn; Overwegende dat ter terechtzitting van 9 november 2004 verzoekende partij zonder nadere toelichting verklaart geen belang meer te hebben bij de zaak; dat dit de negatie inhoudt van het subjectief aspect van het vereiste belang; dat, in zoverre verzoekende partij voorts vraagt de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, zulks niet spontaan evident is, noch beargumenteerd wordt; dat er dan ook reden is de vordering bij gemis aan belang te verwerpen en de kosten van het beroep, zoals in principe gebruikelijk bij een verwerping, ten laste van de verzoekende partij te laten, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-1728-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1728-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.