id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.290 Rolnummer: A. 106991/XIV-5351 Zaak: Arrest 138290 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-04 16:04 Fiche Arrest nr 138.290 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.290 van 9 december 2004 in de zaak A. 106.991/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue du Général Bertrand
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 5 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 juni 2001; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 mei 2004; XIV-5351-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. VERLEYEN, die loco advocaat V. PUZAJ verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur Ch. LECHAT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 5 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 13 december 1999; dat op 5 maart 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 20 juni 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 23 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, mr. Verschaeve loco mr. Puzaj. Volgens de verklaringen van betrokkene, een Georgisch staatsburger van Armeense origine, zou zij in 1981 te Tbilisi (Georgië) gehuwd zijn met XXX, van Armeense origine, met wij zij twee kinderen zou hebben. In september 1998 zou betrokkenes zoon zijn geduwd omwille van zijn Armeense origine. Betrokkenes zoon zou hierbij enkele breuken hebben opgelopen. Toen betrokkene dit zou aangeklaagd hebben bij de politie zou men haar weggestuurd hebben en beledigd hebben omwille van haar origine. Betrokken zou omwille van haar origine geen medisch attest mbt haar zoon verkregen hebben van het hospitaal. Op 22 november 1999 zou betrokkenes winkel zijn geplunderd en in brand zijn gestoken door politieagenten. Op 27 november 1999 zouden vijf politieagenten, zonder bevel daartoe, een huiszoeking verricht hebben bij betrokkene. Betrokkenes man zou zijn beschuldigd van verboden wapenbezit en zou zijn geslagen. Betrokkene zou zijn verkracht door twee politieagenten. Betrokkenes man zou zijn meegenomen door de politieagenten. Sedertdien zou betrokkene geen nieuws meer van haar man vernomen hebben. Op 3 december 1999 zou betrokkene samen met haar twee minderjarige kinderen Georgië verlaten hebben. Op 5 december 1999 zouden ze in België zijn aangekomen waar betrokkene op 13 december 1999 haar asielprocedure startte. Betrokkene is in het bezit van copies van haar intern Sovjet-Unie paspoort en van haar diploma. Uit betrokkenes verklaringen blijkt (CGVS, p 3-6, DVZ, pt. 42) dat zij en haar gezin in Georgië problemen ondervonden omwille van hun Armeense origine. Ook stelde betrokkene dat men in Georgië alle etnisch Armenen buiten wil. Deze verklaringen zijn echter volledig in strijd met informatie beschikbaar op het CGVS waaruit blijkt dat er in Georgië geen sprake is van een etnische afkomst gerelateerde problemen van de Armeense bevolkingsgroep (bronnen: Ministerie van Binnenlandse Zaken Nederland, Situatie in Georgië, 25 mei 2000, p. 55: Rapport final de la mission d’évaluation de la délégation belge en Georgië, 4 au 15 octobre 1999, p. 39-43). Bijkomend kan volgende tegenstrijdigheid in vergelijking met haar eerdere verklaringen bij de DVZ worden aangehaald. Zo stelde betrokkene bij de DVZ (pt. 42), dat, sinds zij begonnen was met haar eigen winkel in november 1999 en nog voor deze werd in brand gestoken, zij regelmatig politiebezoeken kreeg in haar winkel en dat de politieagenten telkens wat ze maar wilden meenamen uit haar winkel. Voor het CGVS (p. 5) verklaarde betrokkene daarentegen dat de plundering en brandstichting van haar winkel op 22 november 1999 door XIV-5351-2/9 politieagenten het eerste incident was ivm haar winkel en dat het de eerste keer was dat er politieagenten in haar winkel binnenkwamen. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er geen waarde meer kan worden gehecht aan betrokkenes asielrelaas. De door betrokkene neergelegde documenten wijzigen niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet aangezien de copies van haar intern Sovjet-Unie paspoort en haar diploma geen informatie bevatten over de vervolgingen die betrokkene beweerd te hebben ondergaan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 5 maart
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van artikel 26 van het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966, van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), van artikel 4 van het protocol Nr. 4 van 16 november 1963 en van artikel 1 van het protocol nr. 12 van 4 november 2000 bij het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij betoogt dat een asielonderzoek een individuele basis moet hebben en op een volledig dossier moet berusten, dat de Belgische autoriteiten geen collectieve uitwijzingen kunnen doorvoeren zonder de voormelde internationale bepalingen te schenden, dat de commissaris-generaal systematisch beslist om asielzoekers van de voormalige Oostbloklanden niet te horen of zich louter beperkt tot stijlformules bij weigeringsbeslissingen, dat hij hiermede een ongeoorloofd onderscheid invoert tussen kandidaat-vluchtelingen naargelang hun afkomst, en dat het aldus onmogelijk zou geworden zijn voor deze kandidaat-vluchtelingen om het vluchtelingenstatuut te verkrijgen, dat in concreto de Armeense origine van de verzoekende partij de voornaamste grond is voor haar vrees voor vervolging, dat zij bij een eventuele uitwijzing naar Georgië een apart “bijzonder goudblauw paspoort” zou krijgen, zoals het geval is in Kazachstan, dat zij verwijst naar een artikel verschenen in de krant “KARAVAN” op 27 oktober 2000 waarin verslag wordt uitgebracht over het bezoek van een gezant van de dienst Vreemdelingenzaken in Kazachstan en dat deze gezant enkel economische motieven aanhaalt die Kazachen zouden doen besluiten om massaal hun land te verlaten doch niets zegt over de problemen die de Russische minderheid ondervindt in Kazachstan, zodat zijn rapport allesbehalve volledig en onpartijdig is en dat de verzoekende partij twijfelt aan de onafhankelijkheid van de commissaris-generaal omdat hij kabinetschef is geweest van de minister van Binnenlandse Zaken; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: XIV-5351-3/9 “In zijn eerste middel beroept verzoeker zich op de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève en van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verzoekster voegt er nog aan toe dat de bestreden beslissing artikel 26 van de internationale overeenkomst van New York, artikel 4 van het aanvullend protocol nr 4 van 16 november 1963 en artikel 1 van het aanvullend protocol nr 12 van 4 november 2000 zou schenden. Wat betreft de beweerde schending van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie, van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede van de aanvullende protocollen, meent verweerder dat verzoeker dit onderdeel van het middel onvoldoende uitwerkt. Verzoeker beperkt zich tot het maken van algemene opmerkingen en het geven van een theoretische uiteenzetting, uit dewelke niet blijkt waarom de aangevochten beslissing de voornoemde verdragsartikelen zou hebben geschonden. Het volstaat niet om een aantal auteurs en arresten te citeren en te besluiten dat de bestreden beslissing voornoemde verdragsartikelen zou schenden. Overwegende dat onder het begrip ‘middel’ in de zin van artikel 2, par. 1, al. 2 de van het Regentbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Raad van State moet begrepen worden ‘een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden’ (eigen onderlijning) (zie onder meer arrest R.v.St. nr. 80.291 van 19 mei 1999). Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing duidelijk dat zij op individuele basis is genomen. De bestreden beslissing besluit tot de bedrieglijkheid van het asielrelaas van verzoekster omwille van de motieven erin uiteengezet. Voorts begrijpt verweerder geenszins waarom verzoekster zich beroept op een rapport over de toestand in Kazachstan. Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar de akkoorden die België sluit met bepaalde oostelijke landen, waaronder Georgië, om collectieve repatriëringen van afgewezen kandidaat-vluchtelingen uit die landen te organiseren, dat de politieke toestand in Kazachstan vergelijkbaar is met die van Georgië, dat zij verwijst naar rapporten van bepaalde Belgische NGO’s waarin het vluchtelingenbeleid wordt bekritiseerd of wordt getwijfeld aan de onafhankelijkheid van de commissaris-generaal, dat het georganiseerd dringend beroep voor het commissariaat- generaal illusoir zou geworden zijn en dat er geen effectief beroep meer voorhanden is en dat zij meent gediscrimineerd te zijn geweest door het feit dat de commissaris-generaal haar destijds geen vragenlijst heeft overhandigd, terwijl dit thans wel gebeurt voor andere asielzoekers; 2.1.
- Overwegende dat de in de bestreden beslissing weergegeven tegenstrijdigheden en de daaruit afgeleide bedrieglijkheid van de asielaanvraag noodzakelijkerwijze berusten op een individueel onderzoek van die aanvraag; dat de verzoekende partij geen enkele poging onderneemt om deze tegenstrijdigheden te weerleggen noch aangeeft welke aanvullende elementen zij in de kwestieuze vragenlijst had willen aanbrengen; dat voorts de bestreden beslissing geenszins verwijst naar een rapport dat een gezant van de Belgische autoriteiten zou hebben opgesteld over de vluchtmotieven van Kazachen, doch wel naar een “rapport final de la mission d’évaluation de la délégation belge en Géorgie”, waaruit blijkt dat er in Georgië geen sprake is van aan XIV-5351-4/9 etnische afkomst gerelateerde problemen van de Armeense bevolkingsgroep; dat de verzoekende partij daartegen geen enkele concrete kritiek formuleert, zodat haar beweringen daaromtrent niet dienend zijn; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal het discriminatieverbod of het verbod op collectieve uitwijzingen vooropgesteld in de in het eerste middel ingeroepen verdragsbepalingen zou hebben overtreden; Overwegende dat artikel 57/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingen) bepaalt dat de commissaris-generaal en zijn adjuncten geheel onafhankelijk zijn bij het nemen van hun beslissingen en het uitbrengen van hun adviezen, zodat de minister van Binnenlandse Zaken daaromtrent geen hiërarchisch gezag kan laten gelden; dat de verzoekende partij nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake zou zijn van partijdigheid; Overwegende dat het eerste middel derhalve ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (U.V.R.M.), van de artikelen 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie, van artikel 3 het E.V.R.M.,van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de rechten van verdediging; dat zij een theoretische uiteenzetting geeft over de inhoud van de artikelen 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie, over het feit dat een inbreuk op artikel 33.1 van de Vluchtelingenconventie ook een inbreuk op artikel 3 van het E.V.R.M. vormt en over de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat vervolging door privé- personen in aanmerking moet worden genomen wanneer de autoriteiten zulks dulden of er geen adequate bescherming tegen kunnen bieden, dat slechts tegenstrijdigheden die zo flagrant zijn dat geen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van de asielaanvrager tot verwerping van de asielaanvraag kunnen leiden, dat de goede trouw moet worden vermoed in hoofde van de asielaanvrager, die moet bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het statuut waarop hij aanspraak maakt, dat twijfel in het voordeel van de asielzoeker moet gelden, daar hij enkel met zijn eigen verklaringen de door hem aangehaalde feiten kan bewijzen en dat de bestreden beslissing niet aan het voorgaande voldoet, dat in casu de verzoekende partij de mogelijkheid werd ontzegd om de inhoud van de informatie waarvan sprake in de bestreden beslissing tegen te spreken, dat de tegenstrijdigheden over de regelmaat waarmee zij werd lastiggevallen en over het voorval van 22 november 1999 met betrekking tot haar winkel te wijten zijn aan een vertaalprobleem in hoofde van de tolk of de ondervrager, dat zij op het commissariaat- generaal heeft verklaard een klein winkel te hebben gehad, dat de politie haar geld en XIV-5351-5/9 koopwaar vroeg en op 22 november 1999 haar winkel had geplunderd en in brand gestoken, dat het Georgische paspoort en diploma van de verzoekende partij echt zijn, en bewijzen dat zij van Georgische nationaliteit doch van Armeense origine is en dat de commissaris-generaal niet zonder de motiveringsplicht te schenden en zonder een manifeste beoordelingsfout te maken haar asielaanvraag in de ontvankelijkheidsfase kon verwerpen; 2.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In haar tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 UVRM, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève, van artikel 3 EVRM en van de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet. Verweerder verwijst naar zijn antwoord op het eerste middel ivm de doctrinale uiteenzetting van verzoekster. Met betrekking tot de in concreto betwisting van de bevindingen vervat in de bestreden beslissing merkt verweerder vooreerst op dat hij niet verplicht is verzoekster tijdens het verhoor te confronteren met bepaalde feiten. Verweerder antwoordt dat het dringend beroep waarbinnen de bestreden beslissing zich situeert, een administratieve beroepsprocedure is, die volgens de wet werd toevertrouwd aan een onafhankelijke en gespecialiseerde administratieve instantie, en die aldus niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege, waar de waarborg van de hoorplicht en de rechten van de verdediging moeten worden gerespecteerd (arr. R.v.St. nr. 87.257 van 12 mei 2000). Verweerder was dus gerechtigd om de bestreden beslissing te nemen op grond van de stukken van het administratief dossier, zonder dat hij daarbij verzoekster diende te horen of haar diende te confronteren met bepaalde gegevens. De in de bestreden beslissing verduidelijkte tegenstrijdigheden blijken uit het administratief dossier. Verzoekster stelde bij het CGVS uitdrukkelijk dat het voorval van 22 november 1999 het eerste incident was mbt de winkel. Bovendien betreft de contradictie geen ‘point de détail’ maar een essentieel gegeven uit verzoeksters vluchtverhaal. Tot slot verduidelijkt verzoekster niet waarom de door haar overgemaakte documenten duidelijkheid zouden scheppen over het bestaan van een vervolging conform de voorwaarden gesteld door de Conventie van Genève. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord aan toevoegt dat de bestreden beslissing slechts op één enkele vermeende tegenstrijdigheid is gesteund, dat zij nooit heeft verklaard dat het voorval van 22 november 1999 het enige was in verband met haar winkel, doch dat de politie reeds voor die datum haar had lastig gevallen en afgeperst; dat de commissaris-generaal niet met kennis van zaken haar asielaanvraag kon verwerpen zonder haar te confronteren met bepaalde elementen uit zijn onderzoek, dat zij nooit heeft beweerd dat de documenten in haar bezit haar asielrelaas zouden staven doch wel dat ze voldoende bewijzen dat de vervolging niet denkbeeldig was, dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie toepasselijk is op alle vluchtelingen, met inbegrip van hen die als zodanig niet erkend zijn, dat zij verwijst naar verschillende kritieken van bepaalde Belgische NGO’s over de kwaliteit van de beslissingen van de commissaris-generaal, en dat zij voor het overige verwijst naar haar verweer in het inleidend verzoekschrift; dat de verzoekende partij voor het overige met een XIV-5351-6/9 schending van “(...) des droits de la défense, de bonne administration, d’équitable procédure et du contradictoire” eigenlijk een nieuw middel wil aanvoeren en dat zij daarbij in essentie de bovengenoemde kritieken over het asielbeleid en de werking van de asielinstanties herhaalt; 2.2.
- Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat aan de voornaamste doelstelling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan zodat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ondermeer een vergelijking inhoudt tussen de opeenvolgende verklaringen van de betrokkene; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet waarachtig zijn of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheid over het voorval van 22 november 1999 en de regelmaat waarmee de politie haar lastig viel tracht te minimaliseren of grotendeels toe te schrijven aan de omstandigheden waarin de verhoren op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal plaatsvonden en, in het bijzonder, aan de gebrekkige vertaling van haar verklaringen op het commissariaat-generaal; dat echter nergens blijkt dat zij in de loop van de procedure melding heeft gemaakt van enig vertaalprobleem; dat uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat zij heeft verklaard dat met betrekking tot de winkel het incident van 22 november 1999 het eerste was (verhoorverslag, p. 5) en dat zij geen antwoord kon geven op de vraag of er problemen XIV-5351-7/9 waren met de winkel vóór 22 november 1999; dat de vastgestelde tegenstrijdigheid wel degelijk verband houden met de essentie van haar asielrelaas; dat de commissaris-generaal gerechtigd is de verklaringen van de verzoekende partij te vergelijken met de objectieve informatie waarover hij beschikt en dat blijkens considerans 2.1.
- hierboven haar beweringen omtrent die informatie niet dienen zijn; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij die beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M. en dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanvoert; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de bestreden beslissing bedrieglijk is bevonden en dat haar grieven daartegen blijkens de bovenstaande bespreking ongegrond zijn; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; Overwegende, daargelaten de vraag of artikel 33 van de Vluchtelingenconventie van toepassing is op niet als dusdanig erkende vluchtelingen, dat de verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid in het land van herkomst effectief bedreigd worden en dat zij dit verzuim in de memorie van wederantwoord niet kan rechtzetten; dat haar asielrelaas bedrieglijk is bevonden zodat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar in het kader van haar asielaanvraag afgelegde verklaringen niet aannemelijk maakt dat omwille van één van de in voornoemd artikel 33 vermelde omstandigheden haar leven of vrijheid in gevaar zou komen; Overwegende dat de U.V.R.M. een beginselverklaring is die geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending van artikel 14 ervan niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke XIV-5351-8/9 procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert doch dat zij nalaat aan te tonen dat het van openbare orde is en dat zij het niet in het inleidend verzoekschrift kon aanvoeren; dat een dergelijk middel niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-5351-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.