← België

Arrest 138288 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.288 Rolnummer: A. 131414/XIV-13335 Zaak: Arrest 138288 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 16:03 Fiche Arrest nr 138.288 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.288 van 9 december 2004 in de zaak A. 131.414/XIV-13.335 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. CARTON, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 5 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 5 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; XIV-13.335-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VANDENBERGHE, die, loco advocaat S. CARTON, verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 oktober 2002 en zich vluchteling verklaart op 22 oktober 2002; dat op 4 november 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Algerijnse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Setif. U verklaart tijdens uw interview in dringend beroep in april 2001 aangesproken te zijn geweest op straat door twee onbekenden, die u aanmaanden naar de moskee te gaan en er op stonden dat uw zussen een sluier droegen. U hechtte aan dit incident niet veel belang. Echter in de 13 à 14 maanden die er op volgden werd u meermaals met een tussentijd van één week tot drie maanden door ‘Islamisten’ aangesproken die nog steeds hetzelfde van u en uw zussen vroegen. De manier waarop u werd aangesproken werd steeds agressiever. Begin mei 2002 bevond u zich in café ‘Titanic’. Twee ‘Islamisten’ kwamen het café binnen en zeiden u op dreigende toon dat u naar de moskee diende te gaan. Na dit voorval was u erg bang en bracht u uw tijd voornamelijk thuis door. Eind mei 2002 ontving u op straat een dreigbrief die ondertekend was door de ‘groep Mujaheddin’. Op 1 juni 2002 ging u met de dreigbrief naar de rijkswacht om bescherming te vragen. Ze zeiden u echter dat u de ‘commando’s diende te vervoegen, wat u weigerde. U werd gedurende vijftien dagen in de cel opgesloten en mishandeld. Na vijftien dagen werd u vrijgelaten, u weet niet waarom. Twee weken later bevond u zich opnieuw in café ‘Titanic’ Opnieuw kwamen twee mannen naar u toe en bedreigden u met de dood. U besliste vervolgens Algerije te verlaten. Twee dagen later contacteerde u uw zus in België met de vraag of zij borg voor u wou staan. Begin augustus 2002 vroeg u dan uw visum aan bij de Belgische ambassade. Vervolgens verliet u Algerije op 14 oktober
  2. U kwam die dag per vliegtuig legaal naar België en vroeg asiel aan op 22 oktober
  3. U bent in het bezit van uw originele militaire kaart, uw originele identiteitskaart, uw origineel vliegtuigticket, uw origineel paspoort en een kopie van de dreigbrief. Er dient te worden vastgesteld dat u in de loop van uw asielprocedure een aantal tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u onmiddellijk in april 2001 naar de rijkswacht stapte nadat u die maand één maal benaderd werd door ‘Islamisten’ (zie DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal zegt u echter dat u aan de eerste benadering door ‘Islamisten’ niet veel belang hechtte, dan gedurende 13 à 14 maanden meermaals door hen benaderd werd en pas op 1 juni 2002 voor de eerste keer naar de rijkswacht stapte nadat u een dreigbrief had ontvangen eind mei 2002 (zie CGVS, p 5, 6, 8 en 9). Over deze dreigbrief die afkomstig zou zijn geweest van de Mujaheddin, repte u bovendien met geen woord tijdens uw eerste interview. Daarnaast sprak u tijdens uw eerste interview van één voorval in café ‘Titanic’ dat u situeert in januari-februari 2002 (zie DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal daarentegen verklaart u dat u tweemaal een incident kende met ‘islamisten’ in café ‘Titanic’, XIV-13.335-2/5 één maal gesitueerd in de eerste dagen van mei 2002 (zie CGVS, p 7) en één keer twee weken na uw vrijlating (op 15 juni 2002) waarna u dan onmiddellijk besloot Algerije te verlaten (zie CGVS, p 11). Verder beweerde u op de dienst Vreemdelingenzaken eerst dat u door de rijkswacht werd opgesloten toen u in april 2001 aangifte ging doen van het voorval met de terroristen (zie DVZ, vraag 42). Later, tijdens dit zelfde interview verklaarde u dan weer dat het in juni 2001 was dat u vijftien dagen werd opgesloten (zie DVZ, vraag 44). Geen van die twee verklaringen komt echter overeen met wat u zegt tijdens uw dringend beroep namelijk dat u van 1 juni 2002 tot 15 juni 2002 werd opgesloten bij de rijkswacht toen u aangifte wou doen (zie CGVS, p 9-11). Voorts dient te worden gewezen op het feit dat uw beweerde vrees voor vervolging enigszins wordt ondermijnd. U verbleef namelijk na het laatste voorval nog meer dan drie maanden zonder problemen in Algerije. Meer nog, u bleef gedurende deze periode gewoon thuis en wachtte af tot u over uw visum beschikte om legaal naar België te komen. Bovenstaande vaststellingen maken dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw beweerde vluchtmotieven. Tot slot wijzigen de door u voorgelegde documenten bovenstaande vaststellingen niet gezien de bedrieglijkheid van uw aanvraag. Bovendien is het vreemd dat u zegt, wanneer u een beschrijving van de dreigbrief wordt gevraagd, dat deze ondertekend is terwijl blijkt dat de brief die voorlegt ondertekend is door de ‘groep Mujaheddin’ (zie verslag CGVS, p 9).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste en tweede middel de schending opwerpt van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48, 49, 51, § 2, 2/ en 52, § 2, 7/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken plaatsvindt volgens de vraag- en antwoordmethode, dat het verhoor op het commissariaat-generaal uitgebreider was en de gestelde vragen duidelijker en concreter waren, dat haar verklaringen aldaar met de werkelijkheid overeenkomen, dat het begrijpelijk is dat zij tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken bepaalde zaken onvermeld liet omdat zij daar geen vragen over had gekregen of omdat zij gewoon onder stress stond, dat de rechtstreekse confrontaties met haar belagers veel ingrijpender en traumatischer waren dan het ontvangen van een dreigbrief, dat de verzoekende partij ook tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zij van 1 juni 2002 tot 15 juni 2002 werd vastgehouden en dat enige onduidelijkheid daaromtrent toe te schrijven is aan een (eventuele) foutieve vertaling of notulering van haar verklaringen, dat haar leven wordt bedreigd door fundamentalistische moslims en dat zij tevergeefs poogde een beroep te doen op de Algerijnse overheidsdiensten; 2.2 Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-13.335-3/5 Overwegende dat niet kan worden ingezien hoe het verschil in uitgebreidheid tussen het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat- generaal de verzoekende partij ervan heeft kunnen weerhouden eenduidige verklaringen af te leggen over het tijdstip van haar arrestatie, haar contact met de gendarmerie en haar aanwezigheid in het restaurant ‘Titanic’; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij tijdens en na haar opeenvolgende verhoren de kans heeft gekregen opmerkingen of voorbehoud te formuleren bij haar verklaringen, doch heeft nagelaten dit te doen, zodat haar kritiek met betrekking tot de vertaling of de notulering niet kan worden bijgetreden; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het motief dat zij na het laatste voorval nog meer dan drie maanden probleemloos in Algerije verbleef; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat beide middelen in die mate ongegrond zijn; Overwegende artikel 48 van de Vreemdelingenwet die luidt als volgt : “Kan als vluchteling worden erkend de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die ten dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden”; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij is behandeld en afgewezen overeenkomstig artikel 52 van de vreemdelingenwet; dat hieruit volgt dat verzoekende partij de schending van artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan aanvoeren; dat artikel 49 van de Vreemdelingenwet enkel van toepassing is op erkende vluchtelingen; dat de middelen in die mate niet ontvankelijk zijn;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-13.335-4/5 Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.335-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.