id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.959 Rolnummer: Zaak: Arrest 137959 - - 02/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-09 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 15:24 Fiche Arrest nr 137.959 van 2 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.959 van 2 december 2004 in de zaken A. 76.700/VII-16.201 111.501/VII-24.
- In zake : de n.v. SININVEST, die woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SININVEST op 10 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 6 oktober 1997 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 27 maart 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende aktename van de melding door de n.v. SININVEST betreffende een pluimveebedrijf gelegen aan de Aardeweg 6 te Moorslede (zaak A. 76.700/VII-16.201); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SININVEST op 15 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 14 augustus 2001 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 8 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende gedeeltelijk verlenen van de vergunning, aan de n.v. SININVEST, om een pluimveebedrijf gelegen aan de Aardeweg 6 te 8890 Moorslede, verder te exploiteren (zaak A. 111.501/VII-24.835); VII-16.201-1/6 Gelet op het arrest nr. 127.541 van 29 januari 2004 waarbij de zaken worden gevoegd, het beroep gekend onder het nr. A. 76.700/VII-16.201 wordt verworpen, de debatten worden heropend in de zaak A.111.501/VII-24.835 en het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de laatstvermelde zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 die de neerlegging van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met het arrest nr. 127.541 van 29 januari 2004 het beroep, gekend onder het nr. A. 76.700 werd verworpen;
- Overwegende, wat de zaak A. 111.501 betreft, dat in voormeld arrest met verwijzing naar artikel 28, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en naar artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) wordt geoordeeld dat een inrichting VII-16.201-2/6 waarin niet langer de vergunde leghennen, maar mestkippen worden gehouden, niet meer als de oorspronkelijk vergunde inrichting wordt geëxploiteerd, ook al worden er in dat bedrijf "kippen" gehouden in de zin van rubriek 9.3.1 van de bijlage I bij Vlarem I en dat uit een illegale exploitatie geen rechten kunnen worden geput; dat de door de verzoekende partij ingeroepen vierde en zevende middelen ongegrond worden bevonden; 3.
- Overwegende dat in het eerste middel de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing is gebaseerd op een verkeerde feitelijke grondslag, omdat wordt aangenomen dat er slechts een vergunning voorhanden was voor 56.000 kippen tussen een week en drie weken oud, en dat de inrichting dus slechts voor dat onderdeel een bestaande inrichting was, dat zulks, steeds volgens de verzoekende partij, ook een schending inhoudt van de algemene motiveringsplicht en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 3.
- Overwegende dat het arrest nr. 127.541 heeft geoordeeld dat de verwerende partij er terecht van uit ging dat er enkel een vergunning voorhanden was voor het houden van 56.000 kippen tussen een week en drie weken oud; dat het eerste middel ongegrond is; 4.
- Overwegende dat in het tweede middel dezelfde vermeende onrechtmatigheid wordt aangevoerd, ter adstructie ditmaal van de aangevoerde schending van "de VLAREM II - bepalingen houdende de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, in het bijzonder art. 3.2.1.1 e.v. VLAREM II"; 4.
- Overwegende dat om dezelfde reden als het eerste middel ook het tweede middel ongegrond dient te worden bevonden; 5.
- Overwegende dat in het derde middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing is gesteund op een onwettig ministerieel besluit van 6 oktober 1997, en dat ze daarom zelf onwettig is; 5.
- Overwegende dat de vergunningsbeslissing van 6 oktober 1997 niet op constitutieve wijze beslist dat de vergunning was vervallen, maar enkel heeft vastgesteld dat er een verval van rechtswege was opgetreden; dat zulks reeds werd gewezen in het arrest nr. 127.541 van 29 januari 2004; dat de thans bestreden VII-16.201-3/6 beslissing weliswaar steunt op hetzelfde motief als die eerdere beslissing, maar daarin geen rechtsgrond vindt; dat het derde middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat in het vijfde middel de schending wordt aangevoerd van de rubriek 9.3.1.c van de indelingslijst bij Vlarem I, van de algemene motiveringsplicht, en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij betoogt dat de indelingslijst geen onderscheid maakt tussen leghennen en mestkippen, en dat daarom de vergunningverlenende overheid dat onderscheid evenmin mag maken; 6.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar "memorie na verslag" stelt dat de milieuvergunning wordt verleend voor dierplaatsen en dat er vanuit dit beoordelingsgegeven geen verschil is tussen het houden van leghennen en mestkippen, vermits beide diersoorten op een zelfde strooisel worden gehouden op de volledige staloppervlakte en de stalvoorzieningen dezelfde zijn; 6.
- Overwegende dat voornoemd arrest met gezag van gewijsde heeft geoordeeld dat de verwerende partij dergelijk onderscheid moest maken; dat de bewering dat de milieuvergunning enkel wordt verleend voor dierplaatsen geen steun vindt in de reglementaire teksten; dat het middel ongegrond is; 7.
- Overwegende dat in het zesde middel blijkbaar opnieuw de schending wordt aangevoerd van de relevante rubriek 9.3.1 van de indelingslijst, ditmaal omdat in die rubriek geen onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd - voor zover het gaat om dieren ouder dan een week - terwijl de bestreden beslissing slechts een vergunning verleent voor dieren in de leeftijd tussen één en drie weken; dat dit middel als volgt is gesteld : "Het bestreden besluit van 14 augustus 2001 beperkt de hernieuwing tot 56.000 mestkippen van één tot drie weken. In dit besluit wordt nog steeds een onderscheid gemaakt tussen kippen van één tot drie weken en kippen ouder dan drie weken. VLAREM I maakt, ingevolge de wijziging van de indelingslijst, echter geen onderscheid tussen het aantal kippen van één tot drie weken en het aantal kippen ouder dan drie weken. Ingevolge de indelingslijst van VLAREM I viel enkel een exploitatie van kippen ouder dan drie weken onder rubriek 9.
- Overeenkomstig de wijziging van de indelingslijst bij besluit van 3 juli 1996 werd de inrichting ook vergunningsplichtig voor het houden van kippen van één tot drie weken. Vanaf dat ogenblik zijn alle kippen ouder dan één week vergunningsplichtig. Enkel kippen jonger dan één week behoeven geen vergunning. VII-16.201-4/6 Volgens VLAREM I kan derhalve een inrichting niet worden beperkt tot een aantal kippen van één tot drie weken. Enkel vergunningsplichtig zijn de kippen ouder dan één week. Het bestreden besluit legt dan ook een bijkomende beperking op die door de wetgever niet werd voorzien"; 7.
- Overwegende dat in het geciteerde arrest, met betrekking tot het zevende middel, wordt geoordeeld dat "in de bestreden beslissing wordt aangegeven waarom slechts mestkuikens van één tot drie weken worden vergund; dat dit motief volstond om dit onderdeel van de bestreden beslissing te dragen"; dat de Raad bijgevolg de motivering terzake reeds draagkrachtig heeft bevonden; dat de verzoekende partij in het zesde middel geen andere toelichting verschaft betreffende de vermeende onwettigheid dan de enkele vaststelling dat de indelingsrubriek het enkel heeft over kippen ouder dan een week; dat ook dit middel ongegrond is; 7.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het achtste middel de schending aanvoert van artikel 28, §4, van Vlarem I en "het algemeen beginsel van de hoorplicht"; dat zij uiteenzet dat zij in haar beroepschrift heeft gevraagd te worden gehoord; dat de bestreden beslissing zegt dat de verzoekende partij op 31 mei 2001 uitgenodigd werd op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 18 juni, maar dat deze niet op deze uitnodiging is ingegaan; dat de verzoekende partij beweert evenwel geen uitnodiging te hebben ontvangen; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij een afschrift voorlegt van de uitnodiging; 7.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij herhaalt geen uitnodiging te hebben ontvangen; dat zij echter het volgende stelt : "Gezien de voorlegging van de stukken in het administratief dossier, gedraagt verzoekende partij zich m.b.t. dit middel naar de wijsheid van uw Raad"; dat zij in de laatste memorie en in haar uiteenzetting ter terechtzitting niet meer terugkomt op dit middel; dat kan worden aangenomen dat de verzoekende partij afstand doet van dit middel, VII-16.201-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep gekend onder het nr. A. 111.501/VII-24.835 wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.201-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.959 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.