← België

Arrest 138069 - - 06/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.069 Rolnummer: A. 101988/XIV-2738 Zaak: Arrest 138069 - - 06/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 15:45 Fiche Arrest nr 138.069 van 6 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.069 van 6 december 2004 in de zaak A. 101.988/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1965 en van XXX nationaliteit, op 5 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 5 januari 2001; Gelet op de beschikking van 11 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 november 2004 om 14.00 uur; XIV-2738-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN HOECKE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-Adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 13 april 2000 en verklaart zich vluchteling op 14 april
  6. 1.
  7. Op 12 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 4 januari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, XXX staatsburger van T. origine, zou haar land verlaten hebben op 9 april
  9. Op 13 april 2000 zou ze in België zijn aangekomen waar ze één dag later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig internationaal paspoort. Volgens haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken van 29 juni 2000 zou ze haar land verlaten hebben omdat ze problemen kende met de etnisch XXX bevolking omwille van haar T. origine en door problemen op haar werk. Betrokkene zou omwille van haar T. origine het slachtoffer geweest zijn van racisme en discriminatie door etnische XXX. In januari 2000 zou betrokkene op haar werk het bezoek hebben gehad van twee veiligheidsagenten. Die zouden van betrokkene informatie gewild hebben over een aantal mensen die (dat) op het hoofdkwartier van de luchtmacht van XXX werkte. Betrokkene zou hiermee ingestemd hebben. In februari 2000 zou ze de veiligheidsagenten twee keer informatie hebben doorgegeven. Betrokkene zou dit verteld hebben aan een collega die haar aanraadde de speciale cel van de luchtmacht in te lichten. Ze zou een rapport hebben moeten opstellen en zou sindsdien problemen hebben gehad op haar werk. Op 27 februari 2000 zou ze zijn aangevallen door twee XXX en ze zou nadien dreigtelefoons ontvangen hebben. Begin maart 2000 zou ze verlof genomen hebben en bij een vriendin zijn ingetrokken. Daar zou ze via collega's gehoord hebben dat er iemand op zoek was naar haar. Van de buurvrouw zou ze gehoord hebben dat er onbekende mannen aan haar deur hadden gebeld. Betrokkene zou niet meer naar haar appartement zijn teruggekeerd en zou het land verlaten hebben in het bijzijn van haar zoontje en haar nicht G. (O.V. 4.958.633). Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene op haar werk problemen kreeg door het afluisteren van telefoongesprekken en het doorgeven van de aldus verworven informatie aan twee agenten van de veiligheidsdienst. Deze problemen zijn echter van private en XIV-2738-2/8 gemeenrechtelijke aard zonder dat ze enige politieke, etnische of religieuze connotatie hebben. Bijgevolg vallen ze buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Zelfs indien de problemen op haar werk zouden voortvloeien uit haar etnische origine dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde vervolging van zichzelf en andere niet-XXX door de etnisch-XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport XXX van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie XXX Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de T. bevolkingsgroep. Deze informatie tast de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas op een fundamentele wijze aan. Bovendien heeft betrokkene nagelaten om voor haar problemen, zowel op haar werk als daarbuiten, de hulp in te roepen van de hogere XXX autoriteiten. Uit de informatie (Missierapport XXX van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie XXX Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) blijkt dat de hogere XXX autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van T. afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging niet op bescherming van de XXX overheid kunnen rekenen. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden weerhouden. De door betrokkene in het kader van haar asielaanvraag neergelegde documenten (identiteitskaart, werkpas, geboorteakte nicht S., geboorteakte zoon) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze enkel de identiteit van betrokkene en haar zoon bevestigen, waaraan niet wordt getwijfeld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 12 juli
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending op vrijdag 5 januari 2001 werd verstuurd en dat de kennisgeving plaatsvond op maandag 8 januari 2001; dat het op maandag 5 februari 2001 aangetekend verzonden verzoekschrift derhalve tijdig werd ingediend;
  12. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.
  13. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster niet akkoord gaat met de overweging dat haar XIV-2738-3/8 problemen geen verband houden met politieke, etnische of religieuze criteria; dat de problemen van verzoekster wel degelijk verband houden met haar etnische afkomst als T.; dat haar problemen tevens niet louter privaatrechtelijk of gemeenrechtelijk zijn omdat zij zich als militair zou moeten verantwoorden bij de militaire overheden; dat de informatie van het Commissariaat-generaal betrekking heeft op personen van R. origine in XXX; dat verzoekster echter van T. origine is; dat de bestreden beslissing de indruk geeft dat de T. origine gelijkgeschakeld kan worden met de R.; 3.1.
  14. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekster niet verduidelijkt wat het verband is tussen haar problemen en haar etnische afkomst; dat de bestreden beslissing gesteund is op het geheel van informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en dat verzoekster in gebreke blijft de vaststellingen van de krantenberichten in concreto te weerleggen; dat het rapport van de immigratieambtenaar betrekking heeft op alle minderheden in XXX; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.1.
  15. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord verwijst naar haar uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift; 3.1.
  16. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betreft, dit artikel de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure omschrijft; dat de voorliggende bestreden beslissing er slechts toe strekt verzoekster al dan niet voorlopig toe te laten op het grondgebied teneinde een grondig onderzoek te voeren over de eventuele toekenning van het statuut van vluchteling, en derhalve werd genomen in de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-2738-4/8 Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in voorliggend geval tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat de problemen die zij inroept (problemen op haar werk door het afluisteren van telefoongesprekken en het doorgeven van de aldus verworven informatie aan twee agenten van de veiligheidsdienst) van private en gemeenrechtelijke aard zijn zonder dat ze enige politieke, etnische of religieuze connotatie hebben, en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de bedrieglijkheid is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten of berusten op foutieve informaties en essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu op goede gronden tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat de door verzoekster aangehaalde vervolging van andere niet-XXX door de etnisch XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; Overwegende dat verzoeksters bewering dat haar problemen niet louter gemeenrechtelijk zijn, omdat zij zich als militair zou moeten verantwoorden tegenover de militaire overheden, geen steun vindt in het administratief dossier; dat zij op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van persoonlijke problemen om hogergenoemde reden, evenmin als in haar verzoekschrift dringend beroep; dat wat verzoeksters argumenten betreft als zou zij worden vervolgd omwille van haar T. afkomst en dat dit niet kan worden gelijkgesteld met een R. afkomst, de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing overweegt dat de door verzoekster aangehaalde vervolging van niet-XXX door de etnisch-XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat in deze informatie nergens melding wordt gemaakt van dergelijke vervolging en dat blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de T. bevolkingsgroep; dat de Commissaris-generaal vervolgt met de vaststelling dat verzoekster XIV-2738-5/8 heeft nagelaten de hulp in te roepen van de hogere XXX autoriteiten, terwijl uit dezelfde informatie blijkt dat deze autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau mogelijk is voor personen van T. afkomst om bescherming te krijgen; dat verzoekster zich beperkt tot het betwisten van deze informatie, zonder concreet aan te geven op welke bronnen zij zich daarvoor steunt, en aan te duiden dat een T. afkomst niet gelijkgesteld kan worden met een R. afkomst; dat een dergelijke argumentatie niet van aard is om de conclusie van de Commissaris-generaal, die gebaseerd is op voormelde objectieve studie, te weerleggen; Overwegende dat de bestreden beslissing wordt geschraagd door motieven die pertinent, deugdelijk en draagkrachtig zijn en die steun vinden in het administratief dossier en in het relaas van verzoekster voor de asielinstanties, waarbij deze instanties rekening hielden met alle relevante gegevens van de zaak; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  17. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de rechten van de verdediging; dat verzoekster niet werd uitgenodigd voor verhoor; dat zij bijgevolg ook geen bijkomende documenten heeft kunnen indienen tijdens dat verhoor; dat verzoekster bij huidig verzoekschrift drie documenten voegt; dat het eerste document een oproeping is om te verschijnen voor het Departement Binnenlandse Zaken, het tweede een kennisgeving waarin aan verzoekster wordt meegedeeld dat haar dochter strafrechtelijk wordt opgespoord en dat iedereen verplicht is de verblijfplaats van verzoekster mee te delen, en het derde document betreft een vertaling van een brief van verzoeksters moeder waarin melding gemaakt wordt van personen die op zoek zijn naar verzoekster; 3.2.
  18. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het dringend beroep een administratieve beroepsprocedure is die werd toevertrouwd aan een onafhankelijke en gespecialiseerde administratieve instantie; dat deze procedure niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege waar de rechten van de verdediging onverkort moeten worden gerespecteerd; dat er geen verplichting bestaat van verhoor voor het Commissariaat-generaal en dat telkens individueel wordt beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van de beslissing; dat verzoekster bij het Commissariaat-generaal documenten kon indienen; dat de kandidaat-vluchteling de nodige alertheid aan de dag moet leggen om de overheid zo snel mogelijk alle documenten te bezorgen die verband houden met de vrees voor vervolging; dat de nieuwe documenten niets wijzigen aan de vaststelling van bedrieglijkheid van het relaas en dat zij evenmin de etnische connotatie met verzoeksters problemen aantonen; XIV-2738-6/8 Overwegende dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.2.
  19. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord verwijst naar haar uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift; 3.2.
  20. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien wanneer hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn belangen kan opkomen; dat verzoekster bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, vermits het verzoekschrift in dringend beroep gemotiveerd is; dat het haar bovendien vrij stond een vragenlijst aan te vragen of een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoekster te horen; Overwegende dat verzoekster de drie documenten die zij bij het inleidend verzoekschrift voegt, niet heeft ingediend bij het Commissariaat-generaal; dat zij geen reden opgeeft waarom zij dit niet heeft gedaan; dat met deze stukken bijgevolg geen rekening kon worden gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing; dat het de Raad van State niet toekomt om voor de eerste maal te oordelen over de bewijswaarde van deze documenten, aangezien de Raad enkel een wettigheidscontrole uitoefent op de bestreden beslissing; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-2738-7/8 BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-2738-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.