← België

Arrest 138064 - - 06/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.064 Rolnummer: A. 139163/XIV-15949 Zaak: Arrest 138064 - - 06/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 15:43 Fiche Arrest nr 138.064 van 6 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.064 van 6 december 2004 in de zaak A. 139.163/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. MULLENS, kantoor houdende te 3740 BILZEN, Sint-Lambertuslaan 26 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 november 1962 en van XXX nationaliteit, op 15 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 16 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; XIV-15.949-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-E. MARCHAND, die loco Advocaat G. MULLENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 4 mei 2003 en verklaart zich vluchteling op 5 mei
  4. 1.
  5. Op 12 mei 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 12 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) U verklaarde de XXX nationaliteit te bezitten en een hindoe te zijn afkomstig uit N. Uw vader, L., was sinds meer dan twintig jaar lid van de "J. & K.' P." en werd ongeveer zes jaar geleden "general-secretary" in D. U was niet politiek actief. In november 2002 werd uw vader thuis gearresteerd door de "C." (C.). Hij werd ondervraagd over zijn activiteiten en na enkele uren weer vrijgelaten. Uw vader werd begin en eind december 2002 nog twee keer opgepakt door dezelfde dienst. Hij werd opnieuw ondervraagd en telkens na enkele dagen vrijgelaten. Op 3 april 2003 werd u thuis door agenten van de "C." opgepakt. U werd ondervraagd over uw vaders activiteiten en intenties maar kon hierop geen antwoord geven. Vijf à zes uur later werd u vrijgelaten. U werd opnieuw meegenomen voor ondervraging op 4, 5, 6 en 7 april
  7. U werd tijdens uw arrestaties bedreigd. Bij de laatste arrestatie werden uw vingerafdruk- ken en foto genomen. U mocht D. niet verlaten. U ondertekende onder dwang een document waarin u toegaf lid van dezelfde partij te zijn. U trok nadien naar een vriend in D. en vernam dat uw vader op 20 april 2003 was gearresteerd. U besloot te vluchten en nam op 23 april 2003 een vlucht naar Moskou en vandaar naar Polen. Na een tiental dagen verblijf in Polen bracht een agent u naar België dat u op 4 mei 2003 bereikte. U vroeg hier de volgende dag asiel aan. Sindsdien hebt u geen nieuws over uw vader. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt uw land uit een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie te hebben moeten verlaten. Zo blijft u vaag over de exacte redenen waarom u vervolging door uw autoriteiten riskeert: u verklaarde dat uw vader politiek actief was voor de "J&K P.' P." maar kan geen details verschaffen over zijn activiteiten voor deze partij (CGVS, p. 8). Uit uw verklaringen blijkt niet waarom uw vader pas in november 2002 problemen kende met de autoriteiten, terwijl hij al zeker twintig jaar lid is van deze partij (CGVS, p. 9). U weet evenmin waarom uw vader, als hindoe XIV-15.949-2/8 wonende in D., actief werd voor een partij die volgens u een onafhankelijk K. als doelstelling heeft (CGVS, p. 5). Verder blijkt dat niet van een persoonsgerichte en zwaarwichtige vorm van vervolging kan gesproken worden. U werd herhaaldelijk door de "C." meegenomen doch uit uw relaas blijkt dat u enkel ter ondervraging over uw vaders activiteiten werd meegenomen (CGVS, p. 11-12). U werd trouwens niet officieel in beschuldiging gesteld of veroordeeld (CGVS, p. 13, 14). Zelf werd u niet van politieke activiteiten voor deze partij verdacht, u gaf tevens toe niet politiek actief te zijn (CGVS, p. 2). Het is dan ook bevreemdend dat u na uw aanhoudingen geen beroep deed op een advocaat of andere autoriteiten ten einde deze aanhoudingen en bedreigingen aan te klagen (CGVS, p. 14). Bovendien beweerde u foutief dat "C." staat voor "C." (CGVS, p. 10), terwijl uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd blijkt dat dit "C." moet zijn. Volgens u is de "J&K P.' P." een illegale partij (CGVS, p. 9). Uit informatie waarover het CGVS beschikt blijkt dat dit niet klopt: deze partij heeft zelfs vier verkozenen in het deelstaatparlement van "J&K" en vormt met drie andere partijen de regeringscoalitie. U beweerde trouwens foutief dat deze partij geen parlementsleden heeft (CGVS, p. 9). Van deze informatie werd een kopie aan (bij) het administratief dossier gevoegd. Alhoewel u niet zelf politiek actief bent, kan toch van u verwacht worden dat u weet of de partij waarvoor uw vader actief is legaal is of niet. Het is dan ook bevreemdend dat uw vader aangehouden zou zijn terwijl hij lid is van een legale politieke partij. Ook het feit dat u aangehouden zou zijn is bevreemdend, aangezien u geen voorstander bent van een onafhankelijk K. (CGVS, p. 9). Dit wijst er nog meer om dat het de "C."-agenten enkel om uw vader te doen was. Dat u bij uw laatste aanhouding een document ondertekende waarin u toegaf lid te zijn van "J&K P.' P." vermeldde u niet tijdens het gehoor op DVZ, evenmin als het feit dat uw vingerafdrukken en foto genomen werden en dat u D. niet mocht verlaten (CGVS, p. 9). Het niet eerder vermelden van deze feiten ondermijnt uw geloofwaardigheid. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. Nochtans bevinden zich thuis in D. documenten waarmee u uw identiteit kan aantonen (CGVS, p. 8). U hebt echter geen poging ondernomen om deze documenten te laten bezorgen (CGVS, p. 6). U kan evenmin enig begin van bewijs aanbrengen van uw vaders lidmaatschap en politieke activiteiten. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  8. Overwegende dat verzoeker in het eerste en tweede middel samengeno- men, de schending aanvoert van de regels van behoorlijk bestuur en van de motiveringsplicht; dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op onjuiste motieven is gebaseerd en, bij gebrek aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak, onjuist en onvoldoende werd gemotiveerd aan de hand van niet bewezen veronderstellingen; dat verzoeker benadrukt dat hij wel degelijk vreest voor een daadwerkelijke, persoonlijke en systematische vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat hij aanvoert dat de Commissaris- generaal de zaak niet grondig heeft onderzocht en ten onrechte besluit dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij in deze fase van de procedure enkel kan oordelen over de XIV-15.949-3/8 eventuele schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat één van de onontvankelijk- heidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijk- heidsgrond de bedrieglijkheid is; dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker aangetast zijn door tegenstrijdigheden, of omdat ze verward of onsamenhan-gend zijn of omdat de asielaanvraag gesteund is op valse verklaringen of op niet authentieke documenten; dat de Commissaris-generaal in voorliggend geval tot de kennelijke ongegrondheid en tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven die integraal worden weergegeven onder punt 1.
  9. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn land heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie: hij blijft vaag over de exacte redenen waarom hij vervolging door de autoriteiten riskeert en er kan niet van een persoonsge- richte en zwaarwichtige vorm van vervolging worden gesproken; - verzoekers verklaringen over het “C.” en over de “J&K P.’ P.” - wat volgens verzoeker een illegale partij is -, stemmen niet overeen met de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt; - verzoeker vermeldde bepaalde feiten niet tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenza- ken. Dit ondermijnt de geloofwaardigheid van zijn asielaanvraag; - verzoeker weet praktisch niets te vertellen over de politieke partij (de “J&K P.’ P.”), waarvan zijn vader lid zou zijn en wat hij over deze partij vertelt is grotendeels onjuist. Nochtans vormt dit lidmaatschap het determinerend vluchtmotief volgens de bestreden beslissing; - verzoeker is niet in het bezit van een reis- en / of identiteitsdocument, waardoor noch zijn reisweg noch zijn identiteit kunnen worden gecontroleerd; XIV-15.949-4/8 Overwegende dat verzoeker vooreerst de motieven van de bestreden beslissing aanvecht; dat zijn middel evenwel hoofdzakelijk bestaat uit een algemene en oppervlakkige kritiek op de bestreden beslissing waarbij hij nalaat de motieven in concreto te weerleggen; dat zijn argumenten voortvloeien uit een onvolledige en gebrekkige lezing van de bestreden beslissing waarbij hij voorbijgaat aan de precieze motivering ervan, zoals blijkt uit wat volgt; dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet begrepen heeft waarom hij zijn land van herkomst heeft verlaten, terwijl hij nochtans gesproken heeft over de politieke activiteiten van zijn vader en diens problemen met de autoriteiten; dat uit de lezing van de bestreden beslissing evenwel blijkt dat de Commissaris-generaal hieraan toevoegt dat verzoeker geen details kan verschaffen over de activiteiten van zijn vader voor de partij, niet aannemelijk maakt waarom laatstgenoemde pas na twintig jaar lidmaatschap problemen kreeg, noch kan aangeven waarom zijn vader, die in D. woont, ijvert voor een partij die volgens verzoeker, voorstander is van een onafhankelijk K.; dat verzoeker de voornoemde argumentatie niet weerlegt maar aanvoert dat het motief van de Commissaris-generaal, namelijk waarom verzoekers vader pas in 2002, na twintig jaar lidmaatschap problemen kreeg, irrelevant is om de vraag te beantwoorden naar het waarom van verzoekers vlucht in 2003; dat de vraag van de Commissaris-generaal wel degelijk relevant is omdat ze hem toelaat de realiteit van verzoekers vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te beoordelen; dat uit de bestreden beslissing immers blijkt dat de aangehaalde problemen van verzoekers vader behoren tot de kern van verzoekers asielrelaas, omdat zij mee aan de basis liggen van zijn beweerde problemen en van zijn vlucht uit zijn land van herkomst; dat de Commissaris- generaal logischerwijze dieper ingaat op de politieke activiteiten van verzoekers vader en informeert naar de achterliggende redenen van diens problemen; dat de Commissaris-generaal zich terecht vragen kan stellen bij de “plotselinge” problemen van verzoekers vader, waarvoor verzoeker geen verklaring kan geven; dat verzoeker niet kan gevolgd worden wanneer hij desbetreffende vraag lichtzinnig en irrelevant noemt; dat verzoeker vervolgens aanvoert dat de Commissaris-generaal onterecht oordeelt dat niet zou blijken dat hij aan een persoonlijke en zwaarwichtige vorm van vervolging zou zijn blootgesteld, terwijl hij nochtans werd gearresteerd, bedreigd en aangevallen; dat uit de lezing van de bestreden beslissing evenwel blijkt dat de Commissaris-generaal hieromtrent overweegt dat verzoeker enkel ter ondervra- ging werd meegenomen, niet officieel in beschuldiging werd gesteld of veroordeeld en zelf niet van politieke activiteiten werd verdacht; dat de Commissaris-generaal hieraan toevoegt dat het bevreemdend is dat verzoeker na zijn aanhoudingen geen beroep deed op een Advocaat; dat verzoeker voornoemde motieven niet weerlegt; dat in het licht van voornoemde overwegingen, zijn grieven niet overtuigen; dat verzoeker eveneens de juistheid van de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt in vraag stelt en aanvoert dat hierover een nader onderzoek dient te gebeuren; dat verzoeker evenwel geen gegevens aanbrengt die aantonen dat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, onjuist is; dat hij ten slotte aanvoert dat de Commissaris-generaal onterecht argumenteert dat verzoeker bepaalde gegevens op de Dienst Vreemdelingenzaken niet vermeldde, terwijl de “lacunes” te wijten zijn aan de bondigheid van het interview aldaar; dat uit de gegevens van het administratief dossier XIV-15.949-5/8 blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid heeft gekregen om zijn asielrelaas uitgebreid uiteen te zetten; dat het om belangrijke gegevens gaat zodat kon worden verwacht dat hij ze vermeldde op de Dienst Vreemdelin-genzaken; dat de Commissaris- generaal derhalve dit motief kon weerhouden; Overwegende dat verzoeker zich voor het overige beperkt tot een herhaling van de feiten uit zijn asielrelaas waaruit hij dan zelf het besluit trekt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit wat voorafgaat evenwel blijkt dat hij nalaat concrete argumenten aan te brengen die de motieven van de bestreden beslissing weerleggen; dat hij zich steunt op vage en algemene opmerkingen die ontoereikend zijn om de aangehaalde vaststellingen, die terug te vinden zijn in het administratief dossier, te ontkrachten; dat zijn grieven niet vermogen de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten; Overwegende dat verzoeker verder aanvoert dat de Commissaris-generaal niet zou hebben geantwoord op al zijn argumenten; dat hij evenwel niet aangeeft op welke elementen van zijn asielrelaas de Commissaris-generaal niet zou hebben geantwoord; dat de Commissaris-generaal bovendien niet verplicht is op elk door de kandidaat-vluchteling aangevoerd argument te antwoorden; dat het volstaat dat de Commissaris-generaal alle objectieve gegevens nagaat die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat de motiveringsplicht zo moet begrepen worden dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven die van die aard zijn dat zij de conclusie van de bestreden beslissing verantwoorden en dat de conclusie logisch en in redelijkheid volgt uit de voorafgaande consideransen; dat verzoeker tevens aanvoert dat zijn verklaringen uit hun context werden gerukt en verkeerd werden geïnterpreteerd, maar dit niet verduidelijkt; dat hij verder nalaat uiteen te zetten waarom de Commissaris-generaal zich op onjuiste gegevens zou hebben gebaseerd, en om welke onjuiste gegevens het zou gaan; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Commissaris-generaal wezenlijke elementen van verzoekers vluchtrelaas over het hoofd zou hebben gezien; dat de Commissaris-generaal zich voor het nemen van zijn beslissing immers steunt op alle relevante elementen van het administratief dossier, op het persoonlijk relaas van verzoeker en op objectieve documentatie; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag onvoldoende heeft onderzocht; Overwegende dat verzoeker ten slotte opwerpt dat de Commissaris- generaal geen integrale weergave van zijn verklaringen bij de bestreden beslissing heeft gevoegd; dat evenwel niet kan worden ingezien wat het belang is van een integrale weergave van de verklaringen van verzoeker in de bestreden beslissing, vermits die zich in het administratief dossier bevinden en verzoeker die ten allen tijde kan raadplegen; dat verzoeker het belang ervan evenmin aantoont; dat in casu niet blijkt dat de Commissaris-generaal zijn beslissing op onjuiste feiten heeft gebaseerd en dat hij op grond van de door hem in overweging genomen feiten tot een verkeerd besluit is gekomen; XIV-15.949-6/8 Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing steun vinden in het administratief dossier; dat de bestreden beslissing gedragen wordt door pertinente en afdoende motieven, die niet door verzoeker worden weerlegd; dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond en bedrieglijk is en dat er hoegenaamd geen sprake is van machtsoverschrijding; dat het eerste en het tweede middel samengenomen ongegrond zijn;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.949-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-15.949-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.