id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.956 Rolnummer: A. 80850/VII-17307 Zaak: Arrest 137956 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 15:23 Fiche Arrest nr 137.956 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.956 van 2 december 2004 in de zaak A. 80.850/VII-17.
- In zake : de n.v. INTERNATIONAAL TRANSPORT GILBERT DE CLERCQ, die woonplaats kiest bij Advocaat E. DE RIDDER, kantoor houdende te DENDERMONDE, Hekkenhoek 5 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. INTERNATIONAAL TRANSPORT GILBERT DE CLERCQ op 26 oktober 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 augustus 1998 waarbij haar beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 2 maart 1998, houdende de weigering aan de verzoekende partij van de milieuvergunning voor het uitbreiden van een transportbedrijf, gelegen op de percelen kadastraal bekend onder Sint-Niklaas Afd. 6, sectie A, perceelnummers 465/a, 466, 467/l, 467/m, 467/n, 551/e, 551/h, 551/k aan de Krekelstraat 43 te Sint-Niklaas, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; VII-17.307-1/12 Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN DOOREN die, loco Advocaat E. DE RIDDER verschijnt voor de verzoekende partij, en van Bestuurssecretaris-jurist G. NEIRYNCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij exploiteert een transportbedrijf aan de Krekelstraat 43 in Sint-Niklaas. De inrichting ligt voor het grootste deel in agrarisch gebied, en voor de rest in woongebied met landelijk karakter. 1.
- Op 17 maart 1986 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas een exploitatievergunning (ARAB-regime) voor een transportbedrijf met werkplaats, een garage voor 13 voertuigen, en de opslag van 20.000 liter mazout, voor een termijn van twintig jaar. Op 22 februari 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen een vergunning voor de uitbreiding met het stallen van 14 voertuigen, met een wasplaats voor minder dan 10 voertuigen per dag, voor de opslag van 40.000 liter mazout, voor een mazoutverdeelpomp, en voor het lozen in oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater van een woning, van sanitaire voorzieningen en van de car-wash. VII-17.307-2/12 Op 10 april 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen een vergunning voor de uitbreiding met het stallen van nog eens 23 voertuigen (totaal wordt 50), de opslag van 4.500 liter afvalolie, de opslag van 440 liter schadelijke, corrosieve en/of irriterende stoffen, de opslag van 250 liter licht ontvlambare vloeistoffen, de opslag van 2.500 liter mazout, de opslag van 20 ton hout en de opslag van 50 m³ dierlijke mest (van paarden). Een op 1 september 1997 verleende milieuvergunning voor het verhogen van de capaciteit van de car-wash en voor een waterzuiveringsinstallatie wordt door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen in beroep geweigerd op 22 januari
- De verzoekende partij dient daartegen een annulatieberoep in. Het beroep wordt bij arrest nr. 133.261 van 29 juni 2004 verworpen omdat de verzoekende partij, gelet op het feit dat de milieuvergunning van rechtswege is vervallen door de weigering in laatste aanleg van de eraan gekoppelde bouwvergunning, geen actueel belang meer had. 1.
- Intussen heeft de verzoekende partij nog een andere aanvraag tot uitbreiding ingediend. Ze vraagt de uitbreiding met het stallen van 30 vrachtwagens (tot in totaal 80), met de opslag van 500 ton houten paletten, en met de opslag van 600 ton papier. Op 2 maart 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde uitbreiding. Als motivering voor de weigering wordt onder meer overwogen dat de bedrijfsactiviteiten nagenoeg volledig in het agrarisch gebied gebeuren en dat zij niet in overeenstemming zijn met de bestemming van dat gebied. 1.
- De verzoekende partij tekent administratief beroep aan tegen deze beslissing. Zij betoogt wat volgt : "Het weigeringsbesluit is voornamelijk gesteund op de planologische ligging van de exploitatie in agrarisch gebied/woongebied met landelijk karakter. De gevraagde uitbreiding sluit aan bij de normale groei van het door cliënt uitgebate bedrijf, waarvan de basisvergunning op 17.03.1986 werd toegekend voor een termijn van twintig jaar (tot 16.03.2006) en waarop reeds uitbreidingen werden toegestaan. De laatste uitbreiding werd vergund bij besluit van 10.04.
- Indien men oordeelt dat het bedrijf zonevreemd is dan kan dit enkel consequenties hebben voor de basisvergunning en voor de beoordeling die moet worden gemaakt op het ogenblik van het verstrijken van deze vergunning. Het is kennelijk onredelijk om te oordelen dat een transportbedrijf met vijftig vrachtwagens wel kan vergund worden ondanks de bestemmingsplannen, terwijl een relatieve uitbreiding met bijkomende opslag en bijkomende vrachtwagens plots wel onverenigbaar zou zijn met deze ligging. Er is geen enkel VII-17.307-3/12 objectiveerbaar criterium op basis waarvan de vergunnende overheid haar gewijzigde houding zou kunnen motiveren. De verwijzing naar de hinder die zou voortkomen uit de exploitatie voldoet in dit opzicht niet, vermits deze hinder ook reeds voortkomt uit de vergunde exploitatie, terwijl nergens is aangetoond dat het vergunnen van de gevraagde uitbreiding deze hinder plots een drempeloverschrijding zou inhouden in die mate dat De overheid is ertoe gehouden om in haar beleid een minimale rechtszeker- heid aan te houden, derwijze dat vergunning. Een redelijke beslissing in deze impliceert dat men de gevraagde uitbreiding zou vergunnen, welke uitbreiding desgevallend kan worden gekoppeld aan de termijn van de nog lopende vergunning". Volgende adviezen worden verleend : - AMINAL Milieuvergunningen, buitendienst Oost-Vlaanderen, adviseert ongunstig, omwille van de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften en omwille van het brandgevaar; - AROHM adviseert ongunstig, omwille van de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften; - de Provinciale Milieudeskundige adviseert ongunstig, omwille van de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften, omwille van het risico op bodem- en grondwaterverontreiniging, omwille van het brandgevaar, en omwille van het ontbreken van gegevens betreffende eventuele geluidshinder; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig en motiveert het als volgt : "De Commissie stelt vast dat het transportbedrijf planologisch strijdig is met de bestemming agrarisch gebied (volgens het gewestplan). De bestendige deputatie weigerde reeds op 22-01-1988 in beroep een uitbreiding wegens de strijdigheid met het agrarisch gebied. De vrachtwagens staan op de naakte bodem. Gelet op het grote wagenpark is een vloeistofdichte verharding vereist, teneinde bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. De plaatselijke brandweerdienst adviseerde ongunstig, omdat de exploitant nog niet voldeed aan de in 1993 geformuleerde maatregelen van de brandweer. Het dossier bevat geen informatie om de geluidshinder (warmdraaien, op- en afrijden) te evalueren. De commissie adviseert ONGUNSTIG omwille van de hogervermelde planologische onverenigbaarheid (strijdig met de agrarische bestemming van het gebied) en de milieuhygiënische tekortkomingen". Op 27 augustus 1998 wordt de bestreden beslissing genomen, de vergunning wordt geweigerd. De motivering gaat als volgt : VII-17.307-4/12 "(...) Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan gelegen is in agrarisch gebied waarvoor art. 11.4.
- van het KB van 28-12-1972 van toepassing (is); dat de inrichting strijdig is met de bestemming van het gebied; Overwegende dat de vrachtwagens op de naakte bodem staan; dat door het ontbreken van een vloeistofdichte verharding op de parking en door het grote aantal vrachtwagens dat er maximaal kan staan
(80), bodem- en grondwaterverontreiniging kan ontstaan; Overwegende dat door de opslag van de betrokken hoeveelheden papier en hout er een verhoogd brandrisico is; dat door de Stedelijke Brandweer op 20-01-1998 een ongunstig advies werd uitgebracht; dat de exploitant zelfs nog niet voldaan heeft aan de in het brandweeradvies van 28-01-1993 opgelegde maatregelen, in het kader van een vorige vergunningsaanvraag; Overwegende dat het op- en afrijden van de parking en het warmdraaien van de vrachtwagens geluidshinder kan veroorzaken; dat volgens art. 5.15.0.
- Vlarem II rustverstorende activiteiten verboden zijn tussen 19 u en 7 u en dat de exploitant de nodige maatregelen dient te treffen om de buurt niet te hinderen door geluid of trillingen; dat over het mogelijk tijdstip van vertrek en aankomst en de hoeveelheid voertuigen die dagelijks op- en afrijden geen informatie gegeven wordt; dat de parking bovendien op minder dan 50 m van een bestaande woning ligt, zodat deze in strijd is met art. 5.16.0.
- par. 2, 3/ Vlarem II; dat nergens sprake is van alternatieve maatregelen; Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn (bv. vanwege de belangrijkheid van de woonfunctie; vanwege de kwetsbaarheid van de bodem), een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting planologisch en milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden (...)";
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van "de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals geconcretiseerd in het evenredigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing in hoofdorde is gemotiveerd door te verwijzen naar het feit dat de gevraagde uitbreidingen planologisch niet te verantwoorden zijn en volstrekt onverenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening en milieuhygiëne/ terwijl de hoofdactiviteit van verzoekster wel werd vergund (basisvergunning tot 2006); terwijl van een goed bestuur mag worden verwacht dat wanneer ze aan een rechtsonderhorige een vergunning verleent voor de exploitatie van een middelgroot transportbedrijf met vijftig voertuigen, en zich bij het afleveren van deze basisvergunning kennelijk niet belemmerd weet door de planologische en milieuhygiënische verenigbaarheid met de omgeving, deze rechtsonderhorige er ook van mag uitgaan dat afgeleide vergunningen, welke noodzakelijk zijn voor een normale uitbating van de hoofdactiviteit, door deze zelfde overheid zullen worden vergund"; VII-17.307-5/12 dat zij het middel verder toelicht als volgt : "(...) het komt inderdaad onbegrijpelijk voor dat verzoekster wel wordt vergund voor het exploiteren van een transportbedrijf met dergelijke omvang, waarbij men de gestage groei van het bedrijf van verzoekster steeds heeft blijven aanmoedigen en men haar steeds de gevraagde vergunningen heeft afgeleverd, terwijl plots een afgeleide vergunning voor uitbreiding gaat weigeren. Een dergelijke weigering is kennelijk onredelijk. Indien men oordeelt dat het bedrijf zone-vreemd is dan kan dit enkel consequenties hebben voor de basisvergunning en voor de beoordeling die moet worden gemaakt op het ogenblik van het verstrijken van deze vergunning. Op heden is verzoekster vergund voor de uitbating van een dergelijk transportbedrijf en dan moet men die exploitatie, mits alle mogelijke milieuhinder wordt opgevangen met de beste, voorhanden zijnde technieken, ook mogelijk maken. De gevraagde uitbreiding behelst niet meer dan een verderzetten van een gestage expansie van het bedrijf van verzoekster, welke expansie in het verleden steeds werd vergund"; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daarop volgend verweer voert : "Ten eerste dient te worden vastgesteld dat de basisvergunning verleend werd door het College van Burgemeester en Schepenen van Sint-Niklaas en dat nooit enige vergunning werd verleend door de Bestendige Deputatie. Integendeel, reeds op 22-01-1998 werd door de Bestendige Deputatie de milieuvergunning geweigerd voor een uitbreiding voor dezelfde inrichting om planologische redenen. Het valt dan ook niet in te zien hoe de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur zou schenden. Daarnaast kan een vergunning die verleend werd met schending van de bindende bepalingen van het gewestplan er geenszins toe leiden dat de uitbreiding dan ook maar dient toegestaan te worden. De basisvergunning verleend door het College van Burgemeester en Schepenen -en dit in strijd met het gewestplan- bindt de Bestendige Deputatie er geenszins toe om dezelfde schending te tolereren. Het eerste middel is dan ook volkomen ongegrond"; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog volgende repliek geeft : "(...) De verwerende partij concludeert al te gemakkelijk dat de basisvergunning werd verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Sint-Niklaas en dat de Bestendige Deputatie bijgevolg in geen enkel opzicht kan gebonden zijn door dergelijke van het Gewestplan afwijkende basisvergunning. Deze redenering gaat manifest in tegen het beginsel van eenheid van bestuur en tegen het feit dat zowel het CBS als de Bestendige Deputatie bij de uitoefening van hun bevoegdheden in het kader van het Milieuvergunningsdecreet en de VLAREA onder bestuurlijk toezicht staan van het Vlaams Gewest"; VII-17.307-6/12 2.1.
- Overwegende dat blijkens de uiteenzetting van het middel de verzoekende partij beoogt een schending aan te voeren van het vertrouwens- of continuïteitsbeginsel in plaats van het "evenredigheidsbeginsel"; dat de verwerende partij terecht opwerpt dat zij als beroepsorgaan niet gehouden kan zijn door in het verleden door het college van burgemeester en schepenen genomen beslissingen; dat daarenboven nergens in het verzoekschrift de verzoekende partij betwist dat haar inrichting strijdig is met de gewestplanbestemming agrarisch gebied, hetgeen in casu een decisief weigeringsmotief uitmaakt; dat het vertrouwens -of het continuïteitsbe- ginsel nooit tot gevolg kan hebben dat de vergunningverlenende overheid de bindende gewestplanvoorschriften vermag naast zich neer te leggen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van "de motiveringsverplichting zoals uitdrukkelijk opgelegd door de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het decreet van 23.10.1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering en art. 30 van VLAREM I, doordat verweerster in het bestreden besluit de beroepsgrieven van verzoekster enkel opsomt doch niet bespreekt en nog minder weerlegt; terwijl, de overheid er toch voor dient te zorgen dat zij de motieven aangeeft op grond waarvan zij van oordeel is dat beroepsgrieven niet gegrond zijn"; dat na het verlenen van een theoretische toelichting aangaande de formele motive- ringsplicht de verzoekende partij stelt : "Zelfs al zou men aannemen dat art. 30 par. I, 4 VLAREM I enkel van toepassing zou zijn op besluiten waarbij in eerste aanleg op milieuvergunningen wordt beschikt (hetgeen verzoekster in hoofdorde betwist en hetgeen in tegenspraak lijkt met de verwijzing naar art. 6, hetwelke zelf verwijst naar art. 5 VLAREM I en hetgeen handelt over vergunningsaanvragen van eerste en tweede klasse), dan volgt een zelfde verplichting om desgevallend de voorgebrachte adviezen te weerleggen uit de algemene motiveringsplicht (Lietaer, I., De motivering van vergunningen, Mil.Info, 1993)"; dat zij het middel nog verder toelicht als volgt : "Verweerster haalt zelf de middelen aan waarop het hoger beroep van verzoekster was gesteund, m.n. : - de gevraagde uitbreiding sluit aan bij de normale groei van het bedrijf dat vergund werd voor 20 jaar (tot 16.03.2006) en waarop reeds uitbreidingen werden toegestaan; - het is onredelijk dat een transportbedrijf met 50 vrachtwagens wel kan vergund worden ondanks de bestemmingsplannen, terwijl een relatieve uitbreiding met bijkomende opslag en bijkomende vrachtwagens plots wel onverenigbaar zou zijn met deze ligging; VII-17.307-7/12 - er is nergens aangetoond dat door het vergunnen van de gevraagde uitbreiding de hinder zo zou toenemen dat - de overheid dient in haar beleid een minimale rechtszekerheid aan te houden zodat gelet op de basisvergunning de exploitant er rechtmatig van uitgaat dat haar normale expansie ook in de toekomst zou worden vergund; Het bestreden besluit is gestoeld op zeven
(7)overwegingen welke geen van allen deze vier beroepsgrieven, zelfs onrechtstreeks, bespreekt en weerlegt. De eerste overweging is een loutere uiteenzetting van de feiten en houdt geen enkele appreciatie in. De tweede overweging handelt over de strijdigheid van de inrichting met de bestemming in het Gewestplan St. Niklaas-Lokeren. Het wordt naar de feiten niet betwist dat de kwestige inrichting voor het belangrijkste deel is gelegen in agrarisch gebied, doch deze overweging is uiteraard geen motivering waarom de uitbreiding niet kan worden vergund op basis van deze zgn. planologische onverenigbaarheid, daar waar dezelfde planologische ligging noch de basisvergunning noch de daaropvolgende uitbreidingen in de weg heeft gestaan. De derde overweging in het bestreden besluit verwijst naar het ontbreken van een verharde parking. Opnieuw verantwoordt deze overweging niet waarom het ontbreken van een vloeistof-dichte verharding de vergunning van de gevraagde uitbreiding belet, daar waar de toestand uiteraard identiek is voor de bestaande vergunning. Bovendien, en dit sluit aan bij het eerste middel, is het opmerkenswaardig dat de bouwvergunningsaanvraag die door de eigenaar van het onroerend complex de N.V. DECEBRA op 16.09.1997 was ingediend voor het verharden van een oprit en parking, bij besluit van 16.07.1998 van verweerster in beroep werd geweigerd, tegen welk besluit hoger beroep werd ingesteld bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, adm. Ruimtelijke Ordening. De vierde overweging verwijst zonder verdere toelichting of concretisering naar het verhoogd brandrisico dat zou volgen uit de meeropslag van papier en hout. Dit verhoogd risico dat zou volgen uit de uitgebreide opslag is uiteraard relatief. Er mag aangenomen worden dat ook de opslag van dezelfde materialen waarvoor verzoekster wel werd vergund een bepaald risico inhoudt, waar dit bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning kennelijk geen bezwaar opleverde. In de vijfde overweging wordt verwezen naar de geluidshinder die zou volgen uit (het) op- en afrijden van de parking en het warmdraaien van de vrachtwagens; opnieuw houdt dit geen enkele verwijzing in naar de door verzoekster opgesomde beroepsgrieven: waarom was dit geen beletsel voor het verlenen van de vroegere vergunningen of anders gezegd, waarom is dit wel een beletsel voor het vergunnen van de gevraagde uitbreiding? Overweging zes en zeven zijn enkel algemeen theoretische beschouwingen over de hinder die zou volgen uit de inrichting Andermaal volgt geen enkele indicatie waarom dit plots zoveel problematischer (zou) zijn indien de gevraagde uitbreiding zou worden vergund, terwijl deze overweging bovendien als motivering evenmin voldoet omdat ze niet in concreto werd uitgewerkt. Het is exemplatief voor de wijze waarop verweerster de motivering van haar besluit heeft opgebouwd, dat zij niet verder komt dan de toch wel zeer algemene verwijzing naar de hindergevoeligheid vanwege de belangrijkheid van de woonfunctie; vanwege de kwetsbaarheid van de bodem'. Dergelijke stereotype motiveringen voldoen niet"; VII-17.307-8/12 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden wat volgt : "De voornaamste grond tot weigering van de milieuvergunning is de strijdigheid met de bindende bepalingen van het gewestplan. Verzoekster betwist niet dat de aanvraag in strijd is met art. 11.4.
- van het KB van 28-12-
- Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat de weigering van een milieuvergunning op grond van de strijdigheid met het gewestplan een voldoende motivering van de beslissing inhoudt. De overige argumenten m.b.t. de milieuhygiënische toestand zijn dan ook argumenten ten overvloede. De beweringen van verzoekster m.b.t. deze milieuhygiënische aspecten zijn dan ook niet ter zake dienend"; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volgend betoog houdt : "Het wordt naar de grond van de zaak niet betwist dat de door concluante geëxploiteerde inrichting gelegen is in een zone die door het Gewestplan Sint- Niklaas/Lokeren is aangeduid als deels behorend tot agrarisch gebied en deels behorend tot een woongebied met landelijk karakter. De kwestige inrichting is niet gelegen in een uitgesloten gebied en betreft evenmin een inrichting waarvoor een MER of veiligheidsrapport vereist is. De vergunning werd aangevraagd om een bestaand vergund bedrijf uit te breiden. De milieuvergunningsaanvraag heeft - in andere gevallen van verandering, wanneer de overheid vaststelt dat een meldingsplichtige verandering van die aard is, dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. In het betrokken gebied geldt evenmin een bijzonder plan van aanleg of een verkavelingsvergunning, waardoor overeenkomstig art. 43 par. 7 van het Stedenbouwdecreet (oud art. 88) kan worden afgeweken van het gewestplan. (...) De voorwaarden waarbinnen door de vergunnende overheid in die omstandigheden kan worden afgeweken van het gewestplan zijn als volgt omschreven : 43 par. 7 Stedenbouwdecreet). Concluante heeft in de omschrijving van haar tweede middel aangegeven waarom aan deze formele motiveringsplicht niet is voldaan. VII-17.307-9/12 Cruciaal bij de vraag of het bestreden besluit al dan niet afdoende is gemotiveerd, is de vaststelling dat nergens wordt aangegeven, niet in concreto en zelfs niet in abstracto, waarom de Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de afwijkingsaanvragen moeten worden beoordeeld vanuit een ruimer perspectief dan de zorg voor de goede plaatselijke aanleg; onderzocht moet worden of de wezenlijke kenmerken, de door het gewestplan vastgestelde bestemming en de reeds geplande of uitgevoerde werken, de ordening van het betrokken gebied niet in het gedrang brengen. Het besluit dat de afwijking op het gewestplan al dan niet toestaat, moet na afweging van alle betrokken belangen, een concrete beoordeling bevatten van het effect van de uit het bouwontwerp voortvloeiende verstoring en een duidelijk standpunt omtrent de maat van de toelaatbare verstoring (R.v.St., Roobroeck, nr. 42.971, 17.05.1993, T.Gem., met noot Vekeman, R., Het bestreden besluit verwijst naar twee concrete elementen, met name een verhoogd brandrisico en de geluidshinder die kan ontstaan uit het warmdraaien van de vrachtwagens. Vervolgens hervalt het in algemeenheden : Overwegende dat de inrichting planologisch en milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden'. De beoordeling van elke afwijking moet gesteund zijn op concrete elementen, zodat Gedr.St., Vl.R., 1983-84, nr. 260/1, 5). De loutere overweging dat niet aan de voorwaarde van de ‘goede ruimtelijke ordening’ voldaan is, is dus te summier en te oppervlakkig om de gevraagde afwijking te weigeren (R.v.St., N.V. Ontex, nr. 50.720, 15.12.1994). In casu ontbreekt elke motivering omtrent de vraag waarom de gevraagde uitbreiding plots wel de ruimtelijke ordening schaadt in vergelijking met de actuele toestand vergund door de basisvergunning en de latere uitbreidingen. Al te gemakkelijk concludeert de verwerende partij dat het ‘vaste rechtspraak’ van Uw Raad zou zijn dat Zulks is manifest onjuist. Het volstaat om te verwijzen naar de bovengeciteerde rechtspraak. Stereotype motivering voldoet niet"; 2.2.4.
- Overwegende, vooreerst, dat artikel 30, § 1, 4/, van Vlarem I handelt over het motiveren waarom één of meerdere adviezen of onderdelen van adviezen niet worden gevolgd, hetgeen hier niet aan de orde is; VII-17.307-10/12 2.2.4.
- Overwegende dat een decisief weigeringsmotief is "dat de inrichting volgens het gewestplan schreven voorwaarden tot afwijking van het gewestplan niet waren vervuld; dat deze argumentatie neerkomt op een nieuw middel dat niet op ontvankelijke wijze, want niet van openbare orde zijnde, voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; 2.2.4.
- Overwegende dat aangezien in casu de niet-overeenstemming met de gewestplanbestemming agrarisch gebied gelegen is in de aard van de activiteiten en niet in de omvang ervan, de motivering in het bestreden besluit gestoeld op de onverenigbaarheid van de bedrijfsactiviteiten met de gewestplanbestemming agrarisch gebied volstond, zonder dat moest worden ingegaan op de grief van de verzoekende partij dat het in casu slechts ging om een uitbreiding van een lopende vergunning waarvoor geen toetsing aan de gewestplanbestemming diende te gebeuren; 2.2.4.
- Overwegende dat de overige grieven aangebracht in het middel betrekking hebben op overtollige milieuhygiënische motieven zodat deze grieven niet op hun ontvankelijkheid of gegrondheid moeten worden onderzocht, 2.2.4.
- Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- VII-17.307-11/12 De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.307-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div