id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.958 Rolnummer: A. 72866/VII-15110 Zaak: Arrest 137958 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 15:24 Fiche Arrest nr 137.958 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.958 van 2 december 2004 in de zaak A. 72.866/VII-15.
- In zake : August GOETSCHALCKX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. BELMANS, kantoor houdende te GEEL, Possonsdries 7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat August GOETSCHALCKX op 16 januari 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 18 november 1996 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 2 april 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning aan verzoeker, om een inrichting gelegen te 2321 Hoogstraten (Meer), Terbeeksestraat 75, te veranderen; Gezien de toelichtende memorie, de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; VII-15.110-1/9 Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. BELMANS, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. DE SCHAMPHELEIRE die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De procedure Overwegende dat de memorie van antwoord buiten de wettelijk voorziene termijn werd neergelegd en dus uit de debatten moet worden geweerd; Overwegende dat het administratief dossier laattijdig werd neergelegd; dat derhalve, krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de door verzoeker aangehaalde feiten als bewezen moeten worden geacht, tenzij ze kennelijk onjuist zouden blijken;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak de volgende zijn : 2.
- Volgens de bestreden beslissing is de bestaande vergunningstoe- stand op het ogenblik van de aanvraag de volgende : - Verzoeker en zijn schoonzoon, Herman VAN THILLO, baten elk een bedrijf uit, op percelen gelegen aan de Terbeeksestraat te Hoogstraten (Meer). Er zijn zes stallen op aan elkaar palende percelen, waarvan drie stallen toebehoren aan verzoeker (de stallen 1, 2 en 3) en drie stallen toebehoren aan Herman VII-15.110-2/9 VAN THILLO (de stallen 4, 5 en 6). De inrichting van verzoeker is gelegen op de percelen kadastraal gekend onder Afd. 3, Sectie D, nrs. 843b, 843e en 843g. - Aan verzoeker werden de volgende vergunningen verleend : C 9 september 1972 - 1.800 varkens (30 jaar - tot 9 september 2002); C 31 oktober 1973 - 16.000 legkippen ( 30 jaar - tot 31 oktober 2003); C 14 november1978 - 2.400 varkens (stallen 4 en 5) en 16.000 legkippen (stal 3), (30 jaar tot 14 november 2008). - Aan Herman VAN THILLO werden de volgende vergunningen verleend : C 12 januari 1989 - vergunning voor "het in bedrijf houden en uitbreiden van een varkenshouderij met drie stallen voor samen 3.500 varkens (...) voor een termijn verstrijkend op 9 september 2002 (stallen nrs. 4, 5 en 6)"; C 12 september 1991 waarbij akte genomen werd van o.m. de opslag van 4.900 m³ mest (mestopslag in de stallen 4, 5 en 6), voor een termijn verstrijkend op 1 september
- - Aan Herman VAN THILLO werd op 11 augustus 1994 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een aanvraag om een bestaande kippenstal om te bouwen tot kraamstal en de nieuwbouw van twee varkensstallen geweigerd . 2.
- Volgens verzoeker is de bestaande vergunningstoestand de volgende : - op 9 september 1972 werd hem door het college van burgemeester en schepenen vergunning verleend voor het uitbaten van een inrichting voor 1.800 varkens op het perceel nr. 844a; - op 4 december 1975 werd hem door het college van burgemeester en schepenen vergunning verleend voor het bouwen van een varkenshok op het perceel 844d; - uit een brief van het gemeentebestuur van 18 april 1994 blijkt dat aan verzoeker vergunning verleend werd voor "stallen voor 16.000 stuks pluimvee" en "stallen voor 2.400 varkens" ingevolge melding gedaan in 1977; - op 4 april 1979 werd aan verzoeker vergunning verleend voor het verbouwen van varkensstallen op de percelen 844 e en 844f(deel); - bij notariële akte verleden op 24 december 1985 heeft verzoeker de eigendom overgedragen van het perceel 843a (1 ha 86 a 89 ca) aan Herman VAN THILLO-Marijke GOETSCHALCKX (schoonzoon-dochter); uit het aangehecht opmetingsplan blijkt dat drie stallen op het betrokken perceel zijn opgericht; VII-15.110-3/9 - op 4 maart 1986 werd aan Herman VAN THILLO door het college van burgemeester en schepenen vergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal, garage en woonhuis op het perceel 843a(deel); - op 12 januari 1989 wordt aan Herman Van THILLO door de bestendige deputatie vergunning verleend "tot het in bedrijf houden en uitbreiden te Hoogstraten, Terbeeksestraat 75, sectie D, nrs. 843/e-f-g-h, van een varkenshouderij thans toegerust met (o.m.) 3 stallen voor het huisvesten van samen max. 3.500 mestvarkens"; - op 12 september 1991 wordt door de bestendige deputatie akte genomen van de aangifte van Herman VAN THILLO van de exploitatie op de percelen 843f en 843l van "opslag van 4.900 m³ mest" en "elektromotoren van samen ca. 48 kW"; er wordt evenwel geen akte genomen van "stallen voor 4.000 mestvarkens" en tanks voor 7.000 liter mazout. 2.
- Op 15 december 1995 dient verzoeker bij de bestendige deputatie een aanvraag in om zijn inrichting, gelegen te Hoogstraten (Meer), Terbeeksestraat 75, kadastrale percelen Afd. 3, Sectie D, nrs. 843b, 843 e en 843g te veranderen door : - wijziging van een kippenstal in een varkensstal; - uitbreiding met : 3.300 mestvarkens en een bijkomende opslagplaats voor 401 m³ dierlijke mest. Uit het aanvraagdossier blijkt dat verzoeker de aanvraag als volgt omschrijft : "
- Onderwerp van de aanvraag De vergunning wordt gevraagd voor het ombouwen van de kippenstal (stal nr. 3) naar een varkensstal voor het houden van 900 vleesvarkens. De vergun- ning voor het houden van de legkippen wordt ingeleverd, dit op voorwaarde van het bekomen van de gevraagde verandering. Door deze verandering wordt het aantal varkens voor het bedrijf gebracht op 3.300 vleesvarkens. De opslagruimte voor dierlijke mest bedraagt na de verandering 4.401 m³". 2.
- Op 2 april 1996 weigert de bestendige deputatie de gevraagde verandering. Tegen deze beslissing dient verzoeker beroep in bij de minister. 2.
- Op 18 november 1996 beslist de minister het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het VII-15.110-4/9 voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de weigering is gebaseerd op het feit dat de 2 bedrijven van de heer GOETSCHALCKX August en de heer VAN THILLO Herman een milieutechnische eenheid vormen; dat dit onder meer moet blijken uit de vroegere vergunningsbesluiten; dat daarom hierna een opsomming wordt gegeven van de vroegere vergunningen met telkens de vermelding op welke stal bedoelde vergunning betrekking had; Overwegende dat de stallen op het bedrijf van GOETSCHALCKX August voor de verdere bespreking als volgt worden genummerd : - stal 1 (72m op 18m) : aangevraagd voor 1.290 vleesvarkens - stal 2 (56m op 18m) : aangevraagd voor 1.110 vleesvarkens - stal 3 (60m op 15m) : aangevraagd voor 900 vleesvarkens; dat de stallen op het bedrijf van VAN THILLO Herman als volgt worden genummerd (op basis van de vergunning van 12/01/1989) : - stal 4 (60m op 22m) : vergund voor 1.200 mestvarkens - stal 5 (64m op 14m) : vergund voor 800 mestvarkens - stal 6 (70m op 14m) : vergund voor 1.500 mestvarkens; Overwegende dat voor de stallen op de bedrijven van de heer GOETSCHALCKX August en de heer VAN THILLO Herman de hierna volgende vergunningen werden verleend : - het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 09 september 1972 waarbij vergunning werd verleend voor het exploiteren van 1.800 varkens voor een termijn van 30 jaar, verstrijkend op 09 september 2002; - het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 31 oktober 1973 waarbij vergunning werd verleend voor het exploiteren van 16.000 legkippen, voor een termijn van 30 jaar, verstrijkend op 31 oktober 2003; - het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 14 november 1978 afgeleverd aan GOETSCHALCKX August, Terbeeksestraat 73 te 2321 Hoogstraten tot het exploiteren van een landbouwbedrijf toegerust met 2.400 varkens en 16.000 stuks pluimvee voor een termijn van 30 jaar, verstrijkend op 14 november 2008 (stallen nrs. 3 (kippen) en 4 en 5 (varkens)); - het besluit nr. 2/54.084f2/AK van 12 januari 1989 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen waarbij aan VAN THILLO Herman vergunning werd verleend voor het in bedrijf houden en uitbreiden van een varkenshouderij met 3 stallen voor samen 3.500 mestvarkens, opslag van 35 ton veevoeders en een voederinstallatie van 10 kw, voor een termijn verstrijkend op 09 september 2002 (stallen nrs. 4, 5 en 6); - het besluit nr. 2/58.120f2/pvd van 12 september 1991 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen waarbij de aangifte van VAN THILLO Herman, Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten van de opslag van 4.900 m3 dierlijke mest en elektromotoren samen 48 kW, werd geacteerd, geldend als vergunning voor een termijn verstrijkend op 01 september 2011 (mestopslag in de stallen nrs. 4, 5 en 6); - gelet op de weigering van de vergunning op 11/08/1994 door de Bestendige Deputatie aan VAN THILLO Herman, Terbeeksestraat 73a te 2321 Hoogstraten tot het ombouwen van een bestaande kippenstal tot kraamstal + nieuwbouw van 2 varkensstallen; Overwegende dat uit bovenstaand overzicht duidelijk blijkt dat de 3.500 mestvarkens vergund in 1989 in stallen 4, 5 en 6 een uitbreiding vormen op de 2.400 mestvarkens vergund in 1978 in de stallen 4 en 5 zodat de 2.400 varkens in de 3.500 varkens begrepen zijn; dat op beide bedrijven samen dus 3.500 mestvarkens en 16.000 kippen vergund zijn; dat voor de stallen nrs. 1 en 2 geen enkele milieuvergunning bestaat; Overwegende dat de aanvraag in bijlage 2 vermeldt dat het slechts gaat om een uitbreiding met 900 mestvarkens en dat de 16.000 legkippen worden VII-15.110-5/9 ingeleverd, zodat de mestproduktie daalt; dat aanvrager er dus vanuit gaat dat de stallen nrs. 1 en 2 vergund zijn voor 2.400 varkens; dat dit echter zoals hierboven uiteengezet, een totaal verkeerde manier van voorstellen is; dat voor de stallen nrs. 1 en 2 geen enkele milieuvergunning bestaat; dat de Bestendige Deputatie in haar beslissing dan ook terecht stelt dat het geen uitbreiding met 900 varkens en vermindering met 16.000 kippen betreft zoals aanvrager wil doen geloven, maar een uitbreiding met 3.300 varkens en vermindering met 16.000 kippen; Overwegende dat diverse feiten de verwevenheid van beide bedrijven aantonen; dat beide bedrijven duidelijk een milieutechnische eenheid vormen; dat dit in de eerste plaats blijkt uit de vroegere vergunningstoestand; dat immers beide bedrijven zijn ontstaan uit dezelfde basisvergunning (vergunning van 14 november 1978); dat bijvoorbeeld ook kan aangehaald worden dat de bouwvergunning voor de 2 stallen waarvoor nog geen milieuvergunning bestaat (nrs. 1 en 2) op 31 augustus 1992 verleend werd aan VAN THILLO Herman hoewel deze stallen zich op het bedrijf van de heer GOETSCHALCKX bevinden; dat aanvrager op geen enkele wijze aantoont dat beide bedrijven die duidelijk ontstaan zijn uit 1 bedrijf, van elkaar onafhankelijk zijn inzake energie-, water-, voedervoorziening en dergelijke noch dat er enige fysische scheiding is tussen beide bedrijven; dat de 6 stallen bij beoordeling van het mogelijk nadeel dat ze kunnen berokkenen aan mens en milieu als een geheel dienen beschouwd; Overwegende dat de uitbreiding van deze milieutechnische eenheid met 3300 varkens leidt tot een varkensstapel van 6.800 stuks; dat voor een bedrijf gelegen in een agrarisch gebied met stalruimte voor meer dan 5.000 varkens, een milieueffectenrapport vereist is volgens het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen; dat bij de aanvraag geen milieueffectrapport was gevoegd, zoals geëist wordt in artikel 7, § 6 van het milieuvergunningsdecreet; dat de aanvraag dan ook dient te worden geweigerd wegens onvolledigheid van de aanvraag; Overwegende dat zelfs indien de 3 stallen van de heer GOETSCHALCKX toch als aparte milieutechnische eenheid zouden beschouwd worden, toch geen vergunning zou kunnen toegekend worden gezien het, in tegenstelling tot wat aanvrager wil doen geloven, een verandering betreft met stijging van de bedrijfsmatige mestproduktie; dat de aanvraag na 01 januari 1996 ontvankelijk en volledig werd verklaard zodat de bepalingen van het gewijzigde mestdecreet van toepassing zouden zijn; dat volgens artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet, in 1996 enkel vergunning kan verleend worden voor verandering van bestaande veeteeltinrichtingen horende bij een gezinsvee- teeltbedrijf op voorwaarde dat de mestproduktie niet toeneemt; dat huidige aanvraag zoals reeds uitvoerig aangetoond werd, wel een verhoging van de mestproduktie inhoudt; Overwegende dat de aanspraken/bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - het begrip - de 6 stallen op de aanpalende percelen kunnen onmogelijk van elkaar gescheiden worden bij de beoordeling van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu; Overwegende dat de stallen van de heer GOETSCHALCKX met de stallen van de heer VAN THILLO een milieutechnische eenheid vormen; dat huidige aanvraag dan een uitbreiding met 3.300 mestvarkens tot een totaal van 6.800 VII-15.110-6/9 varkens betekent; dat een dergelijk bedrijf MER-plichtig is; dat geen MER bij de aanvraag was gevoegd; dat de aanvraag derhalve onvolledig is; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen";
- Beoordeling 3.
- Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de schending van de motiveringsplicht in het algemeen en van het zorgvuldigheidsbeginsel, "doordat het bestreden besluit stelt dat geen vergunning kan worden verleend omdat de aanvraag na 1 januari 1996 ontvankelijk en volledig werd verklaard zodat de bepalingen van het gewijzigde Mestdecreet van toepassing zouden zijn. Zodat volgens artikel 13 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het Meststoffendecreet, in 1996 enkel vergunning zou kunnen worden verleend voor verandering van bestaande veeteeltinrichtingen horende bij een gezinsveeteeltbedrijf op voorwaarde dat de productie niet toeneemt. terwijl verzoekers vergunningsaanvraag werd ingediend op 15 december 1995 en vervolledigd bij aangetekend schrijven dd. 29 december 1995 (cf bestreden beslissing), zodat deze uiterlijk op 12 januari 1996 ontvankelijk en volledig diende te worden verklaard overeenkomstig art. 35, 1/, d van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 (Vlarem I) (cf administratief dossier). Dat evenwel het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het Meststoffendecreet, en dus uiteraard ook het kwestieuze artikel 13 daarvan, waarop de Minister zich beroept, pas in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 30 december 1995, zodat verzoeker onmogelijk kon weten dat vermeld artikel 13 van toepassing zou worden op zijn aanvraag, doordat hij zijn dossier op 29 december 1995 nog vervolledigde. Aldus is onder meer het rechtmatig vertrouwen van de rechtsonderhorige geschonden doordat de bestreden beslissing zich op een dergelijke ontijdig gepubliceerde reglementering beroept"; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het middel weliswaar de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen inroept, maar niet verduidelijkt hoe de aangehaalde bepalingen van die wet geschonden worden; dat uit de toelichting blijkt dat verzoeker wel een schending van het vertrouwensbeginsel inroept; dat verzoeker evenwel niet betwist dat het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen moest worden toegepast op zijn aanvraag, ingediend op 15 december 1995 en ontvankelijk en volledig verklaard na 1 januari 1996; dat voornoemd besluit op de aanvraag moest worden toegepast, zelfs indien verzoeker VII-15.110-7/9 dit niet zou hebben geweten op het ogenblik dat hij die aanvraag indiende; dat behoudens het geval waar uitdrukkelijk bepaald wordt dat een opgeheven en vervangen regeling bij wijze van overgang voor een zekere tijd van kracht blijft, de nieuwe regeling vanaf het in werking treden ervan, voor de toekomst van toepassing is, ook voor toestanden die onder de gelding van de opgeheven en vervangen regeling zijn ontstaan; dat het inherent is aan een bestuurlijk optreden dat normen worden uitgevaardigd; dat een rechtsonderhorige er niet mag op rekenen dat de overheid voor een bepaald domein dat niet zal doen; dat het ook een noodzaak is dat de overheid die reglementaire bepalingen op een bepaald tijdstip in werking laat treden; dat uiteraard steeds de mogelijkheid bestaat dat die reglementaire bepalingen van toepassing zijn op hangende toestanden; dat een rechtsonderhorige er dan ook rekening mee moet houden dat een bepaalde regeling steeds kan wijzigen en dat op het ogenblik waarop over zijn zaak een beslissing wordt genomen, de overheid als orgaan van actief bestuur verplicht is de op dat ogenblik geldende regeling toe te passen, daar anders die overheid contra legem zou handelen; dat de loutere aanvraag van een milieuvergunning op zichzelf nog geen verworven recht op het verkrijgen van een vergunning inhoudt; dat overigens ook onder de regeling die gold op het ogenblik dat verzoeker zijn milieuvergunningsaanvraag indiende, hij er niet zeker kon van zijn dat hem de gevraagde vergunning integraal zou worden verleend; dat het continuïteits-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel aldus niet werden geschaad; dat verzoeker niet betwist dat de aanvraag, ook in de in ogenschouw genomen hypothese dat de drie stallen van verzoeker als een afzonderlijke milieutechnische eenheid worden beschouwd, een verhoging van de mestproductie inhoudt; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat de in het vierde middel bestreden overweging van de bestreden beslissing volstond om de vergunning te weigeren; dat, zelfs indien de overige middelen gegrond zouden worden bevonden, deze bevinding niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-15.110-8/9 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.110-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.