id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.951 Rolnummer: A. 98611/XII-4249 Zaak: Arrest 137951 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 15:21 Fiche Arrest nr 137.951 van 2 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.951 van 2 december 2004 in de zaak A. 98.611/XII-
- In zake : de ALGEMENE CENTRALE DER OPENBARE DIENSTEN, met zetel te Brussel, Fontainasplein 9-11 tegen : de SCHOLENGROEP 10 VILVOORDE-ZAVENTEM, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD) op 21 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- de beslissing van het College van Directeurs van de Scholengroep 10 d.d. 24/10/2000 'dat de interviews voorzien in de procedure tot rangschikking van kandidaten bij de PBW010101 niet bijgewoond worden door een afgevaardigde van de vakbonden'. - de beslissing van de Algemeen Directeur van de Scholengroep 10 d.d. 06/11/2000 (nummer SG10/2000/061), bij hoogdringendheid 'dat het bijwonen, door een afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties, van de interviews die door de commissies worden georganiseerd met het oog op een advies aan de Raad van Bestuur van de SGR10 in verband met de personeelsbewegingen, niet tot de prerogatieven van de representatieve vakorganisaties, zoals bedoeld in artikel 17, 3/ van de wet van 19 december 1974 behoort'. - de bekrachtiging van voormelde beslissing van de Algemeen Directeur (nummer SG10/2000/061) door de Raad van Bestuur van de Scholengroep 10 d.d. 29/11/2000”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-4249-1\8 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op een ongekende datum legt de Scholengroep 10 bij “PBW 010101” een procedure vast tot rangschikking van de kandidaten voor de personeelsbewegingen binnen de scholengroep op 1 januari
- Blijkens een “schema toetsingscriteria” worden de kandidaturen als volgt beoordeeld en gewaardeerd : XII-4249-2\8 “A. Beoordeling op basis van ingediend dossier
(50)Thema max onderverdeling Max 1 Dienstanciënniteit 10 * in het GO, doch * 0,5 per volledig buiten de SG10 schooljaar * binnen SG10 * 1 per volledig * binnen de school schooljaar * 2 per volledig schooljaar 2 Specifiek aan de functie 5 * zie ommezijde of school verbonden items 3 Inzet t.o.v. het 5 * lidmaatschap van 2 * 1 punt per Gemeenschapsonderwijs min 2 jaar van een vereniging met het GO ver- bonden vereniging * andere 3 * quotatie wordt aangetoonde inzet naar gelang het voor GO geval op de menites beoordeeld 4 Socio-culturele of 5 * met bewijsstukken 5 1 per relevant economische inzet in te staven aanvaard item regio 5 Navorming 10 * algemeen 3 max 3 per * relevant voor het 7 goedgekeurde beoogde ambt navorming 6 Motivering kandidatuur 15 * maximaal 500 plus visie op de functie woorden B. Interview
(50)Thema max Onderverdeling 7 Toelichting ingediend dossier + 20 Manier waarop kandidaat dossier interview toelicht (vlotheid, duidelijkheid, kwaliteit van samenvatten,...) houding, spreekvaardigheid, taalcorrectheid, communicativiteit, vlotheid van reageren op bijkomende vragen en/of aanmerkingen commissieleden,... 8 Aantal vragen/items die aan de 30 Door de commissie ter plaatse kandidaat voorgelegd worden voorgelegd ”. Het onder punt 8 bedoelde interview wordt nader gespecificeerd als volgt : XII-4249-3\8 “ 8 selectie-of bevorderingsambt : * twee te bespreken items (relevant voor de functie) waarop de kandidaat zijn pedagogisch en didactische vaardigheden moet aantonen * 15 punten op ieder item * voor een aanstelling van een directeur bijvoorbeeld moet de probleemstelling effectief betrekking hebben op het type van de instelling waar de aanstelling plaatsgrijpt : * verschillend naar gelang atheneum, middenschool, tuinbouwschool, basis- school, DKO, CVO, CLB, * stedelijk gelegen school, landelijk gelegen school * ingebouwde middenschool * migrantenpopulatie Opmerking voldoende items voorzien waarbij zij door lottrekking aan de kandidaten voorgelegd worden. 8 wervingsambten met lesopdracht : * lijst van maximaal 10 vragen/items(relevant voor de functie) die aan elke kandidaat voorgelegd wordt * maximaal aantal punten per item/vraag wordt vooraf door commissie (die de vragen/items in samenwerking met de betrokken directeur opstelt) vastgelegd 8 administratieve functie : eventueel kleine praktische proef, items over administratieve zaken,... 8 Algemeen Directeur : Toetsen van de kandidaat aan de functiebeschrijving ”. Blijkbaar in antwoord op een vraag van R. Vandevenne, gewestelijk secretaris van de sector onderwijs van de ACOD, bij het onderdeel “interview” aanwezig te mogen zijn, beslist het college van directeurs van de scholengroep op 24 oktober 2000 : “Afgevaardigden van de vakbonden wonen de interviews niet bij (zie mail aan syndicale organisaties dd. 24.10.00)”. Bij schrijven van 27 oktober 2000 merkt de ACOD op dat die handelwijze strijdig is met artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Op 6 november 2000 beslist de algemeen directeur van de scholengroep bij hoogdringendheid dat : “het bijwonen, door een afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties, van de interviews die door de commissies worden georganiseerd met het oog op een advies aan de Raad van Bestuur van de SGR10 in verband met personeelsbewegingen, niet tot de prerogatieven van de representatieve vakorganisaties, zoals bedoeld in artikel 17, 3/ van de wet van 19 december 1974, behoort”. Op 29 november 2000 “sluit [de raad van bestuur van de scholengroep] zich volledig aan bij het door het CVD ingenomen standpunt in XII-4249-4\8 verband met de geschetste problematiek en bekrachtigt met unanimiteit de beslissing SG10/2000/061”; Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD), die een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is en in beginsel niet op ontvankelijke wijze een administratieve rechtshandeling voor de Raad van State kan bestrijden, haar statuten niet voorlegt; dat volgens haar bijgevolg niet kan worden nagegaan of verzoekende partij te dezen uitzonderlijk wel de Raad vermag te adiëren omdat niet kan worden nagegaan of de ACOD een beslissing genomen heeft om de bestreden beslissingen aan te vechten en niet wordt aangetoond dat R. Vandevenne op een geldige wijze de feitelijke vereniging ACOD kan vertegenwoordigen; dat zij ook opwerpt dat verzoekende partij noch persoonlijk noch functioneel belang kan aantonen bij de vordering; Overwegende dat een feitelijke vereniging bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid in beginsel niet op ontvankelijke wijze een handeling van een administratieve overheid voor de Raad van State kan bestrijden; dat het uitzonderlijk anders kan zijn wanneer de feitelijke vereniging door de overheid is erkend en bij de werking van een openbare dienst wordt betrokken; dat in de voorliggende zaak blijkt dat verzoekende partij een representatieve vakorganisatie is in de zin van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat artikel 17 van die wet de representatieve vakorganisaties onder meer toestaat “de prerogatieven van de erkende vakorganisaties uit [te] oefenen” en “aanwezig [te] zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke voor de personeelsleden worden georganiseerd, onverminderd de prerogatieven van de examencommissie”, dit onder de voorwaarden bepaald door de Koning; dat artikel 14, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 september 1974 tot uitvoering van genoemde wet iedere representatieve vakorganisa- tie het recht verleent “om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk examen of vergelijkend examen voor werving van personeelsleden, alsook in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden dat zij vertegenwoordigt”; dat in de voorliggende zaak de naleving van de genoemde prerogatieven van de verwerende partij in geschil zijn; dat zij voor de vrijwaring van haar prerogatieven voor de Raad van State in rechte kan treden én belang heeft; dat XII-4249-5\8 ook in dat geval deze vereniging in rechte dient te treden overeenkomstig haar statutaire bepalingen; dat verzoekende partij met haar memorie van wederantwoord ook haar statuten neerlegt en een uittreksel uit de notulen van de vergadering van het algemeen secretariaat van 1 december 2000 waarbij R. Vandevenne wordt aangeduid om de ACOD in de voorliggende procedure te vertegenwoordigen; dat het auditoraat na onderzoek van de neergelegde stukken besluit tot de ontvankelijkheid van het beroep; dat verwerende partij geen laatste memorie neerlegt; dat hieruit moet worden afgeleid dat zij geen reden meer ziet om de ontvankelijkheid te betwisten en verzaakt aan haar exceptie; Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van het reeds aangehaalde artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1974 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat zij argumenteert dat de “interviews” in de procedure tot rangschikking van kandidaten bij de personeelsbeweging PBW010101 onder het toepassingsgebied vallen van het artikel 14; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de bestreden beslissingen “geen examens, maar interviews” betreffen en dat een “interview” niet gelijk te stellen is met een examen; dat zij ter adstructie citeert uit het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van Dale, voor examen “onderzoek naar kennis en de kundigheden van iemand die naar een graad of betrekking dingt [...] door ondervraging, hetzij mondeling, of schriftelijk, of beide” en voor interview “gesprek tussen een verslaggever en een andere, meestal bekende persoon over zijn ervaringen bij een bepaalde gelegenheid of over zijn denkbeelden en opvattingen omtrent enig (actueel) vraagstuk of geheel van vraagstukken, met de bedoeling het vernomene in een dagblad of tijdschrift te publiceren, vraaggesprek”; dat volgens haar het interview, een vraaggesprek, geen onderzoek is naar kennis of kundigheden, dat in een examen men kan slagen of niet slagen en een vraaggesprek “dergelijke bedoeling in het geheel niet [heeft]”, XII-4249-6\8 Overwegende dat het artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 -en het artikel 17 van de wet van 19 december 1974 waarvan het een uitvoering is- het begrip examen hanteert in de ruime betekenis als een test of toets naar kennis en vaardigheden van een kandidaat voor een betrekking in overheidsdienst, waarbij het verder zonder belang is na te gaan welk soort examen aan de orde is -al dan niet vergelijkend, wervings- kwalificatie- of bevorderingsexamen- dan wel of het resultaat ervan al dan niet het bestuur bindt in zijn uiteindelijke beslissing; Overwegende dat het kwestieuze onderhoud met de kandidaten dat verwerende partij een “interview” noemt, daarom alleen geen “interview” is, in de zin van een gesprek met een bekende persoon over zijn opvattingen met de bedoeling het vernomene in een dagblad of tijdschrift te publiceren; dat het wel degelijk een beoordeling is, door mondelinge ondervraging, van de eigenschappen, capaciteiten en kundigheden van de betrokken kandidaten voor personeelsbewegingen, waarop punten worden gegeven - zelfs de helft van het totaal te geven punten; dat het met andere woorden een “examen” is volgens de definitie van Van Dale én in de ruime betekenis die het artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 er aan beoogt te geven; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden : - de beslissing van 24 oktober 2000 van het college van directeurs van de Scholengroep 10 dat de interviews bedoeld in de procedure tot rangschikking van kandidaten bij de “PBW010101” niet bijgewoond worden door afgevaardigden van de vakbonden, - de beslissing van 6 november 2000 van de algemeen directeur van de Scholengroep 10 dat “het bijwonen, door een afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties, van de interviews die door de commissies worden georganiseerd met het oog op een advies aan de Raad van Bestuur van de SGR10 in verband met de personeelsbewegingen, niet tot de prerogatieven van de representatieve vakorganisaties, zoals bedoeld in artikel 17, 3/ van de wet van 19 december 1974, behoort,” en XII-4249-7\8 - de bekrachtiging van voormelde beslissing van de algemeen directeur door de raad van bestuur van de Scholengroep 10 op 29 november 2000. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4249-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div