← België

Arrest 138292 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.292 Rolnummer: A. 139875/XIV-16173 Zaak: Arrest 138292 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 16:05 Fiche Arrest nr 138.292 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.292 van 9 december 2004 in de zaak A. 139.875/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 januari 1965 en van Algerijnse nationaliteit, op 28 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 april 2003 tot weigering van regularisatie, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 juli 2003, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; XIV-16.173-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX heeft op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 20 februari 2003 is verzoeker, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord door de Commissie voor regularisatie. 1.
  5. Op 26 maart 2003 heeft de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Uit het advies van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend. De aanvrager brengt een fotokopie bij van een gedeelte van zijn paspoort. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2,4/, van de regularisatiewet. De aanvraag voldoet niet aan de formele vereiste van artikel 9,9/, van de regularisatiewet: betrokkene kan op het ogenblik van de aanvraag geen aanwezigheid in België die teruggaat tot zes jaar noch een relevant wettig verblijf doen gelden en kan ook geen schriftelijke verklaring bijbrengen waaruit blijkt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten. De aanvrager beweert sedert 1993 in België te verblijven. Ter staving van deze bewering brengt hij enkele verklaringen van kennissen bij, maar aan deze stukken kan geen bewijswaarde worden toegekend: de handtekening werd niet voor echt verklaard door de gemeente of de stukken zijn niet voorzien van een fotokopie van de identiteitskaart van de getuige (cf. het proces-verbaal van de Algemene Vergadering van 18 november 2000, 2). Evenmin toont hij een wettig verblijf aan. Uit de voorliggend dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt tot slot dat de aanvrager op 23 juni 1999 een bevel om het grondgebied te verlaten heeft gekregen. De Commissie merkt hierbij op dat de aanvrager nochtans bij zijn aanvraag verklaarde in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel te hebben gekregen om het grondgebied te verlaten. De aanvrager heeft derhalve gepoogd de Belgische autoriteiten te misleiden. Misleiding komt ook tot uiting in de voorlegging van een fotokopie van een getuigschrift van 24 januari 2000 van een niet nader omschreven “Taalschool”, die zich zou bevinden op het adres “Kattenberg 97, 2140 Antwerpen”. Dit stuk bevat de volgende vermelding: XIV-16.173-2/6 “Wij attesteren dat de boven genoemde persoon ingeschrijven is in de Nederlands cursus voor het jaar 1999-2000; De lessen gaan door van 01/10/99 Tot 30/06/00.” Het is ondertekend door een zekere El Arbi O. Gelet op de talloze orthografische fouten (de Commissie telt er zes) en de vaststelling dat het op dit stuk voorkomende telefoonnummer dat van Dr. Z. Elarbi is en niet van een of andere school, kan aan dit stuk niet alleen geen bewijswaarde worden verleend, maar houdt het ook een poging tot misleiding in. In de marge weze opgemerkt dat de aanvrager ter zitting op de vraag van de Commissie hoe het komt dat hij ondanks zijn voorgehouden langdurig verblijf niet de minste notie van het Nederlands heeft, antwoordt nooit de gelegenheid te hebben gehad om taallessen te volgen. Afgezien van de vaststelling dat de aanvraag niet voldoet aan de vereiste van voormeld artikel 9,9/ kan op basis van het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (vgl. R.v.St., X, nr. 80.435, 27 mei 1999; R.v.St., X, nr. 80.811, 9 juni 1999; ook: R.v.St., X, nr. 79.905, 26 april 1999) geen gunstig advies worden verleend. OM DEZE REDENEN verleent de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies inzake de regularisatieaanvraag van XXX. (...).”. 1.
  6. Op 23 april 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van dit advies. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  7. Op 3 juli 2003 werd aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  8. Overwegende dat de verwerende partij wat de eerste bestreden beslissing betreft in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt, omdat de beslissing tot weigering van regularisatie op 23 april 2003 per post werd verzonden naar het adres dat verzoeker als verblijfplaats had opgegeven; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker met de gewone post werd verstuurd op 23 april 2003; dat de verwerende partij hiervan geen bewijs aanbrengt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op 28 mei 2003 een schrijven heeft gericht aan de Burgemeester van de Stad Antwerpen met de vraag om de beslissing te betekenen “volgens de wettelijke voorschriften”, en dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten hierbij was gevoegd; dat zich in het administratief dossier een bericht van kennisgeving bevindt van 3 juli 2003, wat tevens de datum is waarop aan verzoeker het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis werd gebracht; dat de aangevoerde exceptie ongegrond is;
  9. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij aanvoert dat hij reeds van in 1993 in België verblijft; dat hij van elk jaar bewijzen voorlegt, met name doktersattesten en stortingsbewijzen; dat hij betoogt dat er voor de jaren 1993 en 1994 getuigenverklaringen voorliggen met vermelding XIV-16.173-3/6 van de identiteit en het adres van de getuigen; dat hij besluit dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd wat de overweging betreft dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen besloten plicht tot formele motivering inhoudt dat in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag moet zijn aangeduid waarop de bestreden beslissing steunt; dat de in deze bepalingen weergegeven uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de betrokkene, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissingen kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; Overwegende dat verzoeker in het middel uiteenzet dat hij meent wel voldoende bewijzen zoals vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, van een ononderbroken verblijf op het grondgebied van het Rijk te hebben voorgelegd; dat in het advies, dat de Minister van Binnenlandse Zaken onderschrijft en waarvan hij de overweging- en als de zijne overneemt, in dit verband wordt gesteld dat geen bewijswaarde kan worden toegekend aan de stukken die verzoeker ter staving voorlegt; dat de handtekening van de getuigen niet voor echt werd verklaard door de gemeente of dat de stukken niet voorzien zijn van een fotokopie van de identiteitskaart van de getuige; dat verzoeker in het middel stelt dat de identiteit van de getuigen “op eenvoudige wijze natrekbaar” is; dat echter wanneer een partij in een geding stukken neerlegt, zij er moet voor zorgen dat de bewijskracht ervan sluitend is; dat wanneer verzoeker documenten neerlegt, ondertekend door verschillende personen, waaruit het verblijf op het grondgebied van het Rijk van minstens zes jaar moet blijken, het aan verzoeker toekomt om er voor te zorgen dat de geloofwaardigheid van deze documenten wordt vergroot door een kopie bij te voegen van de identiteitskaart of van de verblijfstitel van de verschillende ondertekenaars; dat wanneer verzoeker dit niet doet, het tot de vrije appreciatiebevoegdheid van de Commissie behoort om de bewijswaarde van de stukken zoals zij door verzoeker worden neergelegd, te evalueren; dat de Commissie voor regularisatie, en in navolging de Minister van Binnenlandse Zaken, op een gemotiveerde wijze en in redelijkheid de bewijswaarde van de neergelegde stukken hebben geëvalueerd; dat het niet onredelijk is dat de Commissie en de Minister van Binnenlandse Zaken uit de getuigenverklaringen zoals voorgelegd, afleiden dat verzoeker geen aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar kan doen gelden, noch een relevant wettig verblijf, omdat aan de stukken geen bewijswaarde kan worden toegekend om de hierboven vermelde redenen; dat de eerste bestreden beslissing gesteund is op afdoende, pertinente en ter zake dienende motieven; XIV-16.173-4/6 Overwegende dat verzoeker voorbijgaat aan de overwegingen in het advies waarin gesteld wordt dat hij gepoogd heeft de Belgische autoriteiten te misleiden; dat het enig middel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker geen middelen aanvoert die zijn gericht tegen de tweede bestreden beslissing;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.173-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-16.173-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.