id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.094 Rolnummer: A. 101281/XIV-2425 Zaak: Arrest 138094 - - 07/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 15:50 Fiche Arrest nr 138.094 van 7 december 2004 - Beslissing : Voortzetting gewone procedure Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.094 van 7 december 2004 in de zaak A. 101.281/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat F. THOMAS, kantoor houdende te 4020 LUIK, rue de Pitteurs 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 2 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 maart 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2004; XIV-2425-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. FOBE, die loco advocaat F. THOMAS, verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 april 1996 en zich op 4 april 1996 de eerste keer vluchteling verklaart ; dat de verzoekende partij zich op 26 januari 1998 de tweede keer vluchteling verklaart; dat deze asielprocedure op 16 februari 1998 werd afgesloten met een weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; dat de verzoekende partij zich op 12 januari 1999 de derde keer vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 31 maart 1999 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 6 februari 2001 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Aan betrokkene werd op 31 mei 1999 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4 van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 9 juni
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”.
- Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel het volgende aanvoert: “Moyen Moyen unique: violation de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs. Les dispositions légales exigent une motivation précise, pertinente et adéquate. Tel n’est manifestement pas le cas en l’espèce. XIV-2425-2/5 En effet, la décision du CGRA du 06/02/2001 confirmant la décision du refus de droit de séjour se fonde sur le fait que, sans raison valable, la requérante n’aurait pas donné de suite à la convocation du 31 mai 1999 et ce, dans le mois de l’envoi. Cette allégation est inexacte puisque - comme indiqué ci-avant - la requérante a dès le 13 juin 1999 adressé un courrier au CGRA contentant des pièces justificatives. Un quiproquo étant né du fait qu’elle à la même époque subi un avortement et eu une fracture d’une phalange du quatrième doigt de la main droite, d’autres courriers ont par ailleurs suivi: - lettre du 22 juin 1999 de la requérante au CGRA - lettre l’ancien conseil de la requérante datée du 29/06/1999 par laquelle il renvoie au courrier qui a été adressé le 13.06.
- - fax du 19.08.1999 de l’ancien conseil de la requérant à Monsieur PEDE, ancien gestionnaire du dossier où il joint le certificat médical du 18/08/1999 du docteur ANTOINE prouvant l’impossibilité pour la requérante de se rendre le 10/08/1999 à la convocation. L’absence de toute mention au sujet de ces différents envois dans la décision entreprise de même que l’affirmation contraire à la réalité de l’absence de réaction de la requérante rend la motivation de cette décision inadéquate, erronée et insuffisante en violation de l’article 3 de la loi du 29/07/1999 relative à la motivation formelle des actes administratifs. Il y a en conséquence lieu d’annuler la décision attaquée.”; 2.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) ‘4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”. Overwegende dat uit het administratieve dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 31 mei 1999 een oproeping voor een verhoor op 10 juni 1999 aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat onderaan de oproeping wordt vermeld: “Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, wordt u dringend verzocht enerzijds het bewijs van de ingeroepen overmacht en anderzijds ALLE elementen die u ter ondersteuning van uw asielaanvraag wil inroepen, per aangetekend schrijven over te maken aan het Commissariaat-generaal.” Overwegende dat voormelde brief een “oproeping” vormt in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij op 13 juni 1999 een brief met rechtvaardigingsstukken naar het commissariaat-generaal heeft gestuurd en op 22 juni 1999 een faxbericht naar het commissariaat-generaal heeft gestuurd met de vraag een andere datum voor verhoor te bepalen; dat de raadsman van de verzoekende partij op 29 juni 1999 een brief naar het commissariaat-generaal heeft gestuurd waarbij wordt gemeld dat zijn cliënte zich om medische redenen niet kon aanbieden verwijzend naar haar brief van 13 juni 1999 en met de vraag haar “uit te nodigen voor een nieuw onderhoud”; dat de verzoekende partij daarmee een geldige reden in de zin van datzelfde artikel heeft laten gelden om niet op het voorziene verhoor te verschijnen; XIV-2425-3/5 Overwegende dat de kwestieuze oproeping door de commissaris- generaal geen “verzoek om inlichtingen” vormt maar dat de vraag naar inlichtingen die erin vervat zit slechts een bijkomende voorwaarde vormt waaraan zou moeten worden voldaan in geval van overmacht om op het verhoor te verschijnen; dat dergelijke bijkomende voorwaarde niet in de wet is voorzien, nu daarin slechts sprake is van het aanvoeren van “een geldige reden”; dat derhalve in het ontbreken van een aangetekend schrijven met alle elementen ter staving van de asielaanvraag in dit geval geen grond kan worden gevonden voor een afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het middel niet kennelijk ongegrond is in de mate dat de schending van deze laatste bepaling wordt opgeworpen;
- Betreffende de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende dat met betrekking tot de eerste voorwaarde hierboven sub 2.2, laatste considerans werd geoordeeld dat het enige middel niet ongegrond lijkt; dat uit de bespreking ervan integendeel blijkt dat het middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; 3.2.
- Overwegende dat met betrekking tot de tweede voorwaarde de verzoekende partij aanvoert wat volgt: “Risque de préjudice grave et difficilement réparable Il y a lieu de rappeler les différentes difficultés auxquelles a été confrontée la requérante. Celle-ci est de nationalité géorgienne mais d’origine kurde yesidi minorité ethnique et religieuse. Parce qu’ayant subi des pratiques descriminatoires et des persécutions incessantes, elle a quitté son pays pour venir s’installer en Belgique en 1996 avec son époux et ses deux enfants. Elle est retournée en Géorgie via Moscou le 25/08/
- Lors de son retour, elle a constaté que sa maison était occupée par des géorgiens. Ceux-ci l’ont battue et violée de sorte qu’elle a dû rester hospitalisée trois semaines. Elle a par ailleurs appris que son frère avait été assassiné. XIV-2425-4/5 Les plaintes auprès de la police étant restées sans suite, la requérante a alors décidé de retourner en Belgique. Au vu de ces éléments, il y a lieu de décider qu’un l’état actuel du dossier, il ne peut être établi que le risque sérieux et grave n’existe pas.”; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de herhaling van haar vluchtmotief, dat vrij vaag en ongedetailleerd voorkomt, zonder nadere gegevens aan te brengen ter staving van de aangevoerde feiten; dat zij daarmee geen werkelijk noch een dreigend persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk maakt; dat zij met haar uiteenzetting niet aantoont dat aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, zodat de vordering tot schorsing moet worden verworpen; BESLUIT: Artikel 1 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2 De behandeling van het beroep tot nietigverklaring zal worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 tot
- Artikel 3 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2425-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.