id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.096 Rolnummer: A. 101097/XIV-2321 Zaak: Arrest 138096 - - 07/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 15:50 Fiche Arrest nr 138.096 van 7 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.096 van 7 december 2004 in de zaak A. 101.097/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DEPONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 28 februari 2001 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 januari 2004; XIV-2321-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DEPONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 maart 1999 en zich vluchteling verklaart op 4 maart 1999; dat op 11 maart 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 30 januari 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in antwoord op het auditoraatsverslag op 30 december 2003 een “nota” heeft ingediend waarin zij aanvoert dat het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de vreemdelingen artikel 6.1 van het E.V.R.M. zou schenden in de mate dat het aan de verzoekende partij geen middel meer verleent ter beïnvloeding van de magistraat voor de sluiting der debatten; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de kwestieuze voorschriften disproportioneel zijn met het nagestreefde doel en, meer bepaald, de rechten van de verdediging op onevenredige wijze beknotten door geen mogelijkheid van een laatste memorie te voorzien wanneer de auditeur in zijn verslag besluit tot de toepassing van artikel 26 van het K.B. van 9 juli 2000; dat uit het verslag aan de Koning van dat K.B. blijkt dat de ervaring heeft geleerd dat de laatste memories in vreemdelingengeschillen summier zijn en vaak louter voor de vorm worden ingediend; dat hoe dan ook de betrokkene de eventuele toelichting die hij na het auditoraatsverslag nog wil geven doen, ter terechtzitting kan geven; dat de Raad alsdan kan beslissen dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 26 en dat de procedure integendeel moet worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 e.v. van het K.B. van 9 juli 2000; dat de vereenvoudiging van de procedure ook voordelen biedt voor de rechtzoekende, die in casu gebruik heeft kunnen maken en effectief heeft XIV-2321-2/8 gemaakt van de mogelijkheid om de opmerkingen uit de bewuste nota ter terechtzitting voor te leggen alvorens de zaak in beraad werd genomen; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 6.1 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat haar “nota” van 30 december 2003 uit de debatten moet worden geweerd; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij betoogt dat haar echtgenote bij vonnis van 25 februari 2002, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg van Doornik, werd erkend als staatloze in de zin van het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954; dat de verzoekende partij niet kan worden teruggeleid, terwijl “zijn echtgenote en dochter in België zouden mogen verblijven”; 3.1.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) over de nationaliteit van haar echtgenote verklaarde: “Russisch-Oezbekistan” en tijdens het tweede interview op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat haar echtgenote, in tegenstelling tot zijzelf, niet haar oud Sovjetpaspoort inwisselde voor een Oezbeeks paspoort; dat haar echtgenote op de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zij de Russische nationaliteit bezit en tijdens haar eerste interview op het commissariaat-generaal: “Volgens het decreet moet iedereen voor het jaar 2000 het oude pp (lees: Sovjetpaspoort) ingeruild hebben zowieso het Oezbeeks staatsburgerschap als ons propiska in Oezbekistan is”; dat deze verklaringen niet eensluidend zijn met betrekking tot de nationaliteit en het staatsburgerschap van verzoekers echtgenote; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat haar echtgenote als een staatloze dient te worden beschouwd, nu zij zelf tot tweemaal toe stelde het Oezbeeks staatsburgerschap te bezitten en tevens verklaarde enkel haar oud Sovjetpaspoort te behouden om gemakkelijker haar familie in Rusland te bezoeken, dat gelet op de feitelijke gegevens van het dossier aan de commissaris-generaal geen machtsoverschrijding of dwaling kan worden verweten; dat, wat het advies tot terugleiding betreft, dient te worden opgemerkt dat dit advies werd genomen in het kader van het door artikel 63/5 in fine van de Vreemdelingenwet voorziene advies dat de commissaris-generaal moet verstrekken inzake mogelijke repatriëring; dat dit advies louter formeel is; dat de beslissing met betrekking tot de uitwijzing van verzoeker en zijn echtgenote behoort tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken en niet voortvloeit uit de bestreden beslissing; dat gelet op het voorgaande de aangevoerde schending van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M. niet dienstig is; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-2321-3/8 “Tweede middel Schending van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de Conventie van Genève, van art. 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, afwezigheid van redenen en op zijn minst een manifeste appreciatiefout en schending van het algemeen principe van de rechten van de verdediging. Doordat de bestreden beslissing vooropstelt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk is. Terwijl, bij het ontvankelijkheidsonderzoek, overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht, de bewijslast inzake de ontvankelikheid bij de bevoegde administratie ligt en dat bijgevolg het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet bewijzen dat er een onontvankelijkheidsgrond bestaat: is die er niet, dan kan de aanvraag in dit stadium van de procedure niet worden verworpen (M. Bossuyt, “Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingenwet voor de Senaatscommissie voor de binnenlandse aangelegenheden”, ParL. St. Senaat 1992-93, nr. 555/2,
(54), nr 4) en uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een bedrieglijke aanvraag tot asiel zou hebben gedaan. Dat zulks immers zou impliceren dat de verzoekende partij gebruik zou hebben gemaakt van bv. valse identiteitspapieren of reisdocumenten of van valse of vervalste documenten in het algemeen, of een aanvraag zou hebben gedaan, die valse inlichtingen zou bevatten ofwel essentiële gegevens zou verzwijgen. Dat zulks in casu op geen enkel ogenblik wordt beweerd, laat staan dat het zou bewezen voorkomen en overigens is het gebruik van valse documenten op zichzelf niet eens voldoende om te besluiten tot een bedrieglijke aanvraag (Parl. St. Kamer, 1986-87, nr. 689/10, 7) en doordat indien de beslissing op een andere onontvankelijkheidsgrond zou zijn gesteund, de beslissing onduidelijk is en bijgevolg niet of onvoldoende gemotiveerd, nu niet kan uitgemaakt worden op welke grond, naast de manifest ongegronde aantijging van bedrog, tot onontvankelijkheid werd besloten. Dat de beslissing weliswaar vermeldt dat “gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juni 1951, worden vastgesteld”, doch dit op zichzelf geen reden is om tot onontvankelijkheid te besluiten. Dat een onontvankelijkheidsgrond slechts kan worden toegepast hetzij in geval van bedrog (quod non), hetzij in het geval de asielzoeker geen enkel element aanbrengt dat verband houdt met het Vluchtelingenverdrag of met andere criteria die asiel wettigen. Dit zou met name het geval zijn wanneer de verzoekende partij zou hebben toegegeven dat andere familiale, sociale of economische motieven hem of haar er hebben toe aangezet het land van herkomst te verlaten (Par. St. Kamer, 1992-93, nr. 903/5, 45). Dat daar in casu in de verste verte geen sprake van is, vermits de verzoekende partij en zijn echtgenote een duidelijk en samenhangend verhaal hebben verteld dat verwees naar de vrees die zij hebben voor vervolging in Oezbekistan omwille van o.m. het feit dat zij etnische Russen zijn en gelovige Christenen en doordat de bestreden beslissing vooropstelt “Verder verklaart betrokkene op de dienst Vreemdelingenzaken niets over zijn problemen met de etnische Oezbeek, genaamd Sandjar. Dit is merkwaardig gezien betrokkene volgens zijn verklaringen op het commissariaat-generaal veel problemen met die man en zijn moeder kende en er andere problemen uit voortvloeiden. Ook over de problemen met zijn schoonbroer van Oezbeekse origine rept betrokkene met geen woord op de dienst Vreemdelingenzaken, ook dit is merkwaardig gezien het feit dat zowel betrokkene als zijn echtgenote wel degelijk problemen vermelden met hun schoonbroer in Oezbekistan, terwijl verzoekende partij erop wijst dat het eerste interview voor de dienst Vreemdelingenzaken is gebeurd op een ogenblik dat de verzoekende partij net in België was aangekomen, na een dagenlang vermoeiende reis, gedurende dewelke de verzoekende partij nauwelijks enige nachtrust had gekend, en dat hij en zijn vrouw er helemaal niet van op de hoogte waren dat zij bezig waren een interview te geven binnen het raam van hun asielprocedure. Dat niemand de tijd had gehad of de moeite had genomen hen in te lichten of dat de verzoekende partij en zijn echtgenoot zulks in elk geval niet hadden begrepen, nu de vragenlijst die dienst ingevuld te worden op de dienst Vreemdelingenzaken nergens uitdrukkelijk aangeeft dat het gaat om een procedurestuk binnen de asielaanvraag. Dat de verzoekende partij zulks uitdrukkelijk gemeld heeft in zijn verhaal voor de commissaris-generaal en doordat de bestreden beslissing vooropstelt: “Zo verklaart betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken dat het zijn Sovjetpaspoort is dat in Oezbekistan op het militair commissariaat is achtergebleven. Voor het commissariaat- generaal verklaarde hij echter dat zijn nieuwe groen Oezbeeks paspoort op het militair commissariaat is blijven liggen” en verder “Bovendien verklaarde betrokkene dat hij en zijn vrouw bij hun aanhouding te horen kregen dat ze problemen gingen krijgen als ze hun oude sovjetpaspoort zouden houden. Daarom zou betrokkene zijn oude sovjetpaspoort omgeruild XIV-2321-4/8 hebben voor een nieuw. Betrokkenes vrouw verklaarde echter dat ze nog geen nieuw paspoort had omdat ze nog nooit was opgepakt geworden met het oude” terwijl het duidelijk moet zijn dat de vermelding naast vraag 20 op het formulier van de verzoekende partij, een vergissing is, mogelijks van diegene die het heeft ingevuld, mogelijks van de tolk, want als antwoord naast vraag 6 werd vermeld: “staatsburgerschap: Oezbekistan” en men het staatsburgerschap van de nieuwe Republiek slechts kon verwerven op het ogenblik dat men zijn oude Sovjetpaspoort inruilde voor een nieuw (cfr. art. 5 van de wet van de Republiek Oezbekistan op het staatsburgerschap) en zulks maar al te duidelijk blijkt uit het antwoord op vraag 42, onderaan “In december 98 moest ik mijn sovjetpaspoort afgeven en werd ik gedwongen het Oezbeeks staatsburgerschap aan te nemen”; en terwijl de verzoekende partij ten stelligste ontkent, dat wanneer men weet dat hij zijn sovjetpaspoort had ingeruild en zijn echtgenote niet, dat er nog tegenstrijdigheden dienaangaande zouden zijn in het administratieve bundel en doordat de bestreden beslissing vooropstelt: “Vervolgens verklaart betrokkene op de dienst Vreemdelingenzaken dat geen familieleden van hem vervolgingen ondergaan hebben. Voor het commissariaat-generaal verklaart hij echter dat zijn vrouw in het politiebureau werd mishandeld omdat ze van Russische origine is” terwijl de verzoekende partij het woord “vervolgingen” op het ogenblik dat hij het formulier invult voor de dienst Vreemdelingenzaken restrictief heeft geïnterpreteerd met name als een gerechtelijke vervolging; dat een vergissing omtrent de juridische draagwijdte van een begrip, niet constitutief kan zijn voor de ondermijning van de geloofwaardigheid van het verhaal; en doordat de bestreden beslissing vooropstelt: “Veder verklaart betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken dat hij op 26 januari 1999 werd opgeroepen door het oorlogscommissariaat maar niet ging. Later zou er bij betrokkene thuis een officier gekomen zijn die hem dwong toch te gaan. Voor het commissariaat-generaal verklaart betrokkene echter dat hij einde januari 1999 van twee militairen thuis een oproepingsbrief had gekregen en wel degelijk inging op die oproeping. Betrokkenes vrouw verklaart dan weer dat de convocatie bij betrokkene thuis werd afgegeven door een vrouw die alleen was” en terwijl zulks niet in overeenstemming is met hetgeen werd genoteerd door de jurist tijdens het interview voor het commissariaat-generaal en evenmin met hetgeen werd opgetekend als antwoord op de vraag nr 42; Dat op de dienst Vreemdelingenzaken het volgende werd opgetekend: “Op 26/1/1999 werd ik naar het oorlogscommissariaat geroepen. Ik was daarvoor al eens opgeroepen, maar ging niet omdat ik dacht dat het om een formaliteit ging. Er kwam echter een officier bij mij thuis die me gebood naar het oorlogscommissariaat te gaan”. Dat voor de echtgenote van de verzoekende partij op 10 juni 1999 het volgende werd genoteerd: “In januari hebben we bezoek gekregen van een vrouw. Allen ? Ja. Zij bracht de convocatie. ‘s Avonds kregen we bezoek van 2 militairen ...”, terwijl voor de verzoekende partij het volgende wordt genoteerd: “Problemen met het leger, opgeroepen ? (onleesbaar) januari 1999, zijn de militairen naar ons huis gekomen. 2 militairen, ze waren in uniform, naam gevraagd, militair boekje, convocatie gegeven voor volgende morgen + pp afgenomen”. Dat hieruit duidelijk volgt dat de verzoekende partij verschillende convocaties ontving, een eerste waarop hij niet is ingegaan en vervolgens een convocatie die door een vrouw werd afgegeven op een ogenblik dat verzoeker niet thuis was en die verzoeker, samen met andere stukken heeft overhandigd aan de 2 militairen die in de loop van de avond bij hen zijn langsgekomen en die verzoeker dwongen mee te gaan naar het militair commissariaat. Dat er dan ook niet de minste tegenstrijdigheid te ontwaren is, te meer daar alles werd genoteerd in het “Militair boekje” waarvan sprake in de beslissing genomen t.a.v. de verzoekende partij en dat blijkt dat dit boekje niet eens werd vertaald, waardoor de rechten van de verdediging werden geschonden; en doordat de bestreden beslissing vermeldt: “Vervolgens verklaarde betrokkene drie keer te zijn opgepakt en telkens pas de volgende ochtend te zijn vrijgelaten. Betrokkenes vrouw verklaarde echter dat haar man slechts éénmaal een hele nacht werd vastgehouden”; terwijl zulks niet overeenstemt met hetgeen door de jurist werd opgetekend: “Was het de enige keer dat uw man opgesloten werd ? ik weet het niet wanneer maar hij werd meerdere keren ervoor vastgehouden. Hoeveel keren ? meerdere keren. Is hij meerdere keren vastgehouden voor de volledige dag ? ik weet het niet hij werd vóór 98 niet een hele dag vastgehouden. Is het 1 keer voorgevallen dat uw man ‘s nachts werd vastgehouden ? ja”. Dat uit deze teksten met de beste wil van de wereld geen tegenstrijdigheid met de verklaring van zijn vrouw kan worden ontwaard, vermits hieruit alleen kan worden afgeleid dat het minstens 1 keer is gebeurd dat de man in 1998 ook ‘s nachts werd vastgehouden. Dat de man een volledig verhaal heeft verteld, terwijl zijn echtgenote het alleen had over de laatste feiten. Dat de verzoekende partij wel degelijk een gegronde vrees koesterde voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, omwille van motieven vermeld in de Conventie. Dat hij terecht zeer argwanend was, toen hij in zeer vreemde omstandigheden werd opgeroepen voor een soort “bijkomende militaire dienst”, waarbij uitsluitend etnische XIV-2321-5/8 russen betrokkene waren, allen specialisten in het maken van springtuigen en Tasjkent enige tijd daarna plots opgeschrikt werd door een reeks bomontploffingen. Dat het regime in Oezbekistan o.m. voor etnische Russen volstrekt onbetrouwbaar is, dat de mensenrechten zeer regelmatig worden geschonden en er een situatie van volstrekte discriminatie heerst ten aanzien van eenieder die geen moslim is (cfr. o.m. 1999 Country Reports on Human Rights Practices, US. Department of State). Dat verzoeker voor elk mondeling verhoor de Russische taal kiest. Dat verzoeker om het voordeel van de kosteloze rechtspleging verzoekt daar hij ten laste is van een OCMW en dat hem de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand werd verleend voor onderhavige procedure in de zin van art. 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoeker ten bewijze van de gestelde feiten de genummerde en gebundelde stukken overlegt, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven.”; 3.2.2. Overwegende, wat de bewijslast betreft, dat de verzoekende partij ten onrechte betoogt dat deze niet bij haar ligt, maar bij de bevoegde administratie; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats bij de asielzoeker berust, in die zin dat de asielaanvraag op een coherent en geloofwaardig verhaal moet gesteund zijn, waaruit blijkt dat er een gegronde vrees voor vervolging in het land van herkomst bestaat; Overwegende, wat de materiële motivering betreft, dat blijkt dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissing concludeert tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag omdat er enerzijds in verzoeksters opeenvolgende verklaringen en anderzijds in de verklaringen van verzoekster en haar echtgenoot tegenstrijdigheden werden geconstateerd die de geloofwaardigheid van het asielrelaas ernstig ondermijnen; Overwegende dat de kritiek van de verzoekende partij dat het interview voor de dienst Vreemdelingenzaken plaatsvond toen zij pas was aangekomen in België, na een lange en vermoeiende reis, en dat zij er niet van op de hoogte was dat zij een interview gaf in het kader van hun asielprocedure, niet overtuigt; dat zij tijdens het interview voor de dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid kreeg om over alle aspecten van haar asielaanvraag een verklaring af te leggen; dat er bijgevolg redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de verzoekende partij kennis had van het feit dat zij een interview gaf in het kader van haar asielaanvraag; Overwegende dat de verzoekende partij betoogt dat de vermelding naast vraag 20 (verhoorverslag echtgenoot dienst Vreemdelingenzaken) een vergissing is, ofwel van de persoon die het verhoor noteerde ofwel van de tolk; dat vooreerst moet worden opgemerkt dat zij tijdens het verhoor voor de dienst Vreemdelingenzaken werd bijgestaan door een tolk die de Russische taal machtig is en dat zij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend daarbij aangevend dat het overeenstemde met de inlichtingen die hij heeft gegeven; dat de verzoekende partij geen afdoende verklaring geeft voor de vastgestelde tegenstrijdigheid aangaande het feit of zij al dan niet samen met haar echtgenote werd aangehouden; dat nochtans uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal in dit verband XIV-2321-6/8 redelijkerwijs een tegenstrijdigheid uit de verklaringen van de verzoekende partij en haar echtgenote kon afleiden; Overwegende, wat de vervolging betreft, dat de verzoekende partij betoogt dat zij dit begrip heeft geïnterpreteerd als “gerechtelijke vervolging”; dat zij met haar uitleg niet aannemelijk maakt dat het een “vergissing” betreft, aangezien de vraag expliciet werd gesteld naar “aanslag op de lichamelijke integriteit” en “andere types van intimidatie”; dat de verzoekende partij derhalve wist of kon weten dat het begrip “vervolgingen” een algemene draagwijdte had; Overwegende dat de kritiek van de verzoekende partij aangaande de oproeping van het oorlogscommissariaat geen steun vindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partij bewust poogt een voor haar meer voordelige interpretatie te geven van de verklaringen; dat uit de nalezing van de verhoorverslagen blijkt dat het “Alleen ? ja” duidelijk slaat op de vrouw die de convocatie kwam afgeven evenals dat “gegeven” slaat op de afgifte van de convocatie door de twee militairen aan haar; dat de commissaris-generaal op een correcte wijze de verklaringen van de verzoekende partij en haar echtgenote heeft geïnterpreteerd en dat de daaraan verbonden gevolgtrekkingen redelijk zijn; Overwegende, wat betreft het aantal vasthoudingen van de verzoekende partij, dat zij betoogt dat uit haar verklaringen en die van haar echtgenote geen tegenstrijdigheid kan worden afgeleid maar enkel dat zij minstens één keer in 1998 ‘s nachts werd vastgehouden; dat zij het volledige verhaal heeft verteld terwijl haar echtgenote enkel de laatste feiten vermeldde; dat ook deze argumentatie getuigt van een verkeerde interpretatie van de verklaringen, dat uit de nalezing van de verhoorverslagen blijkt dat de commissaris-generaal op een correcte wijze de verklaringen heeft geïnterpreteerd en dat de daaraan verbonden gevolgtrekkingen redelijk zijn; Overwegende dat de verwijzing naar het algemene rapport met betrekking tot het regime in Oezbekistan geen afbreuk doet aan de in de bestreden beslissing weergegeven vaststellingen; Overwegende dat artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures zoals deze waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag, dat de XIV-2321-7/8 commissaris-generaal met de thans bestreden beslissing terdege handelt als administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende, wat de rechten van verdediging betreft, dat het volstaat te stellen dat dit beginsel op administratiefrechtelijk vlak alleen in tuchtzaken van toepassing is, zodat de schending ervan in casu niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2321-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div