id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.955 Rolnummer: A. 71656/VII-14798 Zaak: Arrest 137955 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 15:23 Fiche Arrest nr 137.955 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.955 van 2 december 2004 in de zaak A. 71.656/VII-14.
- In zake : de V.O.F. ROPALUIN, die woonplaats kiest bij Advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan 168 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de V.O.F. ROPALUIN op 16 oktober 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van leefmilieu en tewerkstelling van 17 juli 1996 houdende bevestiging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 23 december 1992 waarbij haar de vergunning tot uitbreiding van haar varkensbedrijf gevestigd te Zedelgem (Aartrijke), Krinkelweg 4, gedeeltelijk werd geweigerd en gedeeltelijk werd toegestaan; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 10 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-14.798-1/4 Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004, op welke datum de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 14 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. VAN WELKENHUYSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De verzoekende partij exploiteert een inrichting (1 stal) gelegen te Zedelgem (Aartrijke), Krinkelweg 4, perceel nr. 671b, sectie A van het kadaster, die vergund is (ARAB) voor : - 2.010 varkens (250 zeugen, 1.760 mestvarkens); - 9 voedersilo's (totaal 100 ton); - 10.000 liter ondergrondse mazoutopslag; - 5.000 m³ opslagplaats voor dierlijke mest. Zij dient op 27 september 1990 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een aanvraag in met het oog op het uitbreiden van de vergunde varkenshouderij met 138 zeugen en 340 mestvarkens, dit bij wijze van regularisatie, met als nieuw totaal : 388 zeugen en 2.100 mestvarkens, en tevens met het oog op het omvormen van de inrichting door het huisvesten van de dieren in vier stallen in plaats van in één grote stal. Deze aanvraag wordt op 23 december 1992 geweigerd wat betreft de gevraagde uitbreiding, en toegestaan wat betreft de omvorming van de inrichting tot vier stallen. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij met een op 25 januari 1993 aangetekend verzonden verzoek beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. VII-14.798-2/4 Naar aanleiding van deze beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen : - de Administratie Gezondheidszorg op 30 augustus 1993 : ongunstig; - het bestuur voor Ruimtelijke Ordering op 28 februari 1994 : gunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij op 10 mei 1996 : ongunstig; - de afdeling Milieuvergunningen op 13 juni 1996 : ongunstig. Op 17 juli 1996 neemt de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu de bestreden beslissing houdende de bevestiging van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen;
- De ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de basisvergunning waarop de in het geding zijnde uitbreiding betrekking heeft is verstreken sedert 20 augustus 2002; Overwegende dat, gelet op voornoemd gegeven, aan de verzoekende partij werd gevraagd of zij meent nog belang te hebben bij het beslechten van haar beroep en in bevestigend geval om dat belang te staven; Overwegende dat de verzoekende partij met een brief van 1 oktober 2004 de Raad van State laat weten dat zij van oordeel is nog belang te hebben bij het beslechten van de zaak aangezien de basisvergunning, die verstreek op 20 augustus 2002, werd hernieuwd voor twintig jaar; Overwegende dat uit het feit dat de basisvergunning waarop de gevraagde omvorming betrekking had verstreken is, noodzakelijkerwijze voortvloeit dat, na een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State, de verwerende partij alleen de aanvraag zou kunnen afwijzen bij gebrek aan een voorwerp; dat dit principe met betrekking tot de milieuvergunning wordt verwoord in artikel 30, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), dat bepaalt dat de vergunning voor de verandering van een inrichting verleend wordt voor een bepaalde duur waarvan de einddatum deze van de lopende vergunning niet mag overschrijden; dat een vernietigingsarrest er niet toe kan leiden dat aan de verzoekende partij alsnog de gevraagde vergunning wordt verleend; dat, zo de verzoekende partij de door haar gewenste verandering van haar vergunning wenst te verkrijgen, het noodzakelijk is dat zij daartoe een nieuwe vergunningsaanvraag indient; dat dienvolgens de VII-14.798-3/4 verzoekende partij niet meer over het vereiste actueel belang bij de gevorderde vernietiging beschikt; Overwegende dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, en gelet op het feit dat het beroep initieel niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond was, het gepast voorkomt de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.798-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.