← België

Arrest 138294 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.294 Rolnummer: A. 148092/XIV-18766 Zaak: Arrest 138294 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 16:05 Fiche Arrest nr 138.294 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.294 van 9 december 2004 in de zaak A. 148.092/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Bart KEUSTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Bampslaan 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 juli 1972 en van XXX nationaliteit, op 26 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2003 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 27 januari 2004, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 27 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-18.766-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. BREPOELS, die loco Advocaat B. KEUSTERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak: 1.
  3. XXX heeft op 19 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 21 augustus 2000 verleent het Onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie een negatief advies inzake deze aanvraag, omdat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is. Na de kennisgeving van dit advies beschikt verzoeker over een termijn van drie werkdagen om zijn standpunt kenbaar te maken. 1.
  5. Op 28 september 2000 richt de Advocaat van verzoeker een schrijven aan de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij zijn standpunt over dit advies uiteenzet en waarin hij tevens vraagt om de uitbreiding van de aanvraag tot artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet. De Minister van Binnenlandse Zaken maakt de aanvraag aanhangig bij de Commissie voor regularisatie. 1.
  6. Op 21 november 2002 is verzoeker, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord door de Commissie voor regularisatie. Ter zitting worden bijkomende stukken neergelegd en wordt de vraag herhaald tot uitbreiding van de aanvraag naar artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet. De zaak wordt terug naar de rol gestuurd en de aanvrager zal opnieuw opgeroepen worden. 1.
  7. Op 20 februari 2003 is verzoeker opnieuw gehoord door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat. 1.
  8. Op 2 juli 2003 heeft de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) XIV-18.766-2/6 Deze zaak werd opgeroepen voor een zitting van de Commissie van 21 november 2002 en alsdan naar de rol teruggestuurd. Gelet op de gewijzigde samenstelling van de Commissie wordt de zaak in zijn geheel hernomen. Uit het advies van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend en dat de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld aan de hand van zijn paspoort. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2,4/ van de regularisatiewet. Op 21 augustus 2000 verleende het secretariaat van de Commissie een negatief advies, stellende dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is. Bij aangetekende brief van advocaat B. Keusters, ter post afgegeven op 28 september 2000, wordt dit advies betwist en wordt een uitbreiding gevraagd naar een toepassing van artikel 2,3/, van de regularisatiewet. Luidens artikel 9,1/, van de regularisatiewet moet het bij de aanvraag gevoegde dossier omvatten: een bewijsstuk waaruit blijkt dat de aanvrager bekend is hetzij bij een bestuur of een openbare dienst, zoals de Dienst Vreemdelingenzaken, een politiedienst, een gemeentebestuur of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetzij bij een instelling, zoals een ziekenhuis of een school. Deze vereiste houdt vanzelfsprekend in dat de bekendheid bestaat vooraleer de aanvraag wordt ingediend. Ter zitting werpt de aanvrager tegen dat getuigschriften van geneesheren worden bijgebracht, waarin gesteld wordt dat de aanvrager op raadpleging kwam op tijdstippen gelegen vóór de aanvraag. De Commissie stelt evenwel vast dat een privé-persoon, het weze een geneesheer, niet kan worden aangezien als een bestuur, een openbare dienst of een instelling. Aan de mogelijkheid, verleend aan de aanvrager om een terzake dienstig bewijsstuk bij te brengen, werd door hem geen gunstig gevolg gegeven. De aanvrager voldoet niet aan de vereisten om te worden geregulariseerd. OM DEZE REDENEN verleent de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies inzake de regularisatieaan- vraag van XXX. (...).”. 1.
  9. Op 4 december 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij dit advies. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  10. Op 27 januari 2004 werd aan verzoeker het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, van dezelfde datum, ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  11. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van “het redelijkheidsbeginsel, inzonderheid de redelijke termijn waarbinnen een administratie- ve beslissing dient te worden genomen”; dat verzoeker toelicht dat er pas na een termijn van vier jaar werd besloten tot de weigering van verblijf; dat hij van mening is dat de beoordeling van de redelijkheid van de termijn in concreto dient te gebeuren; dat hij uiteenzet dat onder andere rekening moet worden gehouden met “het belang van een rechtzoekende bij een snelle beslissing”; dat hij besluit dat een beslissing inzake zijn regularisatieaanvraag levensnoodzake- lijk is om zekerheid te krijgen over zijn rechtstoestand; XIV-18.766-3/6 2.1.
  13. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de duur van de regularisatieprocedure grotendeels te wijten is aan het eigen toedoen van verzoeker; dat verzoeker aanvankelijk een onvolledig dossier indient; dat verzoeker vervolgens de uitbreiding vraagt van de aanvraag naar een ander criterium van de Regularisatiewet (ernstige ziekte) en in dit verband één medisch attest bijvoegt; dat verzoeker pas ter zitting bijkomende stukken (getuigenissen en medische attesten) neerlegt; dat dit een bijkomend onderzoek vergt waardoor verzoeker een tweede maal voor de Commissie dient te verschijnen, en dat hem bovendien de mogelijkheid wordt geboden om tegen de volgende zitting de nodige stukken over zijn bekendheid bij een bestuur of een openbare dienst in te dienen; dat hieruit volgt dat de duur van de procedure grotendeels te wijten is aan verzoeker zelf en aan de kansen die hem werden geboden om bijkomende stukken in te dienen; dat tenslotte verzoeker niet aantoont hoe zijn belangen zijn geschaad door de duur van de procedure; dat hij immers overeenkomstig artikel 14 van de Regularisatiewet niet van het grondgebied van het Rijk kon worden verwijderd zolang er geen beslissing werd genomen omtrent zijn regularisatieaanvraag; dat in het eerste middel verzoeker niet aanvoert dat de bestreden beslissingen onwettig zouden zijn; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin-genwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de motiveringsplicht; dat hij betoogt dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen melding maakt van een wettige basis waarop zijn beslissing steunt; dat verzoeker stelt dat hij hierdoor niet de kans krijgt om zich in rechte te verdedigen; dat hij aanvoert dat een loutere verwijzing naar het advies van de Commissie voor regularisatie niet kan worden beschouwd als een voldoende motivering in feite en in rechte; dat hij besluit dat hierdoor tevens de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing wordt verantwoord; 2.2.
  15. Overwegende dat het artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd, vermits dit artikel deel uitmaakt van de Vreemdelingenwet en bijgevolg niet toepasselijk is op de Regularisatiewet; dat dit onderdeel van het tweede middel onontvankelijk is; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen besloten plicht tot formele motivering inhoudt dat in de beslissingen zelf de feitelijke en juridische grondslag moet zijn aangeduid waarop de bestreden beslissingen steunen; dat de in deze bepalingen weergegeven uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de betrokkene, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat deze doelstelling niet alleen wordt bereikt door de in artikel 3 van XIV-18.766-4/6 voornoemde wet van 29 juli 1991 voorgeschreven motivering “in de akte” maar ook door verwijzing naar adviezen waarvan de inhoud aan de betrokkene bekend is of ter kennis is gebracht, op voorwaarde dat deze adviezen zelf afdoende gemotiveerd zijn; dat dit in casu het geval is, vermits uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist het ongunstig advies van de Commissie voor regularisatie met betrekking tot de regularisatieaanvraag van verzoeker te volgen; dat hij de overwegingen van dit advies onderschrijft en als de zijne overneemt, wat volstaat als motivering; Overwegende dat verzoeker niet verduidelijkt op welk punt de motivering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de eerste bestreden beslissing werd genomen, derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de motiveringsplicht; dat bijgevolg ook de tweede bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd, vermits zij naast een eigen motivering een duidelijke en expliciete verwijzing inhoudt naar de eerste bestreden beslissing; dat het tweede middel ongegrond is;
  16. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-18.766-5/6 BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-18.766-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.