id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.293 Rolnummer: A. 126553/XIV-11634 Zaak: Arrest 138293 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 16:05 Fiche Arrest nr 138.293 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.293 van 9 december 2004 in de zaak A. 126.553/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. M. TEYMOURI, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 juni 1956 en van XXX nationaliteit, op 30 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 mei 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. M. TEYMOURI, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; XIV-11.634-1/8 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 27 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
- Op 5 april 2002 heeft de derde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Verzoeker diende een aanvraag in ten einde regularisatie van zijn verblijf te bekomen op grond van art. 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Identiteit Verzoeker kan zijn werkelijke identiteit niet aantonen; hij beschikt enkel over een fotokopie van een nationaal XXX identiteitsbewijs, een XXX rijbewijs en een immatriculatiekaart waarvan de foto werd verwijderd. Verblijf op 01 oktober 1999 Het daadwerkelijke verblijf van verzoeker op datum van 01 oktober 1999 kan blijken uit de stukken van het dossier. Art. 2, 4/ Verzoeker kwam in 1990 in België toe en bewijst niet volledig zijn continue aanwezigheid op het Belgisch grondgebied sedertdien. Voor de jaren 1992, 1994, 1995, 1996 en 1999 worden geen of onvoldoende stukken neergelegd. Verzoeker kan onvoldoende humanitaire redenen laten gelden om geregulariseerd te worden. Tevens toont hij onvoldoende duurzame bindingen in het Rijk te hebben ontwikkeld. OM DEZE REDENEN Brengt de derde kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag van verzoeker. (...)”. 1.
- Op 22 april 2002 heeft de Advocaat van verzoeker een schrijven gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken met bezwaren over het negatief advies van de Commissie voor regularisatie. 1.
- Op 7 mei 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt luidt: XIV-11.634-2/8 “(...) Ik heb het schrijven van uw raadsman van 22 april ll. inzake het ongunstig advies van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie in goede orde ontvangen. De 3e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te G., op 26 januari 2000 en dat het nummer 90002000260101012 draagt. Ik heb beslist dit ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie toch te moeten volgen. De door uw raadsman aangebrachte elementen zijn niet van aard om het ongunstig advies - waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan u in bijlage een kopie vindt - noch om de motivering ervan te wijzigen. V(er)olgens (kunnen) bijkomende opmerkingen (...) worden gemaakt n.a.v. het schrijven van uw raadsman: De bewijsstukken welke door uw raadsman op 22 april ll. nogmaals zijn overgemaakt, werden reeds door de Commissie voor Regularisatie onderzocht. Op basis van deze stukken diende de bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie vast te stellen dat u onvoldoende uw identiteit aantoont, en dat geen bewijs voorhanden is van een ononderbroken verblijf in België vanaf
- Ook zijn onvoldoende bewijzen voorhanden dat u duurzame sociale bindingen in België hebt ontwikkeld, en dat u humanitaire redenen kan laten gelden. Wat uw identiteit betreft stelt de bevoegde Kamer dat deze onvoldoende werd aangetoond. Uw raadsman verwijst in de brief van 22 april nog naar een bijlage 26 welke zich reeds in het dossier, gehouden door de Commissie voor Regularisatie, bevond. Een bijlage 26 is evenwel geen identiteitsbewijs of bewijs van nationaliteit, en bovendien werden uw identiteitsgegevens op deze bijlage 26 ingevuld enkel en alleen op basis van uw eigen verklaringen (“de persoon die verklaart te heten”, “binnengekomen ... zonder enig identiteitsdocument”). Dit document kan dan ook geen bewijs vormen van uw identiteit. Uw raadsman stelt dat u een attest zou kunnen bekomen van uw identiteit bij de XXX ambassade te Brussel. Noch een dergelijk attest, noch het bewijs dat u dit attest hebt opgevraagd, liggen evenwel voor. Wat uw verblijf in België betreft, brengt het schrijven van uw raadsman geen nieuwe elementen aan. Er wordt verwezen naar het gegeven dat u ambtshalve werd afgeschreven op 1 juni 1993 door de Stad G. omdat u zich niet meer had aangeboden (uit schrik(t) te worden gerepatrieerd), en dat dit nog een bewijs zou vormen tot en met juni
- Het is evenwel duidelijk dat gezien u ambtshalve werd afgeschreven op 1 juni 1993, dit gebaseerd werd op de vaststelling van uw afwezigheid reeds vóór deze datum, en een laatste tastbaar bewijs van uw aanwezigheid op basis van het Vreemdelingenregister is de aflevering van een Attest van Immatriculatie op 30 april 1991, geldig tot 21 mei
- Na deze datum (30 april 1991) ligt voor een lange periode geen bewijs voor. Enkele getuigenissen liggen voor, maar deze vormen een onvoldoende objectief bewijs voor uw aanwezigheid vanaf
- (...).”;
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoeker aanvoert dat het advies dat de Minister als het zijne overneemt, tegenstrijdigheden bevat in die zin dat wordt gesteld dat het verblijf van verzoeker op het grondgebied van het Rijk op 1 oktober 1999 blijkt uit de stukken van het dossier, terwijl eveneens wordt gesteld dat verzoeker reeds in 1990 in België toekwam en dat er voor de jaren 1992, 1994, 1995, 1996 en 1999 geen of onvoldoende stukken worden neergelegd; dat verzoeker hieraan toevoegt dat hij sinds 1993 illegaal in het Rijk verbleef en dat het in die omstandigheden moeilijk is om bewijzen aan te brengen waaruit de continuïteit van zijn verblijf met zekerheid blijkt; dat verzoeker toelicht dat hij in 1993 ambtshalve werd afgeschreven uit de bevolkingsregisters, en dat dit een bewijs levert van zijn verblijf daaraan voorafgaand, nl. van 1990 tot 1993; dat verzoeker betoogt dat hij als bewijsstukken enkel verklaringen kan XIV-11.634-3/8 voorleggen van mensen met wie hij contact heeft gehad, omdat hij als illegaal geen recht had op maatschappelijke dienstverlening, een inschrijving in een school of een inschrijving als werkzoekende; dat hij van mening is dat de verwerende partij de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden door haar beslissing op een verkeerd gemotiveerd advies te baseren; dat verzoeker, gezien zijn langdurig verblijf in België en gezien zijn leeftijd, meent dat er voldoende humanitaire redenen aanwezig zijn om geregulariseerd te worden; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het haar onduidelijk is welke tegenstrijdigheid vervat zou zitten in de motivering van de beslissing en van het advies; dat de Raad van State niet bevoegd is om de regularisatieaanvraag van verzoeker aan een nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen, maar enkel kan nagaan of de verwerende partij geen kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan de relevante wettelijke bepalingen; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hierop niet repliceert; 2.1.
- Overwegende dat uit de samenlezing van artikel 2, 4/, en artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd wanneer blijkt dat de aanvrager aan deze voorwaarde niet voldoet; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het daadwerkelijk verblijf van verzoeker op 1 oktober 1999 kan blijken uit de stukken van het dossier, maar dat verzoeker geen of onvoldoende stukken kan voorleggen die een continue aanwezigheid in het Rijk aantonen, met name voor de jaren 1992, 1994, 1995, 1996 en 1999; dat verzoeker verwijst naar stukken die hij heeft ingediend bij de Commissie voor regularisatie; dat uit nazicht van deze stukken blijkt dat het gaat om verklaringen van 1999 en 2000 van winkeliers, vrienden en kennissen, die meedelen dat ze verzoeker reeds gedurende enkele jaren kennen; dat bij deze verklaringen slechts één kopie van de identiteitskaart van een getuige wordt gevoegd; dat zich bij deze stukken, behalve het bewijs van de ambtshalve afschrijving van verzoeker op 1 juni 1993 door de stad G., geen stuk van een officiële of erkende instantie bevindt; dat het niet getuigt van onredelijkheid of onzorgvuldigheid dat de Commissie en de bevoegde Minister hebben geoordeeld dat er onvoldoende stukken werden voorgelegd om een continue aanwezigheid te bewijzen van meer dan zes jaar voorafgaand aan 1 oktober 1999; dat het geen tegenstrijdigheid uitmaakt dat enerzijds wordt aanvaard dat verzoeker het bewijs voorlegt dat hij aanwezig was op het grondgebied van het Rijk op 1 oktober 1999 en dat anderzijds wordt geoordeeld dat hij onvoldoende gegevens voorlegt als bewijs van zijn onafgebroken verblijf in het Rijk onder andere in het jaar 1999; dat de uitspraak over zijn aanwezigheid op een bepaald ogenblik, met name op 1 oktober 1999, niet inhoudt dat hiermee zijn aanwezigheid XIV-11.634-4/8 gedurende een langere periode, met name van 1 januari 1999 tot 1 oktober 1999, is bewezen, en evenmin dat zijn aanwezigheid is bewezen van meer dan zes jaar vóór 1 oktober 1999; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissie, en in navolging de Minister, op onzorgvuldige wijze tot hun conclusie zijn gekomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en “het recht op een eerlijke behandeling van zijn dossier”; dat verzoeker uiteenzet dat zijn Advocaat naar aanleiding van het negatieve advies van de Commissie voor regularisatie, op 22 april 2002 een schrijven vergezeld van bijkomende stukken, heeft gericht aan de verwerende partij, dat de verwerende partij hierop het dossier opnieuw heeft overgemaakt aan de Commissie voor regularisatie, en dat verzoeker niet opnieuw werd uitgenodigd door de Commissie maar dat deze hetzelfde advies heeft uitgebracht zonder een bijkomend onderzoek te voeren; dat verzoeker betoogt dat de verwerende partij een beslissing heeft genomen op basis van dit ongewijzigde advies; dat hij vervolgt dat nog vóór de betekening van deze beslissing, zijn Advocaat op 22 mei 2002 opnieuw een schrijven heeft gericht aan de verwerende partij, vergezeld van bijkomende stukken inzake de identiteit van verzoeker; dat hij aanvoert dat met deze laatste bijkomende stukken geen rekening werd gehouden; dat hij stelt dat zijn regularisatieaanvraag bijgevolg niet op een behoorlijke manier werd onderzocht en dat hij niet meer de kans heeft gekregen om zich te verdedigen aangaande de bijkomende stukken en grieven; dat hij uiteenzet dat naar aanleiding van het eerste schrijven van zijn Advocaat, zijn dossier diende te worden overgemaakt aan de Commissie voor regularisatie voor verder onderzoek; dat verzoeker stelt dat het bewijs van zijn identiteit, gevoegd bij het tweede schrijven, niet werd overgemaakt aan de bevoegde instantie, en dat hij niet het slachtoffer mag worden van fouten in de communicatie tussen de Minister en de Commissie voor regularisatie; dat verzoeker besluit dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd, en dat hierdoor de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijke behandeling van zijn dossier zijn geschonden; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat verzoeker blijk geeft kennis te hebben van de motieven van de bestreden beslissing en dat het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt; dat tevens wordt opgemerkt dat het schrijven van verzoeker van 22 mei 2002 dateert van na de bestreden beslissing die werd genomen op 7 mei 2002; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hierop niet repliceert; XIV-11.634-5/8 2.2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.2.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de Advocaat van verzoeker in het schrijven van 22 april 2002, naar aanleiding van het ongunstig advies van de Commissie voor regularisatie, stukken toevoegt aan het dossier van verzoeker en aan de bevoegde Minister vraagt om geen rekening te houden met het advies, of minstens de mogelijkheid te krijgen om opnieuw te worden gehoord door de Commissie; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Minister het dossier niet opnieuw heeft doorgezonden naar de Commissie, zoals verzoeker beweert in het middel, maar wel in de bestreden beslissing op omstandige wijze heeft geantwoord op dit schrijven; dat de Regularisatiewet geen bepaling bevat die de Minister van Binnenlandse Zaken verplicht om de zaak opnieuw aanhangig te maken bij de Commissie voor regularisatie als de vreemdeling daarom verzoekt, evenmin als een bepaling die een tweede verhoor door de Commissie voorziet; dat de Minister in zijn beslissing vermeldt dat de ingediende stukken documenten betreffen die de Commissie reeds in haar bezit had vóór het uitbrengen van haar advies en dat zij met deze stukken rekening heeft gehouden, en dat betreffende de identiteit van verzoeker in het schrijven van 22 april 2002 wordt verwezen naar een nog te bekomen attest, maar dat geen bewijs voorligt dat dit attest werd aangevraagd; dat uit nazicht van het administratief dossier blijkt dat de stukken gevoegd bij het schrijven van 22 april 2002 reeds van bij de regularisatieaanvraag aan de Commissie bekend waren, behalve het nieuwe uittreksel uit het vreemdelingenregister (dat meer informatie bevat over het jaar 1991 maar voor het overige identiek is aan het uittreksel dd. 25 januari 2000) en het bewijs van inschrijving als werkzoekende afgeleverd door de V.D.A.B. op 26 november 2001; dat de Minister betreffende deze stukken overweegt dat zij geen nieuwe elementen aanbrengen, dat het uittreksel uit het bevolkingsregister een bewijs is van de aanwezigheid van verzoeker in het Rijk op 30 april 1991, en dat de getuigenissen een onvoldoende objectief bewijs vormen voor zijn aanwezigheid vanaf 1990; Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van artikel 2, 4/, en 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied van het Rijk verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs moet leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden XIV-11.634-6/8 voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen voorhanden zijn voor de regularisatie; dat bovendien uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 blijkt dat de aanwezigheid op het grondgebied van het Rijk gedurende meer dan zes jaar of meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen, vereist door voornoemd artikel 9, 9/, naast de voorwaarde van verblijf op het Belgische grondgebied op 1 oktober 1999, een conditio sine qua non vormen opdat de aanvraag zou kunnen worden behandeld op basis van het vierde criterium; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker geen bewijs kon leveren van zijn ononderbroken verblijf op het Belgisch grondgebied, omdat voor de jaren 1992, 1994, 1995, 1996 en 1999 geen of onvoldoende stukken werden voorgelegd; dat de Commissie voor regularisatie en in navolging hiervan de Minister van Binnenlandse Zaken, derhalve wettig konden beslissen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat dit volstaat om de regularisatieaanvraag op grond van de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet af te wijzen; dat gegevens over de identiteit van verzoeker hieraan geen afbreuk kunnen doen; dat de bestreden beslissing dateert van 7 mei 2002 en dat bijgevolg met het schrijven van de Advocaat van verzoeker van 22 mei 2002 geen rekening kon worden gehouden; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.634-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.634-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.