id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.081 Rolnummer: A. 154996/XII-4239 Zaak: Arrest 138081 - - 07/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 15:48 Fiche Arrest nr 138.081 van 7 december 2004 - Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.081 van 7 december 2004 in de zaak A. 154.996/XII-
- In zake : Paul DOFFIJN, wonende te Lokeren, Oude Eksaardebaan 12 tegen : de BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN. verzoeker in tussenkomst: Bart VERBRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat M. Cottyn, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32 A, bus 1-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul Doffijn op 24 augustus 2004 heeft ingediend om onder verbeurte van een dwangsom de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen [van] 24 juni 2004 [...] dat verzoeker, naar aanleiding van een proef ingericht door de Bestendige Deputatie voor het te begeven bevorderingsambt van directeur aan het Provinciaal Instituut te Ninove, werd geëvalueerd als ‘niet geslaagd’”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4239-1/4 Gelet op de beschikking van 3 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van directeur M. Stepman, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat W. Van Laethem, die verschijnt voor verzoeker in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Bart Verbrugge met een verzoekschrift van 22 september 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat hij zijn belang bij de tussenkomst als volgt uiteenzet : “Verzoeker tot tussenkomst was de enige geslaagde bij het betrokken examen. Hij heeft dus belang bij het behoud van de examenuitslag daar hij dan als enige kan aangesteld worden in de directeursfunctie bij het Provinciaal Technisch Instituut te Ninove”; Overwegende dat ter terechtzitting blijkt dat B. Verbrugge heeft verzaakt aan de bedoelde aanstelling; dat hij ze nooit effectief heeft opgenomen; dat dit de negatie is van het door verzoeker in tussenkomst aangevoerde belang bij de oplossing van de zaak; dat zijn raadsvrouw ter terechtzitting tegen die vaststelling geen argumenten heeft; dat het verzoek wordt afgewezen; Overwegende, ambtshalve, dat de vraag rijst of het beroep thans nog een voorwerp heeft, dan wel doelloos is geworden in de zin van artikel 93, tweede lid, van het algemeen procedurereglement; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over die ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; XII-4239-2/4 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker “oordeelt dat de mogelijkheid voor hem om vooralsnog directeur te worden uitgesloten is”; dat hij zich dit oordeel vormt omdat de directeursfunctie in alle provinciale scholen momenteel is ingevuld en omdat hij zelfs indien er een vacature is als tijdelijk leraar volgens de toepasselijke reglementering maar in aanmerking komt in de zeer uitzonderlijke gevallen dat er drie oproepen nodig zijn; dat hij ook argumenteert in een slechte relatie te zullen staan met de nieuwe directeur als B. Verbrugge aangesteld zou worden; dat hij ook wijst op de ervaring die B. Verbrugge zou opdoen tijdens zijn aanstelling; dat hij ten slotte al het voorgaande in verband brengt met zijn gevorderde leeftijd en de tijd die een procedure voor de Raad van State in beslag neemt; Overwegende dat ter terechtzitting is gebleken dat het door verzoeker ingeroepen nadeel nog sneller is verdwenen dan enige procedure voor de Raad van State hem ervoor had kunnen behoeden; dat immers niet alleen B. Verbrugge heeft verzaakt aan zijn aanstelling, zodat deze nóch in de gevreesde hiërarchisch hogere positie komt te staan nóch de gewraakte ervaring kan opdoen; dat daarenboven als gevolg hiervan ook de directeursfunctie in een provinciale school niet meer is ingevuld; dat integendeel verwerende partij verklaart te hebben besloten de plaats opnieuw vacant te verklaren en andermaal een externe oproep te doen aan kandidaten, waar ook verzoeker op zal kunnen reageren; Overwegende dat aldus aan de besproken voorwaarde niet is voldaan; dat daaruit volgt dat de vordering die verzoeker in fine van het verzoekschrift formuleert tot het opleggen van een dwangsom eveneens dient te worden verworpen, XII-4239-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Bart Verbrugge in de vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing en tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van het verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van verzoeker in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4239-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.081 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.