← België

Arrest 138193 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.193 Rolnummer: A. 69349/XII-2475 Zaak: Arrest 138193 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 15:52 Fiche Arrest nr 138.193 van 9 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.193 van 9 december 2004 in de zaak A. 69.349/XII-

  1. In zake : Paul TUSSCHANS, wonende te Verrebroek, Rijksstraat 73 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul Tusschans op 3 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 april 1996 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij zijn aanvraag voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; XII-2475-1/8 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van adjunct- adviseur E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker met brief van 23 oktober 1995 aan de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen aanvraagt; dat hij in dit schrijven stelt dat hij van jongsaf op veilige wijze heeft leren omgaan met wapens en dat hij één van de weinige gekwalificeerde schutters was bij het uitreiken van zijn brevet van paracommando, dat hij dankzij zijn opleiding goed bekend is met het veilig gebruik en het onderhoud van wapens, dat hij bij het bouwen van zijn woning de nodige voorzieningen heeft getroffen om munitie veilig op te slaan, dat de verkoop van het vorige model MK I door recente wetswijzigingen werd “vrijgegeven” en hij op legale wijze het type MK II wenst te verwerven; dat de arrondissementscommissaris bij brief van 16 november 1995 aan verzoeker een aanvraagformulier bezorgt met de vraag het volledig ingevuld terug te sturen; dat in de brief wordt benadrukt dat de reden van de aanvraag zeer duidelijk dient te worden vermeld, dat de aanvrager ten gevolge van een instructie van 3 augustus 1994 van de minister van Justitie blijk moet geven van een voldoende kennis van de wapenwet en van wapens en dat het bewijs hiervan kan worden geleverd door het reeds bezitten van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; dat verzoeker zijn aanvraagformulier op 3 januari 1996 XII-2475-2/8 verstuurt stellende dat hij de gevraagde vergunning wenst te krijgen om volgende redenen : “
  2. Van sentimentele aard. Dit is het wapen van mijn opleiding tot commando (parra). No. commando brevet: 10/85 zie ook mijn vorig schrijven!
  3. Voor de jacht op everzwijnen. Bij familie in de Walen na het bekomen van de nodige vergunningen”; Overwegende dat de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op 5 april 1996 beslist verzoekers aanvraag te verwerpen op grond van volgende motivering : “Gelet op art. 11 par. 1, 1e alinea van de Wet waarbij de verlening van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen door de Gouverneur, na gelijkluidend advies van de Korpschef van de gemeentepolitie, wordt voorzien; Gelet op art. 9 par. 3 van het K.B. van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933, gewijzigd door de wet van 30 januari 1991, op de vervaardiging van de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en waarbij de bepalingen worden vermeld waar de aanvrager moet aan voldoen; Gelet op punt 7 van de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens (bijlage aan het Belgisch Staatsblad van 29 februari 1996); Gelet op de aanvraag dd. 3 januari 1996 van de heer Tusschans Paul, wonende aan de Rijkstraat 73 te 9130 Verrebroek; Dat belanghebbende volgend wapen aanvraagt : - repeteer Lee Enfield, model MK II, kaliber .30"; Dat betrokkene als reden van de aanvraag de jacht op everzwijnen opgeeft en als herinnering aan zijn opleiding als paracommando; Gelet op het advies dd. 26 januari 1996 van de Korpschef van Beveren; Dat de Korpschef meldt dat er nopens de moraliteit van betrokkene niets ongunstigs bekend is; er heerst een goede verstandhouding in het gezin, evenals met de andere familieleden en de buren; dat het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen de openbare orde niet in het gedrang brengt en dat de heer Tusschans beschikt over een blanco strafregister; Gelet op het feit dat in de circulaire van de Minister van Justitie van 30 oktober 1995 in punt 7.6.5 staat dat het aangewezen is dat een vergunning tot het het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen slechts wordt toegekend aan een particulier die reeds houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; Dat de filosofie daarbij is dat door het bezitten van een verweer- vuurwapen het vermoeden ontstaat dat belanghebbende voldoende vizie heeft XII-2475-3/8 met betrekking tot de risico’s van dergelijk bezit en dus ook de grotere gevaren van een oorlogsvuurwapen kan aanvoelen; Dat op het aanvraagformulier van betrokkene vermeld staat dat hij niet in het bezit is van andere wapens en dat dit ook blijkt uit het centraal wapenregister; Dat trouwens belanghebbende in het verleden al niet gekend was als jager en hij dan ook niet via een dergelijke activiteit kennis zou hebben opgedaan met wapens; Dat bijgevolg in verband met deze vraag geen uitreiking van een vergunning mogelijk is”; Overwegende dat verzoeker onder meer de juridische en feitelijke motieven van het bestreden besluit betwist; dat hij betoogt dat “De wet betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens; bijlage in het Belgisch Staatsblad van 29 februari 1996” niet van toepassing is op zijn aanvraag aangezien zij pas maanden na die aanvraag in het Belgisch Staatsblad verscheen, dat evenmin de gecoördineerde omzendbrief van de minister van Justitie van 30 oktober 1995 kan worden toegepast op zijn vergunningsaanvraag omdat ook deze omzendbrief dateert van na zijn aanvraag; dat hij er voorts op wijst dat zelfs indien rekening wordt gehouden met de geest van de omzendbrief, hij over meer dan voldoende kennis met betrekking tot het hanteren van oorlogsvuurwapens en de risico’s die hiermee gepaard gaan, beschikt, dat de achterliggende filosofie van de in de omzendbrief geformuleerde aanbeveling om een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogs- vuurwapen slechts uit te reiken aan aanvragers die reeds in het bezit zijn van een soortgelijke vergunning voor een verweervuurwapen, erin bestaat dat hierdoor het vermoeden ontstaat dat betrokkene voldoende visie heeft met betrekking tot de risico’s van een dergelijk bezit en dus de grotere gevaren van een oorlogs- vuurwapen kan aanvoelen, dat dit vermoeden op hem zeker van toepassing is daar hij als sectiecommandant-paracommando een zeer professionele opleiding inzake het hanteren van allerlei oorlogsvuurwapens heeft genoten, dat hij het brevet van gekwalificeerd schutter heeft behaald, dat hij tijdens een oefening met de Amerikaanse “Special Forces” en tijdens een stage in Portugal leerde omgaan met respectievelijk diverse aanvalsvuurwapens van Amerikaanse makelij en met Russische aanvalsvuurwapens, dat hij reeds geruime tijd lid is van de XII-2475-4/8 Vriendenkring van de Paracommando’s in Dendermonde die maandelijks trainingen met een .22 long-rifle organiseert en dat zijn kennis voldoende werd geacht om gewapende bijstand te verlenen aan de Rijkswacht; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat er in het Belgisch Staatsblad van 29 februari 1996 geen wet betreffende wapens verscheen en dat de gecoördineerde omzendbrief van de minister van Justitie tweemaal in het Belgisch Staatsblad is verschenen, namelijk op 28 november 1995 en op 29 februari 1996, dit als gevolg van het verfijnen van het koninklijk besluit van 20 september 1991 door het koninklijk besluit van 6 februari 1996; dat zij tevens doet gelden dat de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 een verordenende omzendbrief is die beleidslijnen vastlegt en die onmiddellijke werking heeft, dat de omzendbrief een bevestiging is van een reeds gevoerd beleid en noch naar de letter, noch naar de geest afwijkt van de circulaire van 3 augustus 1994, dat de inhoud ervan aan verzoeker werd bekendgemaakt toen hem het aanvraagformulier werd bezorgd, dat verzoekers aanvraagformulier samen met de vereiste administratieve documenten pas op 5 januari 1996 werd ontvangen en bijgevolg onder de instructies van 30 oktober 1995 valt, dat verzoeker werd geïnformeerd omtrent de wijze waarop zijn aanvraag zou worden geëvalueerd en hij toch heeft nagelaten om in zijn aanvraag te staven dat hij over voldoende kennis van oorlogsvuurwapens beschikt, dat er, gelet op de door verzoeker verstrekte gegevens, sprake is van een voldoende individuele evaluatie, dat een aanvraag als die van verzoeker streng wordt beoordeeld zodat een gunstige beoordeling van verzoekers persoonlijkheid niet volstaat maar er eveneens gerechtvaardigde redenen moeten zijn om het wapen voorhanden te hebben zoals het beoefenen van de schietsport of van de jacht, dat verzoeker onvoldoende elementen heeft aangereikt om die controle mogelijk te maken, dat enkel zijn belangstelling voor het wapen overbleef, waardoor zijn aanvraag strenger werd beoordeeld en het noodzakelijk was dat hij reeds over een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen zou beschikken, dat verzoeker een wapen waarvoor geen vergunning vereist is had kunnen verwerven en met een verweervuurwapen had kunnen jagen, dat er geen XII-2475-5/8 redenen zijn om af te wijken van de regel dat de betrokkene eerst andere wapens moet bezitten; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord dupliceert dat hij als reden voor zijn aanvraag onder meer opgaf “als herinnering aan mijn para-commando tijd”, dat hij benadrukt dat een zeer grondige kennis van oorlogswapenbeheersing een conditio sine qua non is voor het behalen van het brevet van paracommando zodat deze kennis reeds impliciet in zijn aanvraag was vervat, dat zijn aanvraag niet strenger diende te worden beoordeeld dan wanneer hij reeds een verweervuurwapen zou bezitten aangezien hij, gelet op zijn ervaring betreffende oorlogsvuurwapens, niet inziet welke bijkomende kennis hij zou kunnen verwerven door het aanschaffen van een verweervuurwapen; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie doet gelden dat uit verzoekers aanvraag blijkt dat hij op het ogenblik van de aanvraag niet beschikte over de vereiste jachtvergunning zodat deze reden niet geldig is en dat de reden “van sentimentele aard” hoogstens aanleiding zou kunnen geven tot het afleveren van een vergunning “zonder munitie”; Overwegende dat de bestreden beslissing wezenlijk hierop steunt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van het punt 7.6.
  4. van de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens en, meer bepaald, dat hij niet reeds houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen en aldus niet de grotere gevaren van een oorlogsvuurwapen kan inschatten; XII-2475-6/8 Overwegende dat in het bedoelde punt de minister van Justitie er de aandacht op vestigt “dat de autoriteiten belast met het onderzoek van de aanvragen van een vergunning [tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen] ermee rekening moeten houden dat de aanvrager of de personen die met hem samenwonen andere vuurwapens, van welke categorie ook, voorhanden hebben”; dat hij vervolgt: “Het lijkt aangewezen dat een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen slechts wordt toegekend aan een particulier die reeds houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen”; dat kennelijk de minister hiermee slechts een vrijblijvende aanbeveling heeft geformuleerd; dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de minister datgene wat hem alleen maar raadzaam toescheen, meteen ook als een absoluut bindende verplichting heeft willen opleggen, nog daargelaten of hij, indien hij zulks wél had gewild, daar überhaupt toe bevoegd zou zijn geweest; Overwegende dat hieruit volgt, zonder dat onderzocht moet worden of de omzendbrief wel tijdig genoeg is om op de aanvraag van verzoeker te mogen worden toegepast, dat de verwerende partij de haar toekomende discretionaire bevoegdheid om al dan niet op verzoekers aanvraag in te gaan, hoe dan ook niet naar behoren heeft uitgeoefend; dat zij immers, in de plaats van zorgvuldig de concrete omstandigheden van verzoekers aanvraag te onderzoeken, blindweg is voortgegaan op genoemd punt 7.6.5., alsof het voor haar bindend was, en dientengevolge verzoekers aanvraag heeft verworpen om reden dat hij, bij ontstentenis van het bezit van een vergunning voor een verweervuurwapen en overigens ook van ervaring als jager, ipso facto geen voldoende inzicht had in de gevaren van een oorlogsvuurwapen; dat zij aldus voorbijging aan de inlichtingen en argumenten die verzoeker in zijn brief van 23 oktober 1995 gaf en waarnaar hij in zijn aanvraagformulier van 3 januari 1996 heeft verwezen; dat hij in die brief stelde dat hij reeds vanaf jeugdige leeftijd op veilige wijze met wapens leerde omgaan, dat hij een van de weinige gekwalificeerde schutters was bij het behalen van zijn brevet paracommando en dat die opleiding maakt dat hij goed vertrouwd is met het veilig gebruik en onderhoud van wapens; XII-2475-7/8 Overwegende dat het middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  5. Vernietigd wordt het besluit van 5 april 1996 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij de aanvraag van Paul Tusschans voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2475-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.