id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.263 Rolnummer: A. 80142/VII-17104 Zaak: Arrest 138263 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 15:55 Fiche Arrest nr 138.263 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.263 van 9 december 2004 in de zaak A. 80.142/VII-17.
- In zake : de n.v. HOUT IMPORT BOIS CÉSAR PARMENTIER, die woonplaats kiest bij Advocaten J. AUTENNE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, H. Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A TE, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. HOUT IMPORT BOIS CÉSAR PARMENTIER op 3 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad ingevolge het beroep ingediend door de N.V. Houtimport Bois César PARMENTIER, Houtkaai 10 te 1800 Vilvoorde, tegen de beslissing d.d. 23.2.1998 van het College van Burgemeester en Schepenen (CBS) van Vilvoorde houdende weigering van vergunning aan de N.V. Houtimport Bois César PARMENTIER voor het verder exploiteren van een inrichting gelegen op het bovenvernoemd adres, in de mate dat de bestreden beslissing de hernieuwing van de bestaande (exploitatie)vergunning slechts verleent voor een duur van drie jaar en aldus impliciet weigert de hernieuwing toe te staan voor een langere duur"; Gelet op het arrest nr. 79.227 van 11 maart 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-17.104-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 16 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN DE WALLE die, loco Advocaten J. AUTENNE en J. BOUCKAERT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De n.v. HOUT IMPORT BOIS CÉSAR PARMENTIER exploiteert sinds 1949 een houtopslagplaats aan de Houtkaai 10 te Vilvoorde. Met betrekking tot die inrichting heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant op 30 augustus 1968 een exploitatievergunning verleend met een geldig- heidsduur van dertig jaar. VII-17.104-2/12 1.
- Op 15 december 1997, dus enkele maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning, dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde een vergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren van de bestaande inrichting, omvattende : de opslag van 6.500 m³ hout, een statische transformator met een vermogen van 200 kVA, twee dieselvorkheftrucks en het lozen van 20 m³/jaar huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. 1.
- Met een besluit van 23 februari 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde de gevraagde vergunning wegens de onverenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming bufferzone waarin ze gelegen is. 1.
- Op 26 maart 1998 tekent de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep aan tegen voormelde weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde. In het beroepschrift laat zij het volgende gelden : "Gelet op het feit dat het bedrijf gelegen is in een bufferzone; Gelet op het feit dat het bedrijf evenwel werd opgericht in 1950, dit is voor de stedenbouwwet en voor de opmaak van de gewestplannen; Gelet op het feit dat er in 1965 in opdracht van de toenmalige Gelet op het feit dat de oorspronkelijk vergunde opslag gereduceerd werd van 20.000 m³ naar 6.500 m³; Gelet op de geringe transportactiviteit dat de exploitatie met zich mee brengt; Gelet op de geringe interne transportactiviteiten; Gelet op het feit dat de goederen hoofdzakelijk manueel gesorteerd worden; Gelet op het feit dat de specifieke geluidsdruk ondergeschikt is aan de residuele geluidsdruk veroorzaakt door het wegverkeer en de recreatieactiviteit (Jet-ski) rechtover het gebouw; Gelet op het feit dat de nabijheid van het kanaal belangrijke voordelen biedt op het vlak van brandbescherming; Gelet op het feit dat zowel het exploitatiegebouw, een bomenrij en de overwelfde Zenne een afdoende fysische buffer vormen t.o.v. de stiltebehoevende activiteiten; Gelet op het feit dat alternatieve vestigingen niet onmiddellijk voorhanden zijn en het binnen de vooropgestelde termijn onmogelijk is om te herlocaliseren; Gelet op het feit dat sinds het van kracht worden van de gewestplannen de activiteiten gedoogd werden en gelet op het feit dat tot op heden nog nooit klachten geuit werden ten overstaan van de exploitatie; Gelet op het feit dat conform Vlarem, inplantingsregels niet van rechtswege kunnen opgelegd worden voor bestaande inrichtingen en gelet op de summiere argumentatie van Stad Vilvoorde om deze hernieuwingsaanvraag te weigeren; Pleiten wij ervoor dat de milieuvergunning vooralsnog wordt hernieuwd". VII-17.104-3/12 Bij het beroep zijn enkele bijlagen gevoegd. In een eerste bijlage wordt het economisch profiel van de onderneming geschetst, terwijl in een tweede bijlage nader wordt ingegaan op de milieu-effecten van de inrichting. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht. a. Op 20 april 1998 verleent de afdeling Ruimtelijke Ordening ongunstig advies over de aanvraag gelet op de "onverenigbaarheid met de bepalingen van artikel 14 van het KB van 28 december 1972". In dat advies wordt gesteld dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een bufferzone en dat het herstel van die bufferzone "essentieel" is. Voorts wordt opgemerkt dat een hospitaal en de oude stadskern van de stad Vilvoorde in de naaste omgeving van de inrichting gesitueerd zijn. b. In een brief van 8 mei 1998 deelt de Vlaamse Milieumaatschappij mee dat haar advies niet vereist is omdat het dossier "geen lozingsaspect" bevat. c. Het bestuur Milieuvergunningen adviseert op 8 mei 1998, niettegenstaande de inrichting "principieel onverenigbaar is met de planologische bestemming van het gebied waarin ze gesitueerd is", het beroep toch om "sociaal- economische" redenen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen voor een termijn van vijf jaar teneinde de "exploitant de gelegenheid te geven de bestaande inrichting te herlocaliseren naar een geschikte vestigingsplaats". d. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 10 juni 1998 voorgesteld om het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen voor een beperkte termijn van vijf jaar "met het oog op herlocalisatie". 1.
- Met een besluit van 25 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep ingewilligd, wordt het beroepen besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde opgeheven en wordt aan de verzoekende partij vergunning verleend om haar houtopslagplaats verder te exploiteren voor een herlocalisatietermijn van drie jaar (artt. 1 en 3). VII-17.104-4/12 Dit besluit wordt gedeeltelijk door voorliggend annulatieberoep bestreden. In dat besluit wordt overwogen wat volgt : "(...) Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. 07.03.1977) gelegen is in bufferzone, palend aan : ten westen : het Zeekanaal Brussel-Rupel ten oosten : een zone voor gemeenschapsvoorzieningen (ziekenhuizen, school, rusthuis) ten noorden : industriezone (terrein van het voormalige Forges de Clabecq); Overwegende dat de houthandel reeds ongeveer 50 jaar bestaat; dat de inrichting gespecialiseerd is in de import van voornamelijk dennenhout uit Scandinavië en Rusland; dat het hout ter plaatse enkel op kwaliteit gesorteerd wordt en geen verdere behandeling ondergaat, zelfs niet wordt verzaagd; dat de activiteiten zich dus beperken tot de aanvoer van het hout (gemiddeld 2 opliggers per week) en de distributie naar de klanten (2 tot 3 vrachtwagens per dag ); Overwegende dat de inrichting gelegen is tussen het Zeekanaal en de Zenne; dat aan de overkant van de Zenne een zone voor gemeenschapsvoorzieningen gelegen is, waarin twee ziekenhuizen, een rusthuis en een school gevestigd zijn; dat ten noorden van de inrichting zich de uitgestrekte braakliggende en te saneren terreinen bevinden waar de vroegere Forges de Clabecq gevestigd was; dat de inrichting zelf volgens het gewestplan gesitueerd is in een bufferzone; en derhalve principieel onverenigbaar is met deze bestemming; Overwegende dat de inrichting hoofdzakelijk bestaat uit een typische houtloods met open wand; dat de dragende structuur van de loods uniek kan genoemd worden (Fins ontwerp); Overwegende dat de activiteiten op zich in hun huidige vorm en intensiteit geen significante hinder voor mens of milieu met zich meebrengen; dat in het verleden ook nooit klachten tegen de exploitatie van de inrichting zijn geuit; dat tijdens het openbaar onderzoek evenmin bezwaren zijn ingediend; Overwegende dat het dan ook omwille van bedrijfseconomische redenen billijk is minstens een redelijke termijn voor herlocalisatie te voorzien; dat derhalve een vergunningstermijn van drie jaar wordt voorgesteld; Overwegende dat het minderheidsstandpunt van de afdeling stedenbouw- kundig vergunningen (het vervallen van de milieuvergunning het moment is om de uitbating in strijd met de bepalingen van het gewestplan stop te zetten) als volgt wordt geëvalueerd : Er wordt niet ontkend dat de uitbating onverenigbaar is met de bufferzone. Toch lijkt het redelijk de exploitant de tijd te geven om een geschikter locatie te vinden. De stad Vilvoorde plant bv. ten zuiden van de inrichting een recreatiezone. De realisatie van het Gemeentelijk Structuurplan zal ook enige jaren in beslag nemen. Vlak naast de bufferzone ligt ten noorden van het bedrijf een industriezone (grondgebied Grimbergen). De exploitant heeft hier een klein terrein in eigendom waarop vroeger een loods stond (weggewaaid bij een stormwind); Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep in te willigen en de vergunning te verlenen voor een termijn van drie jaar; (...)"; VII-17.104-5/12
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat het voorwerp van de gevorderde nietigverklaring in het verzoekschrift tot nietigverklaring uitdrukkelijk wordt beperkt "in de mate dat de bestreden beslissing de hernieuwing van de bestaande (exploitatie)vergunning slechts verleent voor een duur van drie jaar en aldus impliciet weigert de hernieuwing toe te staan voor een langere duur"; dat het annulatieberoep aldus enkel is gericht tegen artikel 3 van het bestreden besluit waarbij wordt bepaald dat de termijn van de vergunning eindigt op 25 juni 2001; dat in het arrest nr. 79.227 van 11 maart 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing werd verworpen, prima facie werd besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering wegens de beperking van het voorwerp ervan om volgende reden : uit de motivering van het bestreden besluit blijkt "dat de verwerende partij van oordeel was dat de gevraagde inrichting onverenigbaar is met de planologische voorschriften. Desondanks willigde zij de aanvraag in om billijkheidsredenen. De beperking tot drie jaar van de vergunningsduur is dus voor de verwerende partij de absolute voorwaarde geweest om de vergunning in strijd met het gewestplan te verlenen, is bijgevolg onlosmakelijk met het verlenen van de vergunning verbonden en kan derhalve onmogelijk afzonderlijk bestreden worden"; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord betwist dat haar beperkt beroep onontvankelijk zou zijn en stelt dat er in casu afdoende redenen bestaan om de termijn van de milieuvergunning afzonderlijk te bestrijden; dat de verzoekende partij dienaangaande de volgende argumenten ontwikkelt : "Het is juist dat, naar luid van de vaste rechtspraak van uw Raad, wanneer een onderdeel van een besluit onlosmakelijk met de rest van dat besluit verbonden is, dat onderdeel niet op ontvankelijke wijze alleen kan vernietigd en derhalve bestreden worden (zie bijv. R.v.St., n.v. Vervoer Thys, nr. 75.676, 3 september 1998 en R.v.St., n.v. Nevens Natuursteen, nr. 78.964, 24 februari 1999). Uit deze rechtspraak blijkt dat telkens te onderzoeken is of de aangevochten voorwaarde Uw Raad heeft zich reeds enkele malen uitgesproken over de vraag of een tijdsbeperking die in een milieuvergunning werd ingelast, afzonderlijk kan worden bestreden. In sommige gevallen luidde het oordeel van uw Raad dat zulks niet kon (zie bijv. R.v.St., n.v. Vervoer Thys, nr. 75.676, 3 september 1998 : VII-17.104-6/12 zonder die voorwaarden de vergunning zou zijn geweigerd; dat de vernietiging van die voorwaarden alleen aan de verzoekster definitief de vergunning zou geven zonder die voorwaarden; dat in dergelijk geval, wil hij niet in de discretionaire bevoegdheid van het bestuur treden, de Raad van State niet vermag een gedeeltelijke vernietiging uit te spreken; dat bijgevolg de verzoekster alleen op ontvankelijke wijze het gehele besluit van 22 maart 1985 kon bestrijden de dat het argument dat het bestreden besluit in feite In andere gevallen was uw Raad daarentegen van oordeel dat een tijdsbeperking die in een milieuvergunning werd ingelast, wel afzonderlijk kon worden bestreden. Aldus overwoog uw Raad, in zijn arrest van 7 maart 1998 ( arrest met nr. 58.486, Eyckermans) dat Aldus achtte uw Raad de opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid ongegrond op grond dat de beperkte tijdsduur niet onlosmakelijk verbonden was met de rest van het besluit, vermits : - het bestuur de inrichting planologisch aanvaardbaar had geacht, - het bestuur van oordeel was geweest dat M.a.w., uit de bestreden beslissing bleek niet dat de beperking van de duur gesteund was op de planologische onverenigbaarheid of de milieuhygiënische beoordeling van de inrichting. Zij bleek enkel ingegeven te zijn door de vaststelling dat de milieuvergunningaanvrager slechts mestafzetcontracten kon voorleggen voor een periode van drie jaar, niettegenstaande het milieuvergun- ningsdecreet, in het kader van de vergunningverlening, aan het bestuur niet toeliet om zulks te vereisen. Deze rechtspraak lijkt, althans op het eerste gezicht, steun te bieden voor de stelling van verwerende partij. Bij nader inzien is dit evenwel slechts schijn, omdat de context van het arrest Eyckermans en huidig geschil fundamenteel verschillend is. In het arrest Eyckermans werd de inrichting door het bestuur planologisch aanvaardbaar geacht en werd die beoordeling en motivering - vanzelfsprekend - niet betwist door verzoekende partij. In huidige zaak is dit anders : het bestuur beperkte de vergunningsduur enkel op grond van de overweging dat de hervergunning van de bestaande inrichting In beginsel worden de ontvankelijkheidsvoorwaarden in hoofde van de verzoekende partij door uw Raad onderzocht alvorens de middelen ten gronde aan bod komen. Wordt besloten tot de onontvankelijkheid, dan verwerpt uw Raad het verzoekschrift zonder verder de middelen te onderzoeken. VII-17.104-7/12 Soms is uw Raad evenwel genoodzaakt voorafgaand de middelen te onderzoeken, alvorens over de ontvankelijkheid uitspraak te doen. Dit is het geval indien de ontvankelijkheid van het verzoekschrift onlosmakelijk verbonden is met de aangevoerde middelen ( 42.734, 3 mei 1993). Zo overwoog uw Raad, in zijn arrest Seret van 18 september 1985 onder meer : 'dat de door verzoeker uiteengezette middelen juist steunen op de redenering dat het bestreden besluit niet mocht worden uitgevaardigd op de voet van de bijzondere machtenwet; dat daaruit volgt dat de twee excepties (betreffende de ontvankelijkheid) samenhangen met de zaak zelf' (R.v.St., Seret, nr. 25.638, 18 september 1985). Zowel uit het auditoraatsverslag als uit de schorsingsprocedure blijkt dat in casu niet kan geoordeeld worden over de ontvankelijkheid van het beroep zonder over de grond van de zaak uitspraak te doen. Zo is in het auditoraatsverslag onder titel De voetnoot 19 bij deze paragraaf bepaalt verder : Aldus blijkt dat het auditoraat, dat door uw Raad in zijn arrest werd gevolgd, in zijn besluit tot onontvankelijkheid van het verzoek tot schorsing zich eigenlijk reeds uitgesproken heeft over de grond van de zaak. Klaarblijkelijk is de auditeur immers van oordeel dat het bestuur terecht tot de conclusie kwam dat de inrichting van verzoekster De vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoekschrift dient dan ook samen met het onderzoek van de middelen ten gronde te worden behandeld. Dit is trouwens de handelwijze die uw Raad, zij het impliciet, heeft aangeno- men in de zaak Noordvlees-Van Gool (R.v.St., nr. 44.955, 19 november 1993). In dit arrest schorste uw Raad gedeeltelijk een ministerieel besluit [meer bepaald de artikelen 2, 3 en 4 ervan, dus niet artikel 1 (Hoewel dit niet met zoveel woorden uit het gepubliceerde arrest van Uw Raad valt af te leiden, kan artikel 1 van dit bestreden besluit enkel de bepaling betreffen waarbij, met uitzondering van de duur (10 jaar), de initiële provinciale milieuvergunning, werd bevestigd. Het gaat dus wel degelijk om een gedeeltelijke schorsing van het ministerieel besluit (enkel de artikelen 2, 3 en 4)] waarbij een besluit van de bestendige deputatie, houdende toekenning aan verzoekster voor een termijn van 10 jaar van een milieuvergunning voor de verdere exploitatie en uitbreiding van haar slachthuis, in beroep werd gewijzigd in die zin dat de termijn van de vergunning werd beperkt Klaarblijkelijk was de duur van de milieuvergunning in de aldaar bestreden beslissing beperkt op grond dat de inrichting niet verenigbaar was met de stedenbouwkundige bestemming : baarheid van de inrichting uit stedenbouwkundig oogpunt overweegt : Overwegende dat de inrichting waarvoor een vergunning wordt aangevraagd voor circa 85 % gelegen is in een gebied voor milieubelastende nijverheid en voor circa 15 % in een woongebied volgens VII-17.104-8/12 het gewestplan Turnhout (KB van 30.09.77); dat de inrichting volledig ingesloten is door het omliggende woongebied, Overwegende dat, volgens de bepalingen van het KB dd. 28.12.72 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, de industriële gebieden een bufferzone dienen te omvatten; dat gelet op de omvang van het industriegebied deze bufferzone niet kan gerealiseerd worden; dat de exploitant weliswaar een bufferzone voorziet die zich situeert binnen het woongebied; dat deze bufferzone niet beantwoordt aan de bepalingen van voornoemd KB dd. 28.12.72; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting. die het voorwerp van onderhavige milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'; Dat blijkens de aangehaalde redengeving de inrichting moet worden geacht strijdig te zijn met het geldende gewestplan omdat geen bufferzone als bedoeld bij artikel 7, 2.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, kan worden gerealiseerd; dat het echter zeer de vraag is of voormeld motief het besluit in rechte kan dragen, dat de bufferzone waarvan sprake is in artikel 7, 2.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 immers bedoeld is als een binnen de grenzen van het industriegebied te situeren strook met een hoofdzake- lijk esthetische en stedenbouwkundige functie, waarvan de breedte en ook de aanleg bepaald dient te worden in de bouwvergunning verleend voor de randpercelen of - wat hier minder van belang is - naar aanleiding van een goedkeuring van het verkavelingsplan of van de vaststelling van het aanlegplan van het gebied' (R.v.St.,.Noordvlees-Van Gool, nr. 44.955, 19 november 1993, Verzameling arresten van de Raad van State - 1993, arresten nrs. 44.953 tot 44.958, p. 6). Uw Raad verklaarde in dit geval het verzoek tot schorsing ontvankelijk en gegrond. Ook al werd in dit dossier blijkbaar geen exceptie van onontvankelijk- heid aangevoerd, dan nog moet uit dit arrest afgeleid worden dat administratieve beslissingen waarin de duur van een milieuvergunning wordt beperkt, partieel kunnen worden bestreden, ook al is de beperking van de milieuvergunningsduur ingegeven door de vermeende planologische onverenigbaarheid van de inrichting. Het onderzoek van de ontvankelijkheid vereist in dat geval een onderzoek van de middelen die gericht zijn tegen de overwegingen en motieven op grond waarvan het bestuur van oordeel is dat de inrichting planologisch onverenigbaar is. In casu werden zulke middelen aangevoerd. Gelet op wat voorafgaat, rijst de vraag helemaal niet 17). Die basisdiscussie wordt door verzoekster tot nietigverklaring geenszins ontlopen, wel integendeel. In casu valt het standpunt van het auditoraat, daarin gevolgd door uw Raad, te betreuren. Er is immers niet goed in te zien welk belang verzoekster kan hebben bij de bestrijding van het gehele besluit dat nu eenmaal, zij het voor een beperkte duur, de activiteiten van verzoekster vergunt. Te dezen is immers niet uit het oog te verliezen dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de Stad Vilvoorde de milieuvergunningsaanvraag reeds had geweigerd. De schorsing en annulatie van de bestreden beslissing in zijn geheel VII-17.104-9/12 zou in die omstandigheden tot gevolg hebben gehad dat verzoekster onverwijld haar bedrijfsactiviteiten had moeten staken. Daartegen kan, tot slot, niet worden ingebracht dat de inwilliging van het partieel annulatieverzoek tot gevolg zou hebben dat uw Raad in de discretionaire bevoegdheid van het bestuur zou treden. In geval van partiële vernietiging van de beslissing zou het aan het bestuur toekomen om desgevallend, rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest van uw Raad, de opgelegde voorwaarde te heroverwegen. Te dezen is immers rekening te houden met de omstandigheid dat het bestuur, in de beslissing, de bestreden voorwaarde enkel heeft opgelegd omwille van de vermeende planologische onvergunbaarheid van de inrichting van de verzoek- ster. Uit de beslissing blijkt immers evenzeer dat de bestendige deputatie van oordeel was dat de milieuhygiënische hinder van de inrichting van verzoekster onbestaande was. Op dat vlak is er dus wel een parallel met de gegevens van het dossier in de zaak Eyckermans (zie hoger, p. 4, R. v. St., nr. 58.486, Eycker- mans, 7 maart 1998)"; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie in hoofdzaak haar in de memorie van wederantwoord ontwikkelde argumenten herhaalt; 2.4.
- Overwegende dat, wanneer een onderdeel van een besluit onlosmakelijk met de rest van dat besluit verbonden is, dat onderdeel niet op ontvankelijke wijze alleen kan bestreden worden; dat uit de sub 1.
- weergegeven motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij, hoewel ze van oordeel was dat de aanvraag in principe onverenigbaar is met de van toepassing zijnde bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, met het verlenen van een milieuvergunning van korte duur aan de verzoekende partij de mogelijkheid heeft willen geven om haar bestaande inrichting te herlocaliseren naar een andere, meer geschikte, vestigingsplaats; dat in casu de verwerende partij aan de exploitant niet meer heeft willen vergunnen dan hetgeen strikt noodzakelijk was voor de herlocalisatie van de inrichting; dat de termijn nodig voor de herlocalisatie, i.e. drie jaar, onmogelijk los gezien kan worden van de overige onderdelen van de beslissing; dat zonder de verplichting tot herlocalisatie in de nabije toekomst en de ermee samenhangende beperkte vergunningsduur de vergunning volledig zou zijn geweigerd; dat een gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit de verwerende partij in de toestand zou plaatsen waarbij ze - manifest tegen haar wil - een volgens haar op stedenbouwkundig vlak onverenigbare inrichting nog langer zou moeten tolereren; dat aangezien de tijdsbeperking onmogelijk van de vergunning kan worden afgesplitst, zij evenmin afzonderlijk kan worden aangevochten; VII-17.104-10/12 2.4.
- Overwegende dat, in weerwil van hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, de strekking of de inhoud van de aangevoerde middelen niets verandert aan de reden van niet-ontvankelijkheid die rechtstreeks verband houdt met het voorwerp van de vordering; dat om de al dan niet afsplitsbaarheid van het bestreden onderdeel van een milieuvergunning te beoordelen, een eenvoudige lezing van de motieven van het vergunningsbesluit namelijk volstaat, zonder dat die motieven daarom ook inhoudelijk dienen te worden beoordeeld; dat de ambtshalve opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie aldus geenszins verband houdt met de grond van de zaak; dat bovendien de verwijzing van de verzoekende partij naar het arrest nr. 44.955, de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL van 18 november 1993 niet relevant is; dat er in die zaak immers geen sprake was van een vraag tot gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag; dat, ten slotte, het argument van de verzoekende partij dat zij geen belang zou hebben bij het integraal bestrijden van de beslissing evenmin opgaat; dat de verzoekende partij er immers wel voor kon opteren de vergunning zelf in haar geheel te bestrijden, en dan ook het risico te lopen dat zij na een vernietiging en na heroverweging door het bestuur helemaal geen vergunning meer zou verkrijgen; dat de verzoekende partij echter verkoos dit niet te doen en slechts een gedeeltelijke nietigverklaring vorderde; dat de keuze om een gedeeltelijk annulatieberoep in te stellen geen afbreuk doet aan de regel dat wanneer een onderdeel van een besluit onlosmakelijk met de rest van dat besluit verbonden is, dat onderdeel niet op ontvankelijke wijze alleen kan vernietigd en derhalve bestreden worden; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-17.104-11/12 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.104-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.263 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.