← België

Arrest 137952 - - 02/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.952 Rolnummer: A. 89914/XII-2492 Zaak: Arrest 137952 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 15:22 Fiche Arrest nr 137.952 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.952 van 2 december 2004 in de zaak A. 89.914/XII-

  1. In zake : de CVBA TRANSATLANTIC FILMS, die woonplaats kiest bij advocaat G. Ampe, kantoor houdende te Oostende, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de CVBA Transatlantic Films op 29 februari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van economie, ruimtelijke ordening en media van 9 december 1999 houdende toekenning van een premie na productie aan de BVBA Transatlantic Films voor de lange speelfilm “Camping Cosmos” van Jan Bucquoy; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; XII-2492-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Ampe, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. Honnay, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak.
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 20 februari 1995 dient verzoekende partij een aanvraagdossier in voor de toekenning door verwerende partij van een productiepremie voor de film “La vie sexuelle des belges, deel 2: Camping Cosmos”. Zij meent aldus in aanmerking te komen voor de subsidiëring, bedoeld bij de toenmalige artikelen 3 tot 10 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  5. 1.
  6. Luidens het artikel 10 van voormeld decreet adviseert een Vlaamse Audiovisuele Selectiecommissie over de subsidies. Op 28 maart 1995 geeft de selectiecommissie een voorlopig positief advies over de film. De selectie-commissie acht een herwerking van het scenario en van de begroting en het financieringsplan noodzakelijk. In dit advies is sprake van een budget van 52 miljoen frank met een Vlaams aandeel van 22 miljoen frank, waarbij de gevraagde subsidie acht miljoen frank bedraagt en de Vlaamse financiering vervolledigd zou worden door eigen inbreng, sponsoring en tussenkomsten van de VRT en Filmnet. 1.
  7. Op 5 mei 1995 deelt verzoekende partij een nieuw scenario en een nieuwe begroting en financieringsplan in. De gevraagde productiepremie is acht miljoen frank, terwijl de kostenraming 41,85 miljoen frank bedraagt. XII-2492-2/12 1.
  8. De selectiecommissie bevestigt op 30 mei 1995 haar voorlopig gunstig advies. Wel wordt opgemerkt, onder meer, dat de begroting is herleid tot 42 miljoen frank met een Vlaams aandeel van 18,25 miljoen frank, dat alle bedragen werden verminderd, behalve de gevraagde Vlaamse subsidie. Na van verzoekende partij verduidelijkingen te hebben gekregen adviseert de selectiecommissie op 28 juni 1995 om een productiepremie van 6,5 miljoen frank toe te kennen. 1.
  9. De Vlaamse regering beslist op 21 december 1995 tot niet- goedkeuring van het voorstel om een productiepremie toe te kennen en het bijbehorend ontwerp-besluit. 1.
  10. Bij arrest nr. 61.657 van 11 september 1996 wordt de weigeringsbeslissing van 21 december 1995 door de Raad van State vernietigd. 1.
  11. Op 26 november 1996 beslist de Vlaamse regering andermaal om de productiepremie te weigeren. 1.
  12. Ook dit tweede weigeringsbesluit wordt door de Raad van State vernietigd, bij arrest nr. 76.505 van 20 oktober
  13. 1.
  14. Partijen erkennen dat er vervolgens moeizame onderhandelingen plaats vonden. Pogingen tot minnelijke regelingen tussen de raadslieden van beide partijen, waarvan de inhoud vertrouwelijk is, lopen op niets uit. Volgens verwerende partij zou de toenmalig gedelegeerd bestuurder evenwel ingevolge rechtstreekse gesprekken met haar administratie tot een schikking en beëindiging van de betwisting bereid zijn, mits de Vlaamse Gemeenschap alsnog een premie van zes miljoen frank toekent. In ieder geval blijkt uit het administratief dossier dat op 8 januari 1999 een controle van de boekhouding is uitgevoerd, door een inspecteur van de afdeling Media & Film van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, voor het opstellen van de eindafrekening van de film Camping Cosmos, in aanwezigheid van de toenmalige gedelegeerd bestuurder en een aandeelhouder. Het inspectieverslag verwijst naar het arrest nr. 76.505 van de Raad van State en naar een “akkoord van de minister bij kabinetsnota 2/12/98 tot toekenning van een premie na productie aan de film ‘Camping Cosmos’”. Het standpunt van de inspectie luidt “dat de Vlaamse uitgaven - binnen de kostprijs van 48.962.019 fr. - 15.565.865 fr. bedroegen (komt overeen met 32 %)” en dat de eigen inbreng van “Transatlantic Films” bestaat uit XII-2492-3/12 participaties, eigen gelden en privé-investeringen, samen voor 28.937.019 fr of 60% van de kostprijs. 1.
  15. In een nota van 26 november 1999 aan de Vlaamse minister van economie, ruimtelijke ordening en media, meldt de directeur-generaal van de afdeling Media en Film van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap volgend voorstel : “Naar aanleiding van de uitspraak van 12 januari 1997 door de Raad van State werd beslist een procedure tot minnelijke schikking op te starten. Deze procedure resulteerde uiteindelijk in een subsidievoorstel van 6.000.000 fr., intresten inbegrepen. Uitgangspunt hiervoor was de controle van de eindafrekening van de film 'Camping Cosmos' (Cfr. Verslag als bijlage) waaruit bleek dat de definitieve Vlaamse uitgaven slechts 15,5 mio fr. bedroegen i.p.v. 20,4 mio fr. in het oorspronkelijke project. Aangezien de oorspronkelijke voorgestelde premie 32% van de Vlaamse uitgaven bedroeg (6,5 mio op 20,4 mio) wordt voorgesteld een subsidie a rato van 32% toe te kennen d.w.z. 15,5 mio aan 32% geeft 4,960 mio fr. of afgerond 5 mio fr vermeerderd met de intresten geeft afgerond 6 mio fr. De uitvoering hiervan wordt geregeld door het toekennen van een premie na productie. De premie na productie zal worden aangerekend op de kredieten van basisallocatie 99.11, programma 72.1 van het Fonds Film in Vlaanderen voor het begrotingsjaar
  16. De uitbetaling van deze premie wordt afhankelijk gesteld van een getekende overeenkomst tussen de advocaten van de betrokken partijen waarbij afgezien wordt van verdere eisen en juridische stappen. Deze overeenkomst wordt op dit ogenblik gefinaliseerd. Indien de heer minister het met dit voorstel eens is, moge ik hem verzoeken het bijgaand ontwerp van ministerieel besluit te willen ondertekenen, na gunstig advies van de heer Inspecteur-generaal van Financiën en na akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting”. 1.
  17. Op 17 december 1999 neemt de minister van economie, ruimtelijke ordening en media het ministerieel besluit houdende toekenning van een premie na productie aan de bvba Transatlantic Films voor de lange speelfilm “Camping Cosmos” van Jan Bucquoy, waarin wordt besloten wat volgt : “Art.
  18. §
  19. Een premie na productie van 6.000.000 fr. (zes miljoen frank) wordt toegekend aan de BVBA Transatlantic Films, Quinauxstraat 46 - 1030 Brussel. §
  20. De lange speelfilm 'Camping Cosmos', in een regie van Jan Bucquoy is een audiovisuele coproductie die wordt erkend als behorende tot een land of deelgebied dat deel uitmaakt van de Raad van Europa. §
  21. De premie na productie dient te worden aangerekend op programma 72.1, basisallocatie 99.11 van het Fonds Film in Vlaanderen, hierna het Fonds te noemen, van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar
  22. De premie wordt toegekend op basis van de definitief aanvaarde kostprijs van de productie. XII-2492-4/12 Art.
  23. De premie na productie wordt gestort op rekeningnummer 750-9360310-65 van BVBA Transatlantic Films, Quinauxstraat 46 - 1030 Brussel. De premie na productie wordt uitbetaald na de indiening van een ondertekende overeenkomst, uitgewerkt door de advocaten van beide partijen, waarbij afstand gedaan wordt van alle verdere aanspraken op subsidie schadevergoeding, intresten of wat dan ook en wanneer een kopie van de film, analoog aan de originele drager wordt geleverd. Het gebruik van deze film door het ministerie mag niet strijdig zijn met de rechten van de rechthebbenden”. 1.
  24. Op 1 december 1999 wordt een wijziging doorgevoerd in de samenstelling van de raad van bestuur van verzoekende partij. Onder meer wordt het ontslag aanvaard van de toenmalige gedelegeerd bestuurder. Op 17 januari 2000 geeft verwerende partij kennis van het ministerieel besluit van 17 december 1999 aan verzoekende partij. Het nieuw samengestelde bestuur beslist op 16 februari 2000 om het huidige beroep in te stellen. Op 28 februari 2000 maant zij de Vlaamse regering aan “tot het nemen van een nieuwe beslissing, terzake de oorspronkelijk aangevraagde produktiepremie, terwijl er verder wordt gesommeerd de kennelijk onwettige beslissing van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media die werd genomen met schending van de uit de annulatie-arresten volgende onthoudingsverplichting, in te trekken”, waarbij zij preciseert dat dit schrijven “geldt zodoende als formele aanmaning, bij toepassing van art 36 § 1 Raad van State-wet” en zij herinnert aan de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken een dwangsom op te leggen. Op 29 februari 2000 wordt voorliggend annulatieberoep bij de Raad van State neergelegd. Nadien is geen vordering tot toekenning van een dwangsom meer ingesteld; Over de ontvankelijkheid van het beroep.
  25. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep tegen een begunstigende beslissing als de voorliggende, omdat zij niet kan aantonen na nietigverklaring een nog voordeliger beslissing te kunnen verkrijgen; dat in het auditoraatsverslag omstandig wordt uiteengezet dat verzoekende partij meent aanspraak te maken op een hogere premie, dat zij er belang bij heeft om zoveel mogelijk subsidies te ontvangen en dat de enkele kans op een voordeliger besluit die verzoekende partij bij een eventuele vernietiging verwerft volstaat; dat verwerende partij hierop in de laatste memorie niet antwoordt, maar omtrent de ontvankelijkheid enkel verwijst naar haar memorie van antwoord; dat de Raad het verslag bijtreedt; dat de exceptie wordt verworpen; XII-2492-5/12 Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  26. Overwegende dat verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepalingen tot coördinatie van het Vlaams audiovisueel beleid (hierna: het filmbeleidbesluit), doordat de minister heeft beslist een premie na productie toe te kennen zonder het advies in te winnen van de bevoegde selectiecommissie terwijl een afzonderlijke productiepremie voor de postproductie slechts kan worden toegekend mits gunstig advies van de Commissie; dat zij toelicht oorspronkelijk een productiepremie te hebben aangevraagd voor de preproductie, de opnames en de postproductie waarover het advies is ingewonnen van de selectiecommissie, dat de minister in opdracht van de Vlaamse regering na de arresten van de Raad van State thans een “afzonderlijke produktiepremie, uitsluitend voor de postproduktie” heeft toegekend en dat de verwerende partij daarbij over het hoofd heeft gezien “dat dergelijke postproduktie uitsluitend kan worden toegekend, na het vragen van een nieuw advies van de Commissie, dat gunstig dient te zijn”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord onder meer repliceert dat het middel uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 5 van het filmbeleidbesluit, dat geen “premie na productie” kent als een bijzondere premie naast de productiepremie voor preproductie, opnamen en postproductie; dat zij betoogt dat met het bestreden besluit “de gewone productiepremie, bedoeld in artikel 5 [is] toegekend”; Overwegende dat verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in haar uiteenzetting in het verzoekschrift; dat zij echter wenst “haar toelichting wat te verduidelijken” in dier voege dat zij niet zozeer de postproductie bedoelde “als wel de afgewerkte audio-visuele produktie”: de “premie na produktie is met andere woorden overduidelijk een premie voor een afgewerkte audiovisuele produktie”; dat thans verzoekende partij “met de verwerende partij [aanneemt] dat de premie na produktie geen postproduktiepremie is”; dat zij niettemin volhardt dat artikel 5, derde lid, van het filmbeleidbesluit voorschrijft dat “dergelijke afzonderlijke premie voor een afgewerkte audio-visuele produktie, hetzij een premie na produktie, [...] uitsluitend [kan] worden toegekend mits een afzonderlijk gunstig advies van de commissie”; XII-2492-6/12 Overwegende dat verzoekende partij in de laatste memorie nog argumenteert dat het bestreden ministerieel besluit geen antwoord is op haar oorspronkelijke aanvraag, dat de terminologie “premie na productie” enkel kan slaan op een ander voorwerp, dat ten tijde van de vorige beslissing van de Vlaamse regering op 26 november 1996 de film reeds in roulatie was geweest maar toen geen sprake was van “premie na productie”, dat huidig besluit is genomen door een ander “orgaan”, namelijk de minister en niet de voltallige regering en dat de toevoeging van het woord “subsidies” in artikel 2, tweede lid, van het bestreden besluit zonder voorwerp zou zijn binnen het standpunt dat verwerende partij verdedigt; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat verzoekende partij ook na de door haar gegeven “verduidelijking” uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 5 van het filmbeleidbesluit; dat zij voorts documenten neerlegt, uitgaande van verzoekende partij zelf en door haar neergelegd in de vorige procedures voor de Raad, waaruit blijkt dat de film op 26 november 1996 nog niet in roulatie was gebracht; 3.1.
  27. Overwegende dat het aangevoerde artikel 5 van het toentertijd geldende filmbeleidbesluit luidt : “Art.
  28. Aan audiovisuele producties of coproducties bedoeld in artikel 6, §1, van het decreet kan een productiepremie voor de preproductie, de opnamen en de postproductie worden toegekend nadat het advies van de Commissie is ingewonnen. Voor langspeelfilms omvat de productiepremie eveneens een subsidie voor de promotie- en distributiekosten. Mits gunstig advies van de Commissie kunnen ook afzonderlijke productiepremies voor de preproductie, de postproductie alsmede voor de afgewerkte audiovisuele producties worden toegekend. Een aanvraag voor een productiepremie wordt ingediend door een onafhankelijk producent. Een productiepremie wordt vastgesteld en toegekend door de Vlaamse ministers, bevoegd voor cultuur en voor het economisch beleid. Het toekenningsbesluit bepaalt de modaliteiten voor de uitbetaling, voor de terugbetaling indien de eigen inbreng van de producent is gerealiseerd en voor de gehele of gedeeltelijke terugvordering van de productiepremie indien de criteria op basis waarvan de toekenning gebeurde niet worden gerespecteerd”; XII-2492-7/12 Overwegende dat verzoekende partij niet beweert, ooit overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 3 van het filmbeleidbesluit een aanvraag bij het bestuur Media van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te hebben ingediend voor het verkrijgen van een premie “voor de afgewerkte audiovisuele producties” als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het filmbeleidbesluit; dat zij in haar memories integendeel stellig verklaart nooit dergelijke premie te hebben gevraagd; dat de Raad niet ziet hoe eerst de selectiecommissie zou kunnen of mogen adviseren en vervolgens de verwerende partij zich zou kunnen of mogen uitspreken over een aanvraag die niet aan haar is gericht; dat blijkens het feitenrelaas verzoekende partij wél een aanvraag voor een productiepremie heeft ingediend die tot tweemaal toe door verwerende partij is geweigerd; dat uit het bestreden besluit en de er aan voorafgaande nota van de administratie Film en Media blijkt, eensdeels, dat de uiteindelijk toegekende premie door de verwerende partij is opgevat als het rechtsherstel ingevolge de nietigverklaring door de Raad van State van de eerdere weigeringen en, anderdeels, dat het toegekende bedrag is berekend aan de hand van de werkelijk door de administratie aangenomen uitgaven na inspectie van de boekhouding, met interesten en naar boven afgerond; dat het een en het andere ervan doet blijken dat de verwerende partij met het thans bestreden ministerieel besluit zich heeft uitgesproken over de oorspronkelijke aanvraag van verzoeker; dat het woordgebruik “na productie”, term zonder definitie in het filmbeleidbesluit, wijst op het feit dat de premie inderdaad werd toegekend, op basis van de initiële en enige aanvraag van verzoekende partij waarover ingevolge die nietigverklaringen opnieuw beslist moest worden, maar dan op een ogenblik dat de film al geproduceerd was en zelfs al in roulatie was gekomen, reden ook waarom de premie zoals gezien berekend kon worden op basis van de definitief aanvaarde kostprijs en geen voorwaarden als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van het filmbeleidbesluit inzake terugbetalingen en controle van de definitieve kosten dienden te worden opgelegd; dat deze conclusie niet wordt tegengesproken omdat voorliggend besluit uitgaat van de minister en niet van de regering, nu dit volgt uit de hoogte van het bedrag van de toegekende premie; dat immers verzoekende partij niet betwist dat de minister voor een bedrag van zes miljoen frank alleen mocht handelen; dat voorts alleen reeds de door verwerende partij neergelegde documenten aantonen dat ook de vergelijking met het eerdere besluit van 26 november 1996 feitelijke grondslag mist; dat tenslotte de opgelegde voorwaarde in artikel 2 niet noodzakelijk inhoudt dat er volgens het bestuur nog een andere aanvraag is maar in casu duidelijk refereert aan mogelijke aanspraken op basis van de enige ingediende aanvraag op, bijvoorbeeld, een hoger bedrag, en aanspraken op schadevergoeding wegens de eerdere weigeringen; dat het middel faalt in feite; XII-2492-8/12 3.2.
  29. Overwegende dat verzoekende partij in een tweede middel de machtsafwending aanvoert, doordat de Vlaamse minister van economie, ruimtelijke ordening en media heeft beslist dat de premie na productie pas kan worden uitbetaald na de indiening van een ondertekende overeenkomst, uitgewerkt door de advocaten van beide partijen, waarbij afstand gedaan wordt van alle verdere aanspraken op subsidie, schadevergoeding, intresten of wat dan ook, terwijl de toekenning van “een andere soort premie als deze die het voorwerp uitmaakt van de oorspronkelijke aanvraag [...] uiteraard enkel kan mits daartoe een nieuwe aanvraag zou zijn gebeurd uitgaande van verzoekster”; dat zij nog toelicht dat “ook al [kan] worden aangenomen dat het tot de bevoegdheid zou behoren van de Minister een premie na produktie toe te kennen, zonder een specifieke aanvraag, dan weze het in elk geval duidelijk dat die bevoegdheid wordt afgewend van haar eigenlijk doel, door het opleggen van het vereiste van een voorafgaande afstand onder de vorm van een dadingsovereenkomst”; Overwegende dat volgens verwerende partij niet valt in te zien hoe, door het transactioneel toekennen van een premie die hoger is dan het Vlaamse aandeel in de werkelijke kosten, machtsafwending wordt begaan; Overwegende dat verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in haar uiteenzetting, en “in fine” nog opmerkt dat de Vlaamse minister voor economie “niet eens bevoegd is om dergelijke beslissing te nemen” omdat artikel 5 van het filmbeleidbesluit uitdrukkelijk een beslissing vereist van de ministers bevoegd voor cultuur en economisch beleid; 3.2.
  30. Overwegende dat reeds bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat het bestreden besluit geen uitspraak doet over een premie die niet is aangevraagd, maar wel degelijk beslist over de initiële aanvraag; dat het tweede middel bijgevolg vertrekt van het verkeerde uitgangspunt; dat het tweede middel zoals het in het inleidend verzoekschrift is aangebracht feitelijke grond mist; Overwegende, wat de beweerde machtsafwending betreft, en zelfs aangenomen dat hiermee een afzonderlijk of in ondergeschikte orde aangevoerd middel of middelonderdeel zou zijn beoogd, dat wie machtsafwending aanvoert, daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens moet aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd; dat daarenboven, opdat van machtsafwending sprake XII-2492-9/12 kan zijn, het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing moet zijn geweest; dat de in het ministerieel besluit opgenomen voorwaarden passen in het kader van het door verwerende partij nagestreefde rechtsherstel na de gerezen juridische geschillen, met het oogmerk aan die geschillen een definitief einde te stellen; dat verzoekende partij een andere mening kan hebben over het meest adequate rechtsherstel; dat zij ook kan menen dat het bestuur onwettig handelt door dergelijke voorwaarden op te leggen; dat zij die mening in de laatste memorie effectief ook neerschrijft; dat zij alsdan evenwel niet machtsafwending, die bij definitie het misbruik van een aan het bestuur wél toegekende bevoegdheid veronderstelt, maar machtsoverschrijding aan de orde stelt, en zulks ratione temporis te laat; dat er geen aanleiding bestaat tot verwijzing van de zaak naar de algemene vergadering op grond van machtsafwending; 3.3.
  31. Overwegende dat ook hetgeen verzoekende partij in fine van haar memorie van wederantwoord over de onbevoegdheid van de betrokken minister aanvoert een nieuw middel is; dat het evenwel ontvankelijk is, nu het de openbare orde raakt; dat zij in de laatste memorie ter adstructie van dit middel nog een tekstargument haalt uit artikel 5, vijfde lid, van het filmbeleidbesluit dat de handtekening vereist van “ministers”, dus van twee ministers behoudens voor het geval de bevoegdheden van cultuur en economisch beleid zouden samenvallen in één en dezelfde persoon, terwijl in casu enkel de minister van economie heeft getekend; 3.3.
  32. Overwegende dat de culturele bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap zijn opgesomd in artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en het economisch beleid wordt vermeld als gewestaangelegenheid in artikel 6, § 1, V, van dezelfde bijzondere wet; dat evenwel uit de artikelen 68 en 69 van dezelfde bijzondere wet volgt dat de verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering uitsluitend een zaak is van die regering, zodat de in artikel 4 van de bijzondere wet opgesomde culturele aangelegenheden niet ipso facto behoren tot de portefeuille van het lid van de regering dat de titulatuur heeft van minister van cultuur; dat het gebruik van het meervoudswoord “ministers” in artikel 5, vijfde lid, van het filmbeleidbesluit ook niet vermag te verhinderen dat de Vlaamse regering de bevoegdheden voor cultuur en voor het economisch beleid op een gegeven ogenblik geheel, zoals verzoekende partij erkent, maar ook gedeeltelijk zou toewijzen aan een en hetzelfde lid van de regering; XII-2492-10/12 Overwegende dat het middel derhalve moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse regering ten tijde van het bestreden ministerieel besluit; dat toentertijd die bevoegdheidsverdeling tussen de leden van de regering was geregeld in het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (hierna: bevoegdhedenbesluit); Overwegende dat de minister die het bestreden besluit ondertekend heeft, luidens artikel 12 van laatstgenoemd bevoegdhedenbesluit bevoegd is voor het mediabeleid en luidens artikel 28, 15/, van hetzelfde besluit belast is met het bestuur van of het inhoudelijk toezicht op het Fonds Film in Vlaanderen; dat dit Fonds luidens het meervermeld decreet van 22 december 1993 een rechtspersoon is van de categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 en bijgevolg onderworpen is aan het gezag van de minister van wie het afhangt; dat het Fonds instaat voor de financiering van audiovisuele producties en coproducties die in aanmerking komen voor subsidiëring en de productiepremies uitbetaalt op basis van een eigen begroting opgemaakt door de minister van wie het afhangt; dat uit die bevoegdheidstoewijzing dan ook blijkt dat ten tijde van het bestreden ministerieel besluit de bevoegdheid, wat de culturele aangelegenheden betreft, voor de toekenning van de productiepremies die door het Fonds gefinancierd worden, behoorde tot de minister van mediabeleid; dat diezelfde minister overigens ook luidens artikel 12 van het bevoegdhedenbesluit bevoegd was voor het economisch beleid zoals vermeld in artikel 6, § 1, VI, 1/ en 5/ van de bijzondere wet en op grond van die aanwijzing het besluit óók diende te tekenen; dat de administratie Media en Film alleszins terecht op 29 november 1999 het ontwerpbesluit heeft voorgelegd aan de minister van mediabeleid; dat met het bestaan van die nota ook vaststaat dat die minister zijn handtekening heeft gezet in zijn hoedanigheid van mediaminister; dat het middel ongegrond is, XII-2492-11/12 BESLUIT: Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2492-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.