← België

Arrest 138289 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.289 Rolnummer: A. 133884/XIV-14113 Zaak: Arrest 138289 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 16:04 Fiche Arrest nr 138.289 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.289 van 9 december 2004 in de zaak A. 133.884/XIV-14.113 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. DE WIT, kantoor houdende te 2390 WESTMALLE, Brechtsesteenweg 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 7 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.113-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE WIT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 22 november 2002 en zich vluchteling verklaart op 26 november 2002; dat op 3 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Soedanees staatsburger die beweert afkomstig te zijn van Okaru (West-Equatoria) verklaart uw land te zijn ontvlucht omwille van een dreigende inlijving bij de rebellen. Op 06/11/2002 verliet u uw land per schip. U kwam in België aan op 22/11/2002, waar u op 03/12/2002 asiel hebt gevraagd. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. U leefde samen met uw moeder en uw zus in het dorpje Okaru. Uw vader werd ingelijfd om in de oorlog te vechten toen u nog klein was. U hebt uw legerdienst niet gedaan, alhoewel u twee jaar geleden werd opgeroepen. U was ziek op het moment dat men u kwam halen, waardoor u aan uw legerdienst bent ontsnapt. Op 08/11/2002 werden u en uw moeder ‘s ochtends vroeg opgeschrikt door geschreeuw en geweerschoten. Vijf mannen in militaire outfit vielen het huis binnen en wilden u meenemen. U vreesde dat de mannen, waarvan u dacht dat het rebellen waren, u wilden meenemen om u naar de oorlog te sturen. De gevechten tussen de regeringstroepen en de rebellen hebben ook plaats in de regio waar u woonde. De mannen slaagden er echter niet in u mee te nemen, gezien uw moeder tussen kwam en u zich in het struikgewas verschool. U bleef daar tot de avond en trok toen naar het dorp Bonoza, waar uw pastoor woonde. U kon bij hem overnachten. De pastoor zocht de volgende avond het dorp Okaru op, maar vond er niemand. Alle dorpsbewonders bleken de benen te hebben genomen. Ook uw moeder kan de pastoor niet terug vinden. U verbleef in totaal vier dagen bij de pastoor. Daarna bracht hij u over naar het dorp Kwali, bij één van zijn vrienden, omdat de militairen talrijk in Bonoza aanwezig bleken en pastoor D. K. vreesde dat zijn dorp wel eens hetzelfde zou kunnen overkomen als Okaru. Na twee weken verblijf te Kwali, zocht de pastoor u op samen met mijnheer C.. Deze blanke stelde u voor naar Amerika te gaan, waar u zou veilig zijn. U ging akkoord met deze oplossing gezien u een veilig onderkomen wenste. Op 04/11/2002 kwam C. u halen. Jullie reisden per auto tot in de Noordelijke havenstad Suakin, waar Collins u voorstelde aan mijnheer T.. Mijnheer T. bracht u op 05/11/2002 naar een schip, waar u in een opslagplaats verbleef, samen met nog twee andere reizigers. U kent de naam van het schip niet. U kwam aan in Zeebrugge op 22/11/
  2. Op 26/11/2002 verliet u het schip samen met T. die u vergezelde naar Brussel om asiel aan te vragen. U bent nooit in het bezit geweest van een internationaal paspoort of identiteitskaart. Er dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk maakt dat u werkelijk uit Okaru, gelegen in, afkomstig bent, gezien de verklaringen die u aflegde aangaande uw regio. Vooreerst situeerde u uw dorp in West-Equatoria (gezinssamenstelling bij de vraag tot dringend beroep), terwijl het volgens de informatie die het commissariaat-generaal beschikbaar heeft en waarvan een kopie in het dossier steekt, Oost-Equatoria betreft. Wanneer u gevraagd wordt om de omliggende dorpjes van Okaru, kan u enkel het verderop gelegen Magwi correct situeren (gehoorverslag CGVS, p 3). U vernoemde geen enkel van de aangrenzende dorpen. De andere dorpen, zoals Agoro, Ikoto, Mundri en Maridi, blijken hoewel Soedanese plaatsnamen, helemaal geen buurdorpen te zijn. Alhoewel een dorp als Agoro in dezelfde regio moet gesitueerd worden, kan dat van Maridi en Mundri helemaal niet gezegd worden. De XIV-14.113-2/6 informatie waarop het commissariaat-generaal zich dienaangaande baseert, werd toegevoegd aan het administratief dossier. Verder is het merkwaardig dat u niet weet wat de Popular Defence Force is (gehoorverslag CGVS, p 7), gezien uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie toegevoegd is aan het administratief dossier, blijkt dat deze paramilitaire organisatie een zekere bekendheid heeft in Soedan en gezien deze troepen concreet in uw regio worden ingezet. Daarenboven blijkt uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier steekt, dat in de Zuidelijke deelstaten vrijwel niet door regeringstroepen wordt gerekruteerd. Vandaar dat het merkwaardig is dat u verklaarde twee jaar geleden te zijn opgeroepen. U verklaarde eveneens dat u uw legerdienst uiteindelijk niet deed, gezien u op het moment van oproeping thuis ziek lag. Indien u werkelijk opgeroepen werd, wat vrij onwaarschijnlijk is gezien u in het uiterste Zuiden van Soedan woonde, blijkt de manier waarop u kon ontkomen aan de legerdienst totaal ongeloofwaardig. Uit de informatie waarover het commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie aan het dossier werd gevoegd, blijkt dat in de praktijk vrijstelling van legerdienst kan worden bekomen wanneer medische problemen worden vastgesteld tijdens de opleiding. Het is weinig waarschijnlijk dat u bij een persoonlijke oproeping, zomaar kon ontsnappen aan de legerdienst, zonder verdere stappen te hebben ondernomen. Uit de informatie, waarvan een kopie in het administratief dossier, blijkt het zeer moeilijk een dergelijke gunst te bekomen zelfs wanneer smeergeld wordt betaald. Verder is het eveneens ongeloofwaardig dat u zonder in het bezit te zijn van enig identiteitsdocument, probleemloos kon reizen van het uiterste Zuiden van het land, onder SPLM/A controle, tot de haven Suakin in het Noorden, dwars door gebied dat in handen is van de Soedanese regering. Uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat het zo goed als uitgesloten is dat men zich vrij kan bewegen tussen gebieden in handen van de rebellen en gebieden in handen van de regering. Vele controles dienden uw reis te bemoeilijken, zoniet onmogelijk te maken gezien u zich niet kon identificeren. U verklaarde daarbij de reis te hebben gemaakt op één dag tijd. Ook deze bewering klinkt zeer onwaarschijnlijk gezien de situatie in Soedan. Derhalve kan voor u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 worden vastgesteld.”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Wat betreft de ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Conventie van Genève Verzoeker werd op een ochtend uit bed gehaald door regeringstroepen of rebellen. Verzoeker is christen en werkte als boer in Okaru. De overheid wil het land islamiseren, terwijl de rebellen autonomie willen. Het is derhalve niet denkbeeldig dat de inval dd 08/10/2002 werd uitgevoerd door regeringstroepen met het oog op het oppakken of zelfs uitroeien van christenen. De vrees die verzoeker heeft om vervolgd te worden is dan ook reël. Derhalve is een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève aanwezig en dient verzoeker als vluchteling erkend te worden overeenkomstig de Conventie van Genève en de artikelen 48 e.v. van de Vreemdelingenwet.”; 2.1.
  4. Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van artikel 1, A, 2), van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) inroept, dat dient te worden herhaald dat artikel 1, A, 2), van de Vluchtelingenconventie geen directe werking heeft en dat de schending ervan derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Wat betreft de schending van de regelen van behoorlijk bestuur XIV-14.113-3/6 Verzoeker wenst een aantal bemerkingen te maken bij de beslissing van het commissariaat- generaal. Vooreerst is er in de beslissing dd 07/02/2003 een typfout, daar de inval in het dorp van verzoeker plaatsvond op 08/10/2002 en niet op 08/11/
  6. Vervolgens wenst verzoeker op te merken dat hij niet weet of de inval werd uitgevoerd door rebellen of regeringstroepen. Verzoeker is ook heel formeel dat zijn dorp Okaru in West-Equatoria dient gesitueerd te worden en niet in Oost-Equatoria, zoals zou moeten blijken uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt. Op de vraag van het commissariaat-generaal om de omliggende dorpen van Okaru te noemen, noemde verzoeker op correcte wijze Magwi, doch noemde hij ook Bonoza (het dorp waar de pastoor woonde). Het commissariaat-generaal bevestigt de Agoro in dezelfde regio ligt, doch ook alle andere dorpen door verzoeker genoemd liggen in Equatoria. Alle dorpen die verzoeker genoemd heeft liggen in Equatoria rond Okaru, zodat verzoeker op correcte wijze de vraag van het commissariaat-generaal beantwoord heeft. Het is helemaal niet eigenaardig dat verzoeker niet weet wat ‘Popular Defence Force’ is, gelet op het feit dat in de streek van verzoeker ‘oblom’ gesproken wordt. Verzoeker zal PDF wel kennen in zijn eigen taal. Wanneer de vraag in de eigen taal van verzoeker zou gesteld geweest zijn met vertaling van PDF, dan had verzoeker een afdoend antwoordt kunnen geven. Verzoeker heeft in zijn dorp Okaru trouwens geen televisie of radio en verneemt derhalve het nieuws via-via in zijn eigen taal. Tenslotte weet verzoeker niet of rebellen of regeringstroepen ten huize van verzoeker kwamen om hem te rekruteren. Trouwens uit de informatie waarover het commissariaat- generaal beschikt blijkt dat er uitzonderlijk wel gerekruteerd wordt door regeringstroepen in Zuidelijke deelstaten. Op het ogenblik dat men verzoeker kwam halen voor de legerdienst was deze ziek, zodat het logische gevolg is dat hij niet meegenomen kon worden. De vlucht werd geheel door dhr. C. geregeld. Verzoeker had geen identiteitskaart, daar hij als boer werkte, nooit reisde en steeds in zijn dorp verbleef. Het is dan ook betreurenswaardig te moeten vaststellen dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen stelt dat er geen ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Een dergelijke beslissing gaat tegen alle redelijkheid in en schaadt het vertrouwen omtrent een goede besluitvorming. Tevens is het commissariaat-generaal onzorgvuldig te werk gegaan, daar het de zaak en het verhaal van verzoeker nauwgezet en zorgvuldig diende te onderzoeken. Het commissariaat-generaal dient van de reële situatie ter plaatse op de hoogte te zijn. Verzoeker mag niet de dupe zijn van een gebrekkig onderzoek in hoofde van het commissariaat-generaal. Het commissariaat-generaal diende zich voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen, hetgeen veronderstelt dat het commissariaat-generaal op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt. Een schending op het redelijkheids- vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve bewezen.”; 2.2.
  7. Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel enkel betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat in casu de commissaris-generaal blijk heeft gegeven van zorgvuldig handelen door herhaaldelijk te verwijzen naar de in het administratief dossier gevoegde objectieve informatie en naar de concrete elementen waarop hij zich steunt; dat de verwijzing door de verzoekende partij naar een materiële vergissing in de weergave van de datum van een inval in haar dorp niet dienend is, nu de eventuele onjuistheid van die datum geen motief van de bestreden beslissing vormt; dat met betrekking tot haar onwetendheid over “Popular Defence Force” dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partij zelf op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat zij de Engelse taal machtig is, zodat het argument dat in haar streek enkel het Oblom wordt gesproken niet overtuigend is; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont hoe de zorgvuldigheidsverplichting werd geschonden met de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij buiten het voorgaande XIV-14.113-4/6 niet uiteenzet op welke wijze de overige in het middel uiteengezette beginselen geschonden zouden zijn; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1 Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 5 van het EVRM De beslissing van het commissariaat-generaal doet afbreuk aan de artikelen 2 en 5 van het EVRM die het recht op leven en het recht op vrijheid en veiligheid waarborgen. Door verzoeker terug naar Soedan te sturen brengt het commissariaat-generaal het leven, de vrijheid en de veiligheid van verzoeker in het gedrang. Op 08/10/2002 vielen regeringstroepen of rebellen het dorp binnen van verzoeker met het oog hem te laten vechten in de oorlog of hem op te pakken wegens zijn christelijk geloof, zodat zijn leven, vrijheid en veiligheid in het gevaar zijn. De beslissing van het commissariaat-generaal doet derhalve afbreuk aan de artikelen 2 en 5 van het EVRM.”; 2.3.
  8. Overwegende dat uit de bespreking van de overige middelen blijkt dat de verzoekende partij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusie van de commissaris- generaal dat haar asielaanvraag bedrieglijk is, onwettig is; dat de verzoekende partij in het huidige middel met de loutere stelling dat haar leven in Soedan in gevaar zou zijn, derhalve niet aantoont dat de commissaris-generaal de ingeroepen verdragsbepalingen heeft geschonden; dat het derde middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. XIV-14.113-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.113-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.