id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.065 Rolnummer: A. 100324/XIV-1906 Zaak: Arrest 138065 - - 06/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 15:44 Fiche Arrest nr 138.065 van 6 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.065 van 6 december 2004 in de zaak A. 100.324/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 juni 1968 en van XXX nationaliteit, op 9 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd met ontvangstbewijs op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 16 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-1906-1/8 Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 17 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 15 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 januari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 6 oktober 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Pieter Vandergraesen. Betrokkene verklaarde te behoren tot de R.-clan, subclan H. en afkomstig te zijn uit B. Tot 1995 leefde ze zonder noemenswaardige problemen in B., maar na het vertrek van de VN- soldaten verslechterde de situatie. Omstreeks mei 1995 werden haar vader, een voormalig officier in het leger en tevens clanoudste, en haar echtgenoot, bekend zakenman, vermoord door de militie van krijgsheer A. Zelf werd ze geslagen, het huis werd in brand gestoken en één van haar kinderen raakte gewond. Hierna woonden ze in A., een opvangplaats voor ontheemden, ten noorden van B. Begin 1998 keerde ze terug naar B. Ze ontmoette er een zakenman met wie ze later huwde. Tijdens haar kortstondige verblijf in B. werd ze aangevallen door de militie van krijgsheer A. en samen met andere vrouwen meegenomen en verkracht. Na twee dagen kon ze ontsnappen en keerde ze terug naar A. Op 10 januari 2000 werd deze plaats door de militie van A. aangevallen. Haar echtgenoot en vele anderen werden ontvoerd. Met haar stiefmoeder en de kinderen van haar stiefmoeder trok betrokkene naar een onbekende plaats. Op 13 februari 2000 reisde ze, vergezeld van een reisagent, van B. naar D. (Verenigde Arabische Emiraten) en verder via Rome (Italië) naar België, waar ze op 17 februari 2000 aankwam. Dezelfde dag diende ze een asielaanvraag in. XIV-1906-2/8 Er kan om verschillende redenen geen geloof gehecht worden aan de verklaringen van betrokkene. Vooreerst wordt de geloofwaardigheid ervan ondermijnd door een aantal vage en uiteenlopende verklaringen. Zo blijkt uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 15 maart 2000) dat bij de aanval van de H.-militie op 10 januari 2000 haar schoonbroer om het leven kwam (punt 42). Tijdens het onderhoud door het Commissariaat-generaal verklaarde ze dat haar tante of schoonmoeder met haar kinderen wegvluchtte (verhoorverslag p.11-12), zonder melding te maken van de dood van haar schoonbroer. Tevens beweerde ze tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken niet te weten met welke luchtvaartmaatschappij ze eerst naar Dubai en vervolgens naar Rome vloog (verhoorverslag punt 41). Uit de vragenlijst van het Commissariaat-generaal (ingevuld op 4 april 2000, punt 20) en tijdens het onderhoud op het Commissariaat-generaal (p.13) beweerde ze met Air Afrique van Balidogle naar Dubai te hebben gevlogen. Uit telefonische navraag van het Commissariaat-generaal (dd. 20 december 2000) blijkt overigens dat Air Afrique geen vluchten heeft op XXX, noch op Dubai. Er kan evenmin geloof gehecht worden aan haar verklaring niet te weten welke richting ze uit vluchtte na de aanval op 10 januari 2000 en op welke onbekende plaats ze tot haar vertrek uit B. verbleef (p.11-12). Bij gebrek aan geldige documenten ter zake kan haar ware reisweg hoe dan ook niet worden nagegaan. Daarenboven stemmen de verklaringen van betrokkene niet overeen met de situatie terplekke. Uit publiek beschikbare informatie (www.arlaadinet.com; www.reliefweb.int) blijkt dat de militie van krijgsheer A. van september 1995 tot juni 1999 in B. aanwezig was. Dit stemt niet overeen met de verklaringen van betrokkene als zou deze militie hen aangevallen hebben in B. in mei 1995, vier maanden vóór de komst van de troepen van krijgsheer A., en opnieuw in A., wat volgens haar verklaringen te noorden van B. gelegen is, in januari 2000, ruim een half jaar nadat de militie van A. uit de regio van B. was verdreven. De kopie van de studentenkaart verpleegkunde van betrokkene (zonder leesbare referentie) doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, aangezien geen van de op deze kaart vermelde gegevens in twijfel wordt getrokken. Tenslotte bevat het door betrokkene ingediende verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 15 maart
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in samenlezing met artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure omschrijft; dat de voorliggende bestreden beslissing er slechts toe strekt verzoekster al dan niet voorlopig toe XIV-1906-3/8 te laten op het grondgebied teneinde een grondig onderzoek te voeren over de eventuele toekenning van het statuut van vluchteling, en derhalve werd genomen in de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit haar middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.1.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven die integraal worden weergegeven onder punt 1.
- van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - de geloofwaardigheid van verzoeksters verklaringen wordt ondermijnd door een aantal vage en uiteenlopende verklaringen in verband met de beweerde dood van haar schoonbroer, de luchtvaartmaatschappij waarmee ze naar Dubai en Rome vloog, de richting die ze uitvluchtte na de aanval op 10 januari 2000 en de onbekende plaats waar ze tot haar vertrek uit B. verbleef. Bij gebrek aan geldige documenten kan haar reisweg niet worden nagegaan; - de verklaringen van verzoekster in verband met de militie van krijgsheer A. stemmen niet overeen met de situatie ter plaatse zoals blijkt uit “publiek beschikbare informatie” op het internet; - de kopie van verzoeksters studentenkaart verpleegkunde doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen; - het door verzoekster ingediende dringend beroepsschrift bevat geen ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen; XIV-1906-4/8 Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de “bestreden beslissing op meerdere punten onjuist is en nog meer speculatief”; dat zij vervolgens de motieven van de bestreden beslissing tracht te weerleggen; dat zij uitdrukkelijk ontkent dat zij de dood van haar schoonbroer zou vermeld hebben op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat zij van mening is dat dit argument berust op een vergissing aangezien zij helemaal geen schoonbroer heeft; dat zij aanvoert dat zij deze kwestie tijdens het interview op het Commissariaat-generaal had kunnen uitklaren indien de interviewer-jurist haar ermee had geconfronteerd; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat haar “schoonbroer ook (werd) doodgeschoten” (verhoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl zij dit feit niet vermeldde tijdens het interview op het Commissariaat-generaal; dat evenwel uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken ook blijkt dat zij in haar antwoord op vraag 47 (vervolgingen ondergaan door familieleden of andere personen in gelijkaardige omstandigheden) géén melding maakte van de dood van haar schoonbroer, maar enkel van de dood en/of arrestatie van haar vader en haar beide echtgenoten; dat bijgevolg de vraag kan worden gesteld of er inderdaad geen sprake is van een “vergissing”; dat het antwoord op deze vraag evenwel niet kan leiden tot de onwettigheid van het voormeld motief; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken immers blijkt dat verzoeksters verklaringen haar op het einde van het interview werden voorgelezen; dat verzoekster aldus de mogelijkheid had om opmerkingen te formuleren over eventuele vertaalfouten of vergissingen; dat zij had moeten gebruik maken van deze mogelijkheid om het “misverstand” over de dood van haar schoonbroer recht te zetten; dat uit het verhoorverslag niet blijkt dat verzoekster dit heeft gedaan; dat zij bovendien, door haar handtekening, bevestigde dat het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken overeenstemt met de verklaringen die zij heeft afgelegd; dat de Commissaris-generaal derhalve de door verzoekster tijdens het betreffende verhoor afgelegde verklaringen in aanmerking kon nemen bij het nemen van zijn beslissing en het betreffende motief kon weerhouden; dat verzoekers argumentatie in haar inleidend verzoekschrift hieraan geen afbreuk doet; dat wat verzoeksters grief betreft over het feit dat zij niet op het Commissariaat-generaal werd geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid, dient te worden gesteld dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure is; dat de Commissaris-generaal vooralsnog niet verplicht was de kandidaat-vluchteling attent te maken op eventuele tegenstrijdigheden; dat ten slotte de bestreden beslissing steunt op een geheel van motieven; dat het dit geheel van motieven is dat de Commissaris-generaal heeft doen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag; Overwegende dat verzoekster de tegenstrijdigheid betreffende de luchtvaartmaatschappij toeschrijft aan een “misverstand en een slechte interpretatie van de tolk”; dat zij aanvoert dat de naam “Air Afrique”, die zij enkel vermeldde op het Commissariaat-generaal, een bijnaam is van een lokale maatschappij waarmee ze vloog, XIV-1906-5/8 zodat het argument dat de Commissaris-generaal put uit zijn telefonische navraag, irrelevant is; Overwegende dat het motief van de Commissaris-generaal met betrekking tot de luchtvaartmaatschappij steun vindt in het administratief dossier (vgl. verhoorverslag DVZ, vraag 41 en verhoorverslag CGVS, p. 13); dat de argumentatie van verzoekster niet verklaart waarom zij “Air Afrique” wel vermeldde op het Commissariaat-generaal, terwijl zij op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde niet te weten met welke maatschappij zij naar Dubai vloog; dat zij bovendien op het Commissariaat-generaal had kunnen toelichten dat het om een informele naam ging; dat zij niet aantoont dat het motief van de Commissaris-generaal feitelijke grondslag mist; Overwegende dat verzoekster het motief met betrekking tot haar vlucht na de aanval van 10 januari 2000 tracht te ontkrachten door erop te wijzen dat zij de woestijn invluchtte, waar geen steden of plaatsnamen zijn, dit alles in een vlaag van angst en paniek en dat de richting waarin zij wegvluchtte haar op dat moment niet bezig hield; Overwegende dat verzoekers argumentatie niet van aard is om het motief van de Commissaris-generaal, dat steun vindt in het administratief dossier, te weerleggen; dat zij niet aantoont dat de beoordeling van de Commissaris-generaal (namelijk dat het niet geloofwaardig is dat zij niet zou weten op welke plaats zij verbleef tot haar vertrek uit B.), onjuist is; Overwegende dat verzoekster ten slotte de gehanteerde documentatie van de Commissaris-generaal in twijfel trekt; dat zij aanvoert dat “de feitelijke situatie ter plaatse in grote mate verschilt van de berichtgeving op het internet waarvan de juistheid op geen enkele manier concreet en objectief te verifiëren valt aangezien dit louter berust op subjectieve informatie”; dat het verzoekster toekomt om een dergelijke bewering te onderbouwen en te staven met concrete bewijselementen; Overwegende dat verzoeksters argumentatie bestaat uit algemene beweringen; dat zij niet aantoont met concrete elementen dat de Commissaris-generaal zijn beslissing steunde op onjuiste informatie; dat zij geen begin van bewijs aanbrengt voor haar argumenten, die berusten op loutere veronderstellingen; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat zij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat zij evenmin in haar memorie van wederantwoord elementen aanbrengt die de motivering van de bestreden beslissing ontkrachten; dat uit het XIV-1906-6/8 administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van “de artikelen 48, 52, § 1, 7/, (en) 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in samenlezing met artikel 1 A 2 van de Vluchtelingenconventie van Genève van 1951”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeksters asielaanvraag werd afgewezen op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet zodat de schending van artikel 48 van voornoemde wet niet dienstig kan worden aangevoerd; dat onder punt 2.1.
- reeds werd uiteengezet waarom de schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet evenmin dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat artikel 52, § 1, 7/, van de Vreemdelingenwet enkel van toepassing is op vreemdelingen die zich aan de grens vluchteling hebben verklaard; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster zich aangeboden heeft bij de Dienst Vreemdelingenzaken te Brussel zodat voornoemd artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in essentie aanvoert dat de Commissaris- generaal onterecht tot de kennelijke ongegrondheid van haar asielaanvraag heeft besloten, terwijl dit enkel het geval kan zijn wanneer een kandidaat-vluchteling “geen enkel element” aanbrengt dat zijn verhaal ondersteunt; dat zij aanvoert dat zij minstens tot de gegrondheidsfase had moeten worden toegelaten, de fase waarin volgens haar het onderzoek naar de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie dient te gebeuren; dat verzoekster vervolgens uiteenzet waarom zij het statuut van politiek vluchteling moet krijgen; Overwegende dat de bestreden beslissing terecht werd genomen in het stadium van de ontvankelijkheidsfase van verzoeksters asielaanvraag; dat de Commissaris- generaal oordeelde op grond van artikel 52 van de Vreemdelingenwet dat verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk moest worden verklaard omwille van het kennelijk ongegronde karakter ervan; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag, hetzij ontvankelijk te verklaren, hetzij niet ontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen op basis van een aantal criteria; dat de Commissaris-generaal tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag kan besluiten omdat verzoeksters asielrelaas is aangetast door fundamentele tegenstrijdigheden; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal, op basis van de motieven opgenomen in de bestreden beslissing, op goede gronden en conform artikel 52 van de Vreemdelingenwet besloot tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag; dat verzoekster noch in haar inleidend verzoekschrift noch in haar memorie van wederantwoord elementen aanbrengt die XIV-1906-7/8 de wettigheid van de bestreden beslissing in het gedrang brengen; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-1906-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.