← België

Arrest 138011 - - 03/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.011 Rolnummer: A. 157849/VII-33341 Zaak: Arrest 138011 - - 03/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 15:35 Fiche Arrest nr 138.011 van 3 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.011 van 3 december 2004 in de zaak A. 157.849/XIV-21.

  1. In zake : XXX, verblijvende te M., S.Wortel 1A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 oktober 1973 en van XXX nationaliteit (volgens zijn paspoort), op 26 november 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 oktober 2004, waarbij de aanvraag tot regularisatie ingediend door verzoeker op 8 september 2004 op basis van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zonder voorwerp werd verklaard; waarbij deze weigeringsbeslissing aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht op 29 oktober 2004; Gelet op de beschikking van 30 november 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-21.234-1/3 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. SCHOLLIER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing dateert van 29 oktober 2004; dat op deze beslissing de volgende vermelding voorkomt: “Ik erken kennisgenomen te hebben van onderhavige beslissing. Gedaan te L. op 29/10/2004.”; dat deze erkenning van kennisgeving van de bestreden beslissing werd ondertekend door verzoeker, wat ter zitting van woensdag 1 december 2004 niet werd betwist; dat verzoeker pas op 26 november 2004 een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een verzoekschrift tot nietigverklaring indient; dat verzoeker bijgevolg niet alert en diligent heeft gehandeld voor wat het indienen van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; dat aldus feitelijk vaststaat dat verzoeker onredelijk lang heeft gewacht om een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen; dat bijgevolg niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bijgevolg onontvankelijk is, XIV-21.234-2/3 BESLUIT: Artikel
  2. Verklaart de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid onontvankelijk. Artikel
  3. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-21.234-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.