← België

Arrest 138191 - - 08/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.191 Rolnummer: A. 157988/XIV-21283 Zaak: Arrest 138191 - - 08/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 15:52 Fiche Arrest nr 138.191 van 8 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.191 van 8 december 2004 in de zaak A. 157.988/XIV-21.

  1. In zake : XXX, in eigen naam en in de hoedanigheid van haar minderjarige kinderen: XXX, XXX, die woonplaats kiest bij advocaat Ch. SERMON, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Pastur Jacqueslaan 6 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 1 december 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2004; Gelet op de beschikking van 2 december 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. BECKERS, die loco Ch. SERMON, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-21.283-1/4 Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  3. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de artikelen 51/5 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 3.2 van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003, van artikel 8 van het E.V.R.M. en de “kennelijke beoordelingsfout”; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij zich vluchteling heeft verklaard op 1 april 2004, dat de Italiaanse overheid met het verzoek tot overname heeft ingestemd op 24 september 2004, dat artikel 3.2 van de Verordening (EG) nr. 343/2003 bepaalt dat iedere Lid-staat een voorgelde asielaanvraag kan onderzoeken, zelfs als zij niet onder de in die Verordening vermelde criteria valt, dat de minister voor de toepassing van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet over een zekere appreciatiebevoegdheid beschikt zodat hij dient te motieveren waarom hij wel of juist niet van een bepaalde mogelijkheid heeft gebruik gemaakt, dat de verzoekende partij sedert meerdere maanden met haar twee minderjarige kinderen in België verblijft, dat zij Nederlands leert, dat de kinderen in Ruiselede naar school gaan en goed geïntegreerd zijn terwijl zij geen enkele band hebben met Italië, dat de verzoekende partij bovendien moeilijkheden in Italië heeft ondervonden, dat de bestreden beslissing is genomen zonder voldoende informatie te hebben ingewonnen over de redenen om af te wijken van artikel 16, § 1 van voornoemde Verordening, dat de verzoekende partij een onredelijke beoordeling van de toestand van de verzoekende partij heeft gemaakt, dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en dat de aangehaalde bepalingen geschonden zijn; 2.
  4. Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd: “België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan

(2)de Italiaanse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 XIV-21.283-2/4 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 16§1e van de Europese Verordening 343/2003. Betrokkene heeft in Italië een asielaanvraag ingediend en de Italiaanse overheid heeft op datum van 03/09/2004 ingestemd met de vraag tot overname va, bovengenoemde persoon. Betrokkene heeft geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene heeft bovendien sinds haar aankomst in België bewust onze diensten, het CGVS, de politie en het OCMW misleid, ondermeer door het veinzen van mishandeling door haar vriend E. M.. Op basis van haar verklaringen werden betrokkene en haar vriend apart gehuisvest, maar al gauw bleek uit de feiten dat er geen problemen in de relatie waren. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen de tien
(10)dagen en dient zij zich aan te bieden bij
(4)de Italiaanse autoriteiten.”; Overwegende dat artikel 51/5, § 1, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: §
  1. Zodra de vreemdeling zich aan de grens of in het Rijk, overeenkomstig artikel 50 of 51, vluchteling verklaart, gaat de Minister of zijn gemachtigde, met toepassing van de internationale overeenkomsten die België binden, over tot het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Zelfs wanneer krachtens de criteria van deze internationale overeenkomsten België niet verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, kan de Minister of zijn gemachtigde op elk ogenblik beslissen het verzoek te behandelen, op voorwaarde dat de vreemdeling daarmee instemt. Overwegende dat deze bepaling prima facie niet de mogelijkheid voorziet voor een asielaanvrager om de behandeling van zijn asielaanvraag in een ander land te vragen dan het land waar hij zijn vorige asielaanvraag heeft ingediend; dat deze bepaling enkel de mogelijkheid voorziet om af te wijken van de vaste criteria voor de Minister, waarbij de instemming van de vreemdeling moet worden gevraagd; dat de formele motiveringsplicht prima facie niet vereist dat de Minister dient te motiveren waarom hij niet van een uitzonderingsmogelijkheid gebruik maakt; Overwegende dat artikel 3.2 van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 betrekking heeft op de verhouding tussen de verzoekende en de aangezochte Lid-staat en andermaal enkel de mogelijkheid voorziet om een asielverzoek te behandelen indien de Lid-staat daartoe niet verplicht zou zijn volgens de criteria van de Verordening; dat prima facie nergens uit blijkt dat deze bepaling met de bestreden beslissing zou zijn geschonden, nu precies niet van de in de Verordening vermelde criteria wordt afgeweken; Overwegende dat de bestreden beslissing derhalve prima facie een correcte toepassing vormt van de algemene regels van de behandeling van een asielaan- vraag wanneer reeds eerder in een andere Lid-staat een asielaanvraag is ingediend; dat de bestreden beslissing, door daarvan toepassing te maken, prima facie niet kennelijk onredelijk is noch op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund; dat de verwijzing door de verzoekende partij naar haar integratie in België en de moeilijkheden die zij in Italië zou hebben ondervonden, niet dienend zijn aangezien zij in eerste instantie zelf voor een vlucht naar Italië heeft gekozen; dat zij niet aannemelijk maakt dat zij in Italië niet de vereiste XIV-21.283-3/4 bescherming en bijstand door de overheid zou kunnen genieten en haar verhaal dienaang- aande op zijn minst onduidelijk en inconsistent is; dat de verzoekende partij trouwens niet ingaat op de overwegingen in de bestreden beslissing betreffende dit laatste punt; Overwegende dat de verzoekende partij prima facie niet verduidelijkt op welke wijze artikel 8 van het E.V.R.M. zou zijn geschonden; dat het enige middel niet ernstig is;
  2. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.283-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.