id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.194 Rolnummer: A. 69804/XII-2463 Zaak: Arrest 138194 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 15:52 Fiche Arrest nr 138.194 van 9 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.194 van 9 december 2004 in de zaak A. 69.804/XII-
- In zake : Claude BLANPAIN, die woonplaats kiest bij advocaat R. Lallemand, kantoor houdende te Brussel, Emile de Motlaan 19 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Claude Blanpain op 8 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 mei 1996 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant houdende weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van partijen; XII-2463-1/9 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Mattens, die loco advocaat R. Lallemand verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker sinds 1977 onderofficier bij de rijkswacht is; dat hij is aangesloten bij de Union Royale des Sociétés de Tir de Belgique, lid is van drie schietstanden en onder meer een brevet van schietinstructeur heeft; dat verzoeker op 18 oktober 1983 een vergunning tot het bezitten van een opslagplaats van wapens en munitie verkrijgt; dat hij op 16 april 1996 een nieuwe vergunning voor deze opslagplaats aanvraagt; dat hij in zijn aanvraag vermeldt dat hij 23 verweerwapens, drie oorlogswapens, een sportwapen en een wapen voor wapenrekken bezit; dat verzoeker op 17 april 1996 aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen aanvraagt; dat hij in zijn aanvraag uiteenzet dat hij dit wapen enkel voor sportieve doeleinden wenst te gebruiken en verwijst naar zijn lidmaatschap van diverse schietstanden, zijn brevet als schietinstructeur, zijn vergunning tot het bezitten van een opslagplaats van wapens en munitie, het feit dat hij onderofficier van de rijkswacht en sinds 1980 lid van de Diane-groep is en dat hij reeds drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen bezit; dat de gouverneur op 8 mei 1996 beslist om geen vergunning tot het voorhanden hebben “van een 5de oorlogswapen” te verlenen en dit besluit als volgt motiveert : XII-2463-2/9 “Overwegende dat luidens de onderrichtingen van de Minister van Justitie van 3 augustus 1994 een aanvraag tot het bekomen van een vergunning voor het voorhanden hebben van een oorlogswapen met de meeste omzichtigheid dient onderzocht te worden; dat de uitreiking van dergelijke vergunning uitzonderlijk moet blijven; dat deze zienswijze bevestigd wordt bij zijn brief van 23 juni 1995 ref. 6/3630/7/13, waarbij ook benadrukt wordt dat de uitreiking van dergelijke vergunning geen recht uitmaakt van de aanvrager; Gezien de heer BLANPAIN Claude, voornoemd, reeds verschillende vergunningen voor verweerwapens en 4 vergunningen voor oorlogswapens bezit; Overwegende bovendien dat in het belang van de openbare orde en veiligheid het bezit van oorlogswapens bij particulieren dient beperkt te worden; dat het bezit van twee vergunningen voor oorlogswapens derhalve dient aanzien te worden als een absoluut maximum; Overwegende dat de wet, binnen het kader van de onderrichtingen vervat in de omzendbrief van 23 september 1991 van de Minister van Justitie, een discretionaire bevoegdheid toekent aan de provinciegouverneur voor wat betreft de uitreiking van vergunningen voor oorlogswapens; Gelet op artikel 9 van de wet van 30 januari 1991, tot wijziging van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie”; Overwegende dat verzoeker in een schrijven van 17 juni 1996 aan de gouverneur vraagt zijn weigeringsbesluit te herzien; dat hij onder meer betoogt dat een van zijn wapens ten onrechte als een oorlogswapen wordt beschouwd en dat het aantal oorlogswapens dat men voorhanden mag hebben nergens wordt beperkt; dat de gouverneur in een brief van 28 juni 1996 antwoordt dat niet kan worden betwist dat verzoeker minstens twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen heeft, dat het bezit van oorlogswapens door particulieren in het algemeen belang en voor de veiligheid moet worden beperkt, dat werd beslist het aantal vergunningen tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen te beperken tot twee per persoon en dat deze regel strikt dient te worden toegepast zodat geen uitzondering op deze regel kan worden toegestaan en evenmin kan worden teruggekomen op een eerdere beslissing die conform deze regel werd genomen, dat aangezien verzoeker reeds minstens twee vergunningen bezit, de gevraagde vergunning niet kan worden verleend; XII-2463-3/9 Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de motivering van het bestreden besluit betwist; dat verzoeker de argumenten die hij in zijn aanvraag formuleerde herhaalt en benadrukt dat hij voldoet aan de criteria van eerbaarheid, betrouwbaarheid inzake het bezit, het hanteren en het gebruik van wapens en respect voor de openbare orde en veiligheid; dat hij tevens doet gelden dat het wapen hoofdzakelijk bedoeld is voor zijn persoonlijke sportieve training, om deel te nemen aan wedstrijden en voor het afnemen van proeven van kandidaat-bezitters van een dergelijk wapen, dat verwerende partij de vergunning heeft geweigerd omdat volgens haar het voorhanden hebben van twee oorlogsvuurwapens als een maximum moet worden beschouwd terwijl noch de wet, noch de uitvoeringsbesluiten ervan een dergelijke beperking bevatten, dat de minister van Justitie in zijn omzendbrief van 30 oktober 1995 heeft bepaald dat een aanvraag inzake een repeteergeweer minder streng moet worden onderzocht dan een aanvraag betreffende een automatisch of een halfautomatisch oorlogsvuurwapen en dat verwerende partij bijgevolg een restrictieve interpretatie geeft aan de wet en aan de omzendbrieven; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord tegenwerpt dat zij bij het beoordelen van een aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen voor het beoefenen van de schietsport over een discretionaire bevoegdheid beschikt en zich moet laten leiden door overwegingen inzake openbare orde en veiligheid, dat het algemeen belang primeert op het individuele belang van verzoeker, dat hij in het bezit is van een verzameling wapens die om reden van hun aanzienlijke vuurkracht gegeerd zijn door misdadigers en die als ze in verkeerde handen terechtkomen aanzienlijke schade en leed kunnen veroorzaken, dat zelfs instanties die beroepshalve over dergelijke wapens dienen te beschikken er ondanks organisatorische en technische maatregelen niet in slagen het ontvreemden ervan te beletten, dat een particulier die een groot aantal wapens bezit een gemakkelijk doelwit vormt voor criminelen, dat uit de samenstelling van de buit van recente wapendiefstallen kan worden afgeleid dat er in criminele milieus een stijgende vraag is naar oorlogswapens van een zwaar kaliber en dat deze bij recente overvallen vaak werden gebruikt, dat uit XII-2463-4/9 recente gegevens blijkt dat wapen-diefstallen bij particulieren een stijgende tendens vertonen en dat men vaker personen overvalt die meerdere wapens in hun bezit hebben, dat een concentratie van oorlogswapens bij een particulier bijgevolg een groot risico vormt voor de openbare orde en veiligheid en dat verzoeker reeds drie oorlogswapens bezit, hetgeen ruimschoots volstaat om de schietsport te beoefenen; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat de motivering van het bestreden besluit feitelijk onjuist is daar hij geen vier doch slechts drie oorlogsvuurwapens bezit, dat de motivering algemeen is en geen rekening houdt met de omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag zoals zijn beroep en zijn ervaring als sportschutter en schietinstructeur, het feit dat hij reeds sinds 1983 een vergunning voor het bezitten van een opslagplaats van wapens en munitie heeft die aan de wettelijk bepaalde veiligheidsvoorschriften voldoet en het gegeven dat de aanvraag betrekking heeft op een repeteerwapen en niet op een automatisch of halfautomatisch wapen; dat verzoeker nog argumenteert dat hij een vergunning tot het bezitten van een opslagplaats van wapens en munitie heeft, dat artikel 16 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van deze wet bepalen wanneer er sprake is van een dergelijke opslagplaats, dat deze artikelen het voorhanden hebben van meer dan vijf oorlogswapens toelaten, zodat de gouverneur niet bevoegd is om op algemene en arbitraire wijze het aantal oorlogswapens per persoon te beperken tot twee en hij bijgevolg de wet en het koninklijk besluit schendt; dat verzoeker ten slotte dupliceert dat de nieuwe motieven die in de memorie van antwoord worden ingeroepen niet ontvankelijk zijn; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie herhaalt dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met de bedoeling van de wetgever en met het standpunt van de minister van Justitie; dat zij voorts betwist dat er sprake zou zijn van een automatische toepassing van een beleidsnorm; dat zij stelt dat verzoekers vertrouwdheid met XII-2463-5/9 wapens en zijn theoretische en praktische kennis wel degelijk in acht werden genomen, doch dat de openbare orde en veiligheid primeren, dat verzoeker reeds een groot aantal verweer- en oorlogswapens bezit en dat dit de veiligheid in het gedrang kan brengen zodat werd beslist de aangevraagde vergunning niet te verlenen, dat artikel 21, 1/, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 te dezen niet van toepassing is aangezien hierin de criteria worden vastgesteld inzake een opslagplaats van wapens en munitie; Overwegende dat noch de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, noch het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering ervan, criteria of voorwaarden bepalen die bij het beoordelen van een vergunnings- aanvraag in acht moeten worden genomen, zodat onder anderen de gouverneur over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken; dat hij weliswaar bij het nemen van een individuele beslissing rekening moet houden met de bedoeling van de wetgever; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was dat met betrekking tot oorlogswapens zeer restrictief zou worden opgetreden (Parl. St. Kamer, 1989- 1990, 978/6, p. 18); dat de Raad van State in het kader van een annulatieberoep tegen een dergelijke discretionaire beslissing niet zelf mag oordelen of er al dan niet een vergunning moet worden verleend; dat hij wel mag nagaan of de motieven van de bestreden beslissing op werkelijk bestaande feiten berusten die met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld en juist werden gekwalificeerd; Overwegende dat zo het niet verboden is dat een overheid die over een discretionaire bevoegdheid beschikt met het oog op een doelmatig en rechtmatig bestuur en ter bevordering van een gelijke behandeling in soortgelijke gevallen de criteria bepaalt die zij bij het uitoefenen van deze bevoegdheid in acht zal nemen, deze beleidsregel evenwel niet automatisch, zonder onderzoek van de concrete omstandigheden, mag worden toegepast; dat dit in strijd zou zijn met het motiveringsbeginsel en zou getuigen van een onzorgvuldig bestuursoptreden; XII-2463-6/9 Overwegende dat het bestreden besluit de juridische en feitelijke motieven dient te vermelden en vermeldt; dat enkel deze motieven in aanmerking kunnen worden genomen om na te gaan of het bestreden besluit op rechtens aanvaardbare en feitelijk gefundeerde motieven steunt; dat met andere motieven, zoals het gevaar van diefstal door misdadigers dat voor het eerst in de memorie van antwoord ter sprake komt, geen rekening kan worden gehouden; dat de bestreden beslissing voornamelijk op algemene overwegingen is gebaseerd; dat de enige concrete overweging erin bestaat dat het bezit van twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen als “een absoluut maximum” te aanzien is en dat verzoeker reeds meerdere vergunningen voor verweerwapens en vier vergunningen voor oorlogswapens heeft; Overwegende dat de gevraagde vergunning aldus op basis van de blinde toepassing van een beleidsnorm blijkt geweigerd, zonder onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak; dat meer bepaald niet blijkt dat er rekening mee gehouden is dat verzoeker als onderofficier van de rijkswacht vertrouwd is met wapens en getraind is in de omgang ermee en dat hij schietmonitor is en lid van verscheidene schietclubs; dat niet of onvoldoende concreet werd nagegaan of de gevraagde vergunning een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, zodat de betreffende overweging in de bestreden beslissing een onvoldoende feitelijke grondslag heeft; Overwegende overigens dat de ingeroepen beleidsnorm -maximaal twee vergunningen voor oorlogswapens per persoon- niet verzoenbaar is met het artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1993 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie; dat volgens het 1/ van dit artikel als een opslagplaats wordt beschouwd : de verzameling op een zelfde plaats van meer dan vijf oorlogswapens; dat dit impliceert dat volgens het koninklijk besluit vergunningen tot het voorhanden hebben van meer dan vijf oorlogsvuurwapens mogelijk zijn; dat twee vergunningen dus geen “absoluut maximum” kunnen zijn; XII-2463-7/9 Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 mei 1996 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant houdende weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogswapen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-2463-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2463-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.