← België

Arrest 138268 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.268 Rolnummer: A. 128222/VII-28144 Zaak: Arrest 138268 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 15:57 Fiche Arrest nr 138.268 van 9 december 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.268 van 9 december 2004 in de zaak A. 128.222/VII-28.

  1. In zake : Dirk BLOMME, die woonplaats kiest bij Advocaten C. DE WOLF en K. ROELANDT, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk BLOMME op 18 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 augustus 2002 waarbij na een vergunning op proef aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY definitief de vergunning wordt verleend om een vergunde graanmaalderij, gelegen te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, voor een termijn verstrijkend op 24 augustus 2020; Gelet op het arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende en de tussenkomende partij; VII-28.144-1/14 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 juli 2003 ingediend door de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de tussenkomst van de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 8 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2004, op welke datum de behandeling van de zaak in verderzetting wordt uitgesteld tot 28 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaten C. DE WOLF en K. ROELANDT, die verschijnen voor verzoeker, van Advocaten J. BERGÉ en K. BELMANS, die verschijnen voor de verwerende partij, en van Advocaat M. DEKETELAERE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-28.144-2/14 1.
  5. De tussenkomende partij exploiteert een graanmaalderij aan de Tolpoortstraat nr. 40 in het centrum van Deinze. De inrichting ligt in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's, volledig omgeven door woongebied, en is reeds meer dan een eeuw ter plaatse gevestigd. Verzoeker woont in de Tolpoortstraat nr. 64, in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. 1.
  6. Op 30 mei 1986 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een exploitatievergunning voor de verdere exploitatie van de graanmaalderij, voor een termijn van vijftien jaar. 1.
  7. Op 24 augustus 2000 verleent de bestendige deputatie een milieuvergunning voor de hernieuwing en verandering van de inrichting, voor een termijn van twintig jaar. Na een administratief beroep door de afdeling Milieuvergunningen Oost-Vlaanderen, wordt op 23 maart 2001 de vergunning vervangen door een vergunning op proef, voor een termijn tot 23 augustus
  8. De vergunning heeft volgend voorwerp : - het lozen van max. 3,5 m3/uur en 35 m3/dag bedrijfsafvalwater in de Leie; - het lozen van max. 0,65 m3/uur huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Tolpoortstraat; - twee oliegekoelde transformatoren van 1.250 kVA elk; - vijf batterijladers met een gezamenlijk vermogen van 11 kW; - een stalplaats voor max. 20 vrachtwagens; - een wasinrichting voor het reinigen van max. 10 voertuigen per week; - drie compressoren met een vermogen van 37 kW en 25,5 kW

(2x)en koelinstallaties met een gezamenlijk vermogen van 74 kW; - de opslag van 1.404 liter diverse gassen in verplaatsbare recipiënten (150 liter zuurstof, 100 liter atal, 50 liter stikstof, 70 liter argon, 350 liter acetyleen, 20 liter inarc en 664 liter propaan); - de opslag van 4.910 kg schadelijke, irriterende en corrosieve stoffen; - de opslag van 200 liter petroleum in een vat; - de opslag van 134.000 liter P3-producten in bovengronds enkelwandige houders (93.000 liter diesel, 1.000 liter afvalolie en 30.000 liter, 6.000 liter en 4.000 liter stookolie); - een verdeelslang voor diesel voor de bevoorrading van eigen voertuigen; - de opslag van 2.155 kg gevaarlijke stoffen in verpakkingen van max. 25 liter of 25 kg; - diverse houtbewerkingstoestellen met een gezamenlijk vermogen van 18,5 kW; VII-28.144-3/14 - de opslag van 750 m3 houten paletten, deels in een gesloten ruimte en deels in openlucht; - de opslag van 10 ton PVC-paletten in een lokaal; - een kwaliteitslabo; - diverse metaalbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 44,7 kW; - een ontvettingsbad van 200 liter voor metalen; - de opslag van 150 ton papieren verpakkingsmateriaal; - een stoomketel met een waterinhoud van 3.500 liter; - vijf stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van l.516 kW (1.042,5 kW, 234,5 kW, 98,2 kW, 97,6 kW en 45,3 kW); - een proefbakkerij met een gezamenlijk vermogen van 30 kW; een graanmaalderij met een totaal geïnstalleerd vermogen van 4.588,75 kW (1.958,75 kW voor bewerking en 2.630 kW voor transport); - de opslag van 29.882 m3 granen, bloem en bijproducten in silo’s. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd. Met betrekking tot geluidshinder wordt het volgende bepaald : "- De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen". De tussenkomende partij dient tegen deze beslissing een annulatieberoep in (A. 105.205/VII-23.824). Het beroep wordt verworpen bij arrest nr. 137.643 van 25 november 2004. VII-28.144-4/14 1.4. Voor de definitieve vergunning adviseren de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de afdeling Milieuvergunningen en de Geweste- lijke Milieuvergunningscommissie gunstig. Beide laatste instanties stellen als bijzondere vergunningsvoorwaarde het opleggen voor van een volledig akoestisch onderzoek, waarvan het rapport vóór 1 december 2002 dient voorgelegd aan de afdeling Milieu-inspectie; de Vlaamse Milieumaatschappij verleent nadien nog een advies, waarin ze stelt niet het in de proefvergunning opgelegde rapport te hebben ontvangen, en verwijst naar een eerder verleend advies, dat echter niet in het dossier is terug te vinden. 1.5. Op 22 augustus 2002 wordt de bestreden beslissing genomen : er wordt een definitieve vergunning verleend. De motivering inzake geluidshinder luidt als volgt : "Gelet op het feit dat het gebied volledig omgeven is door woongebied (centrum Deinze); dat de inrichting zich bevindt tussen de Leie en de Tolpoort- straat, een drukke winkelstraat met naast de vele winkels ook woongelegenheden op de verdiepingen van de huizen; dat bovendien in de onmiddellijke omgeving nog enkele scholen gevestigd zijn; dat in de Guido Gezellestraat zich een school voor secundair onderwijs bevindt waarvan de gebouwen zich uitstrekken tot vlak tegen de perceelsgrens van de graanmaalderij; (...) Overwegende dat de vergunning op proef werd verleend op basis van volgende feiten : • evaluatie van de genomen maatregelen om de geluidshinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau; (...)’ dat de vereiste maatregelen en rapporteringsplicht werden opgenomen als bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden in de proefvergunning; (...) Overwegende dat in de update van de geluidsbeheersingsmaatregelen van 17 mei 2002 blijkt dat de meeste maatregelen uitgevoerd zijn; dat uit een plaatsbezoek blijkt dat de geluidssanering gefinaliseerd wordt in augustus 2002; dat hierna opnieuw een vergadering van de overlegcommissie gepland is; dat het aangewezen is dat er nog een evaluatie plaatsvindt van het geluidsaspect na het beëindigen van de sanering; dat dit kan door een volledig akoestisch onderzoek op te leggen als bijzondere voorwaarde; (...) Overwegende dat aanvullend op de geluidssaneringen, besproken in het evaluatieverslag van de afdeling Milieu-inspectie, de beperking van de geluidsemissie ook dient te gebeuren met organisatorische maatregelen, zeker gezien het hier een continu bedrijf is gelegen in de stadskern; dat in het besluit van de bestendige deputatie van 24 augustus 2000 (bijzondere voorwaarden nrs. 24 en 28) geen beperkingen zijn voorzien voor de uren van aan- en afvoer; dat het bedrijf meedeelt dat in de huidige toestand volgend regime gevolgd wordt : VII-28.144-5/14 - Weekregime: Aan- en afvoer via waterweg: 7u tot 22u Aan- en afvoer via wegtransport: 6u tot 22u - Zaterdagregime (uitzonderlijk): aan- en afvoer tussen 7 en 21u; dat het laden van de eigen wagens op de bedrijfsterreinen (...) Overwegende dat de reeds opgelegde en nu bijkomend opgelegde bijzondere voorwaarden een aanvaardbare exploitatie in deze dicht bebouwde omgeving moeten garanderen; dat na afronding van alle onderzoeken en saneringen (geluidssaneringen, onderzoek stofneerslag, haalbaarheidsstudie vervoer via waterweg, ...) ambtshalve een evaluatie van de situatie kan gebeuren; dat dan, indien dit nodig zou blijken, ambtshalve nog bijkomende vergunningsvoorwaarden kunnen opgelegd worden; Overwegende dat er bij gevolg aanleiding toe bestaat de vergunning definitief te verlenen mits opleggen van de noodzakelijk geachte voorwaarden (...)". Als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt onder meer opgelegd: “De geluidssanering wordt geëvalueerd door een volledig akoestisch onderzoek; het rapport van dit onderzoek wordt vóór 1 december 2002 ter evaluatie overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie"; 2. Beoordeling 2.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij stelt dat de motivering van de beslissing over de definitieve vergunning steun moet vinden in de vaststellingen met betrekking tot de inzet van de proefperiode; dat hij, met betrekking tot de geluidshinder, wijst op de verplichting voor de vergunningverlenende overheid om een evaluatieverslag te vragen (artikel 53bis, § 2, van Vlarem I), en stelt dat de verwerende partij zich aan de hand van dit evaluatieverslag een definitief oordeel diende te vormen "over de vergunnings-aanvraag en meer bepaald of inzake geluidshinder de Vlarem-normen gerespecteerd worden"; dat hij vervolgt dat "uit het evaluatieverslag onomstotelijk blijkt dat de voorwaarden opgenomen in de proefvergunning niet werden nageleefd en geen afdoende concrete metingen werden uitgevoerd om te kunnen nagaan of de Vlarem-normen m.b.t. geluidshinder in casu VII-28.144-6/14 gerespecteerd worden"; dat hij verder betoogt dat de overheid rekening zal moet houden met de vaststellingen die tijdens de proefperiode "proefondervindelijk" gedaan zijn, zoniet zou aan het instrument van de proefvergunning elke zinvolle betekenis worden ontnomen, en dat zij bij de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag bijzondere aandacht zal moeten hebben voor de redenen die haar ertoe gebracht hebben om de vergunning eerst op proef te verlenen en niet onmiddellijk definitief te vergunnen voor een langere vergunningstermijn; dat hij tenslotte voorhoudt dat het ontbreken van concrete meetresultaten bovendien het bewijs vormt dat door de verwerende partij een definitieve vergunning is verleend zonder zorgvuldig en behoorlijk onderzoek van de proefperiode; dat hij, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State inzake de bestaansreden van de formele motiveringsplicht, het volgende stelt : "Zelfs indien het bestreden besluit mocht steunen op concrete meetresultaten waaruit zou blijken dat de normen van titel II van Vlarem m.b.t. geluidshinder gerespecteerd worden - quod certa non - , dan nog rust op Verwerende Partij, op grond van de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet, de verplichting om deze concrete meetresultaten kenbaar te maken in het bestreden besluit. Immers, in casu is het gerespecteerd zijn van de Vlarem-normen het criterium voor het verlenen van een milieuvergunning, zodat de Verzoekende Partij slechts in staat (
  1. is)om te oordelen of met nuttig gevolg de bestreden beslissing kan aangevochten worden, indien deze meetresultaten in de bestreden beslissing zijn opgenomen en dus door de Verzoekende Partij kan getoetst worden aan de Vlarem-normen. Welnu, in het bestreden besluit werden geen enkele concrete meetresultaten kenbaar gemaakt, zodat uiteraard aan de Verzoekende Partijen de mogelijkheid ontzegd werd de betreffende meetresultaten te toetsen aan de Vlarem-normen. Het bestreden besluit schendt dan ook manifest de formele motiveringsplicht"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij beweert dat verzoeker geen belang heeft bij het middel; dat zij terzake het volgende stelt : "(...) Reeds tijdens de debatten over de vordering tot schorsing werd het rapport over het volledig akoestisch onderzoek zoals voorzien voor neerlegging op 01 december 2002 behandeld (stuk in de schorsingsprocedure neergelegd door de tussenkomende partij). Uit het rapport blijkt dat inzake de beheersing van de geluidshinder een zodanige vooruitgang werd gemaakt dat de verzoekende partij geen hinder meer kan ondervinden, minstens dat de uitvoering van de saneringsmaatregelen de hinder op een zodanige wijze beperkt dat er geen gevaar (meer) is voor het leefmilieu. In essentie blijkt uit het rapport dat de milieukwaliteitsnorm van VLAREM II enkel nog aan de overzijde van de Leie (Leidedam) en op de parking in illo tempore werd overschreden. De nog niet voltooide uitvoering van de saneringsmaatregelen heeft het actuele en voldoende concrete persoonlijk karakter van het belang dat de verzoekende partij bij het middel heeft, weggenomen. Minstens zal de aanwezigheid van dit belang in de loop van de procedure opnieuw moeten worden geëvalueerd"; dat zij ten gronde het volgende betoog voert: VII-28.144-7/14 "(...) De verwerende partij betwist niet dat de vergunning-verlenende overheid zich op grond van het evaluatieverslag dat is voorzien in art. 53bis, §2 VLAREM I, een oordeel moet vormen over de definitieve vergunbaarheid van de exploitatie. De verwerende partij betwist wel dat de definitieve vergunning slechts kon worden gegeven indien met mathematische zekerheid uit concrete meetresultaten van een akoestisch onderzoek zou blijken dat alle geluidsnormen op permanente basis werden nageleefd. (...) In feite komt het erop neer dat de beslissing over de definitieve vergunning moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die inpasbaar moeten zijn in de bevindingen van het evaluatierapport. Dit evaluatierapport mag niet terzijde worden geschoven, niet worden tegengesproken, en ook met de adviezen moet rekening worden gehouden. Het definitieve oordeel over de vergunningsaanvraag zoals het wordt gedaan na de proeftermijn berust op een grondige evaluatie van de proefperiode, zodat een beoordeling kan leiden tot een ander inzicht dan voor de proefperiode (...) Het is nooit zo dat de motieven uit hun verband mogen worden gebracht, de bewoordingen van de vergunning op proef lineair en letterlijk moeten worden geïnterpreteerd, en de motieven voor een besluit over een definitieve vergunning alleen maar kunnen blijken uit het besluit zelf, en bijvoorbeeld niet uit de andere kenbare relevante elementen van het (administratieve) dossier, bijvoorbeeld de adviezen, het evaluatierapport, enz. De vergunning op proef dd. 23 maart 2001 is het resultaat van een administratief hoger beroep dat werd aangetekend door de directeur van de afdeling milieuvergunningen Oost-Vlaanderen met als uitdrukkelijk doel de risico’s van de externe veiligheid (stofexplosie) en van de geluidshinder tot de wettelijke en aanvaardbare niveau’s te beperken. Het was meer specifiek de bedoeling van de directeur om inzake de beide probleempunten gestoffeerde saneringsprojecten te laten opstarten, met concrete en snelle uitvoeringstermijnen, en met bijzondere aandacht voor het feit dat de maatregelen op het vlak van geluid, deze inzake de externe veiligheid konden tegenwerken. (...) De inzet van de proefvergunning was derhalve dat de nodige sanering op vlak van (externe veiligheid
  2. en)geluid in de tijd zou worden geprogrammeerd en dat de verbetering zou worden geëvalueerd. Er is echter geen reden om te zeggen dat de evaluatie van het specifieke geluid van de inrichting ten gevolge van de saneringsmaatregelen exclusief zou kunnen worden geëvalueerd op grond van een volledig akoestisch onderzoek. De evaluatie moet grondig zijn, aanvaardbaar en de motieven voor de toekenning van de definitieve vergunning moeten inpasbaar zijn in de bevindingen van de evaluatie, niet minder, maar ook niet meer. Er is hoedanook geen enkele reden om in de voorliggende zaak te concluderen dat de controle op effectiviteit van de bijzondere exploitatievoorwaarden van de proefvergunning met betrekking tot het geluid niet kon gebeuren op de wijze waarop de verwerende partij het heeft gedaan. De verzoekende partij is het er overigens mee eens dat het evaluatieverslag van de milieu-inspectie juist is, duidelijk, en dat het niet wordt tegengesproken door welke elementen uit de bestreden beslissing ook. De verzoekende partij bekritiseert het evaluatieverslag inderdaad niet op zichzelf. Hij noemt het verslag onvolledig, maar dit heeft exclusief betrekking op de afwezigheid van meetresultaten uit een nieuw akoestisch onderzoek. Dit is geen fout van het verslag, vermits daarin de feiten juist worden vastgesteld. Het is wel een kritiek op de bestreden beslissing. VII-28.144-8/14 De verzoekende partij tilt vooral zwaar aan de evaluatie van de saneringsmaatregelen op basis van een simulatieberekening, i.p.v. concrete meetresultaten. Het valt echter niet in te zien dat die evaluatie wetenschappelijk onjuist is (de verzoekende partij toont dit niet aan). Het is vooral essentieel dat het bestreden besluit op grond van het evaluatieverslag en de unaniem gunstige adviezen concludeert dat de maatregelen inzake geluidsbeheersing volstaan, in acht genomen de finalisering van de sanering in augustus 2002, en dat nadien nog een evaluatie moet plaatsvinden die wordt opgelegd in de bijzondere milieuvoorwaarde nr. 32 (art. 2, 2/ van het bestreden besluit). Overigens (worden) aanvullend op de saneringsmaatregelen inzake geluid, organisatorische maatregelen opgelegd tot beperking van de geluidsemissie, meer in het bijzonder inzake aan- en afvoer via waterweg en wegtransport. (...) Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de beslissingnemende overheid om de relevante elementen van het dossier zoals samengevat in het evaluatieverslag, te beoordelen, en een eigen beslissing te nemen. Dit is precies wat is gebeurd. Het evaluatieverslag werd tijdig gevraagd, rapporteert op grond van de afstappingen ter plaatse, van de recentste rapporteringsgegevens van de deskundigen van de exploitant, confronteert deze rapporteringsgegevens met de zelf tijdens de inspectiebezoeken van mei 2002 vastgestelde feiten, en wordt voor wat dit alles betreft door de verzoekende partij niet op de minste wijze tegengesproken. Aldus geeft het evaluatieverslag de aanzet tot een definitieve vergunning, precies omdat het opzet van de vergunning op proef, met name het in uitvoering brengen van saneringsmaatregelen volgens een voorgeschreven tijdsschema, als geslaagd wordt beschouwd. De verwerende partij heeft deze appreciatie correct gemaakt, en op volstrekt draagkrachtige motieven gesteund. De verzoekende partij onderzoekt deze motieven niet, maar beperkt zich, zoals gezegd, tot de vaststelling dat ze niet draagkrachtig kunnen zijn, omdat er geen concrete meetresultaten van een akoestisch onderzoek worden aangeleverd. De formeel aanwezige motivering wordt derhalve niet op haar merites onderzocht, en om die reden alleen al kan de verzoekende partij in haar kritiek niet worden gevolgd. (...) De proefperiode is geenszins betekenisloos geweest. (...). Op het vlak van de geluidshinder werden de meeste saneringsmaatregelen uitgevoerd, wordt de hand gehouden aan de finalisering voorzien voor augustus 2002 (dus nu al verleden tijd), wordt de evaluatie van de sanering door een volledig akoestisch onderzoek voor 1 december 2002 opgelegd (bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde nr. 32) en wordt de opvolging van klachten over bijv. geluidshinder verankerd in de verbeterde werking van de overlegcommissie (bijzondere voorwaarde nr. 31) (zie evaluatieverslag en motivering van de bestreden beslissing, p. 6). Het kan niet worden aangenomen dat de proefperiode onwerkdadig is geweest, zodat het evenmin mogelijk is om de inzet van de proefvergunning te negeren. Dit is nochtans precies wat de verzoekende partij ongenuanceerd doet. Tenslotte verwart de verzoekende partij de controle op het bestreden besluit met de handhaving van de toe te passen en opgelegde milieuvoorwaarden. Om te kunnen weten of het bestreden besluit met nuttig gevolg kan worden aangevochten, is het niet nodig dat concrete meetresultaten in de bestreden beslissing worden opgenomen. Dit verandert niets aan de toepasbaarheid van de normen (bijlage 2, VLAREM II), en kan ook geen aanleiding geven tot het hanteren van rechtsmiddelen tegen het besluit dat de meetresultaten vermeldt. Dit is een zuivere kwestie van handhaving, en de verzoekende partij weet wel hoe zij dit moet aanpakken. Noch de formele motiveringswet, noch de materiële motiveringsplicht eisen dat in de bestreden beslissing concrete meetresultaten moesten worden vermeld. De verzoekende partij legt haar standpunt hierover niet uit. VII-28.144-9/14 Het schorsingsarrest weerlegt deze argumentatie niet. Een voorwaarde in de proefvergunning hoeft niet zo letterlijk te worden genomen dat zij het weloverwogen afgeven van een definitieve vergunning lineair en ongenuanceerd verhindert, op voorwaarde dat de (...) Het bestreden besluit stelt gewoonweg vast dat de sanering ad hoc volstaat, en dat op het vlak van het geluid een controlemeting moet plaatsvinden. Dit is derhalve geen meting ten behoeve van een herziening of aanpassing van saneringsmaatregelen. De sanering op vlak van het geluid werd op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, dit is 22 augustus 2002, geacht te zijn voltooid, zoals het evaluatieverslag het aangaf. Het getuigt derhalve van een zorgvuldig besluit dat met alle elementen van het deeldossier geluid rekening werd gehouden en dat er louter tot zekerheid van de gerealiseerde sanering een evaluatiemeting wordt opgelegd, waarvan het verslag op 01 december 2002, dit is binnen de drie maanden na het besluit, moet kunnen worden overgelegd. De inzet van de proefvergunning zou zijn miskend, en er zou eventueel onzorgvuldig bestuur zijn, indien de proef haar doel niet had bereikt, en er toch een definitieve vergunning werd afgegeven. Dit is manifest niet het geval, en dit is ook niet wat de verzoekende partij beweert. Zij beweert alleen dat het resultaat niet voldoende is aangetoond (cfr. betwisting pro forma van de simulatieberekening), quod certe non"; 2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij verwijst naar de bestreden beslissing waar deze de inzet van de vergunning op proef aangeeft, meer bepaald de "evaluatie van de genomen maatregelen om de geluidshinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau", en stelt "dat de vereiste maatregelen en rapporteringsplicht werden opgenomen als bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden in de proefvergunning"; dat zij vervolgens betoogt : "Welnu, al deze aspecten - en de realisatie - van de inspectie, uitdrukkelijk weergegeven in het ministerieel besluit van 22 augustus 2002. (...) Verzoekende partij vergist zich wanneer zij stelt dat de definitieve vergunning slechts kon worden afgeleverd indien met Men kan ook niet voorbijgaan aan de specifieke bedoeling van de vergunningverlenende overheid om in casu een proefperiode aan de exploitant op te leggen (op beroep van de directeur van de afdeling Milieuvergunningen VII-28.144-10/14 Buitendienst Oost-Vlaanderen) : de probleempunten inzake geluidshinder en risico inzake stofexplosie zouden worden aangepakt via een aantal onderbouwde saneringsprojecten, gekoppeld aan (zeer) korte en strikte uitvoeringstermijnen. Alzo werd via het instrument proefvergunning gepoogd de sanering inzake geluid en externe veiligheid op strakke wijze te De resultaten die door de exploitant ondertussen zijn geboekt tonen ook precies aan dat deze proefperiode resultaten heeft opgeleverd en haar doel dus geenszins heeft gemist. De motivering van het bestreden besluit van 22 augustus 2002 voldoet dan ook aan de vereisten gesteld door artikel 17 van het Milieuvergunningsdecreet en de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet"; dat zij de bewering van verzoeker tegenspreekt dat "uit het evaluatieverslag onomstotelijk blijkt dat de voorwaarden opgenomen in de proefvergunning niet werden nageleefd en geen afdoende concrete metingen werden uitgevoerd om te kunnen nagaan of de Vlarem-normen m.b.t. geluidshinder in casu gerespecteerd worden" : "Dergelijke conclusie is niet ernstig. Immers, uit het evaluatieverslag volgt dat op basis van de update van de geluidsbeheersingsmaatregelen dd. 17 mei 2002 blijkt dat de meeste maatregelen reeds werden uitgevoerd en dat de geluidssanering eind augustus 2002 gefinaliseerd wordt. Ten overvloede werd door de vergunningverlenende overheid als bijzondere voorwaarde opgelegd een bijkomend volledig akoestisch onderzoek uit te voeren teneinde het geluidsaspect na het beëindigen van de sanering te evalueren (=beoordeling van de uitgevoerde geluidssanering)! Deze studie werd inmiddels uitgevoerd door de erkende deskundige SGS Environmental Services NV en het rapport van dit volledig akoestisch onderzoek werd op 20 december 2002 overgemaakt aan de afdeling Milieu-inspectie en aan de afdeling Milieuvergunningen."; 2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, met betrekking tot zijn belang, laat gelden wat volgt : Het Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, 286). Welnu, met het bestreden besluit werd aan Tussenkomende Partij (inrichting klasse I) een definitieve vergunning afgeleverd strekkende tot verandering door uitbreiding van de inrichting. Meer bepaald wordt het vermogen van de graanmaalderij uitgebreid met 1619,8 kW tot in totaal 4588,75 kW. Aangezien Verzoekende Partij in de onmiddellijke omgeving (Tolpoortstraat 64) woont van Tussenkomende Partij, is het evident dat zij altijd nadelen (geluid, stof en geur - hoe weinig ook -) zal ondervinden van de exploitatie van de inrichting klasse I, ongeacht het feit dat in de loop van de vernietigingsprocedure zou kunnen worden aangetoond - wat tot op heden nog niet is gebeurd - dat de Vlarem- normen worden gerespecteerd. VII-28.144-11/14 Het al dan niet gerespecteerd zijn van de Vlarem-normen bij de exploitatie van de graanmaalderij, heeft betrekking op de (on)wettigheid van het bestreden besluit. Verzoekende Partij heeft aangetoond dat het steeds respecteren van de Vlaremnormen, de De Raad van State heeft in haar arrest d.d. 4 juni 2003 de onwettigheid van het bestreden besluit vastgesteld. De vernietiging van het bestreden besluit levert Verzoekende Partij tevens een voordeel op, aangezien het vernietigingscontentieux de vergunning tot uitbreiding van de inrichting van Tussenkomende Partij ex tunc uit de interne rechtsorde doet verdwijnen, en dus laat besluiten dat de uitbreiding nooit mocht plaatsvinden. M.a.w., als Verwerende Partij van oordeel is dat het belang van Verzoekende Partij in de loop van de vernietigingsprocedure moet worden geëvalueerd, kan dit enkel betrekking hebben op het feit of Verzoekende Partij nog steeds woonachtig is in de onmiddellijke omgeving. Tot op heden is dit het geval. Verwerende Partij dwaalt dan ook volkomen wanneer zij stelt, dat uit de resultaten van de geluidsstudie, door Tussenkomende Partij neergelegd in het kader van de schorsingsprocedure, kan voortvloeien dat Verzoekende Partij niet meer beschikt over het rechtens vereiste belang. Bovendien schijnt Verwerende Partij vergeten te zijn, dat uit de door Verzoekende Partij neergelegde geluidsstudie van deskundige Verhas is gebleken, dat uit de studie van SGS helemaal niet kan afgeleid worden dat op heden de Vlarem-normen gerespecteerd zouden zijn, wel integendeel"; dat hij, wat de grond van de zaak betreft, herhaalt dat het respecteren van de Vlarem II-normen de inzet vormde van de proeftermijn; dat hij betwist dat het laattijdig neergelegde akoestische onderzoek (deskundige SGS) zou aantonen dat aan die inzet was voldaan, en daartoe citeert uit een op haar verzoek door een andere deskundige (Verhas) uitgevoerd onderzoek; 2.5. Overwegende dat verzoeker als omwonende van de vergunde inrichting beschikt over het rechtens vereiste belang bij het beroep tot nietigverklaring; dat niet ten genoege van recht is aangetoond dat de overschrijding van de geluidsnormen niet waarneembaar is op de plaats waar verzoeker woont; dat de exceptie wordt verworpen; 2.6. Overwegende dat de op 23 maart 2001 op proef verleende vergunning op duidelijke en ondubbelzinnige wijze de verplichtingen oplegt het door de inrichting voortgebrachte geluid te evalueren door middel van een akoestisch onderzoek, de nodige saneringsmaatregelen te nemen en na uitvoering van deze laatste een tweede akoestisch onderzoek uit te voeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van Vlarem II steeds gerespecteerd worden; dat de bestreden beslissing VII-28.144-12/14 een definitieve vergunning verleent, hoewel wordt vastgesteld dat de sanering nog gedeeltelijk moest worden uitgevoerd en het opgelegde akoestisch onderzoek na sanering uiteraard niet werd uitgevoerd; dat bijgevolg uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat de tussenkomende partij niet binnen de in de proefvergunning opgelegde termijn de sanering heeft uitgevoerd, en dat zij niet binnen de termijn het volledig akoestisch onderzoek heeft voorgelegd dat moest aantonen dat de sanering tot het gewenste resultaat had geleid; dat toch een definitieve vergunning wordt verleend, op basis van een simulatieberekening waaruit zou moeten blijken dat, eens de sanering zal zijn voltooid, de inrichting grotendeels zal voldoen aan normen die echter soepeler zijn dan deze die volgens de proefvergunning gelden; dat de bewering van de verwerende partij als zou de proeftermijn enkel bedoeld zijn geweest als drukkingsmiddel om de exploitant te laten beginnen met de noodzakelijke sanering niet valt te rijmen met de duidelijke bewoordingen van de proefvergunning; dat wanneer uit het akoestisch onderzoek, uitgevoerd na de bestreden beslissing, zou blijken dat de geldende Vlarem II-normen wel worden gehaald, dit gegeven de gebrekkige motivering van de bestreden beslissing of het onzorgvuldig karakter ervan niet kan goedmaken; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 augustus 2002 houdende definitieve uitspraak, na een vergunning op proef, aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY, om een vergunde graanmaalderij, gelegen te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-28.144-13/14 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij . De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-28.144-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.268 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.