id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.295 Rolnummer: A. 136821/XIV-15167 Zaak: Arrest 138295 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 16:06 Fiche Arrest nr 138.295 van 9 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.295 van 9 december 2004 in de zaak A. 136.821/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE-ANTWERPEN, Sint Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1971 en van XXX nationaliteit, op 16 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2003 tot weigering van regularisatie en van de bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken van 16 april 2003 en van 6 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-15.167-1/6 Gelet op de persoonlijke verschijning van verzoeker; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2,4/. 1.
- Op 6 oktober 2000 stelt het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, en zendt de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Bij schrijven van 17 oktober 2000 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van dit negatief advies, beschikt om zijn standpunt uiteen te zetten aan de bevoegde Minister. 1.
- Op 23 oktober 2000 richt de raadsman van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Verzoeker wordt op 14 november 2002 door de Commissie voor regularisatie, bijgestaan door een raadsman, gehoord. 1.
- De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 9 januari 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “Gelet op de aanvraag tot regularisatie op grond van humanitaire reden(en) en duurzame sociale bindingen (art. 2,4/ van de wet van 22 december 1999). Gelet op de nota van het onderzoekssecretariaat dd. 6 oktober
- Verzoeker verschijnt in persoon, bijgestaan door zijn raadsman op de zitting van 14 november 2002 en legt bijkomende stukken neer. XIV-15.167-2/6 Uit deze stukken kan niet met zekerheid worden afgeleid dat verzoeker op Belgisch grondgebied verbleef op 01 oktober
- Wat betreft art. 2,4 De minimum periode van continue aanwezigheid op Belgisch grondgebied werd niet aangetoond. De bewijzen, waaruit onbetwistbaar zou moeten kunnen worden afgeleid dat verzoeker sedert 1993 onafgebroken in België verblijft, zijn te weinig in aantal, te disparaat en niet objectief natrekbaar. In zodanig geval moeten “de humanitaire redenen en sociale bindingen” die in elk geval moeten aanwezig zijn krachtens art. 9 van de wet van 22 december 1999, des te meer doorwegen. Verzoeker toont onvoldoende humanitaire redenen aan of (en evenmin) dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land: Uit de voorgelegde stukken en het onderhoud ter zitting blijkt dat verzoeker: - onvoldoende lang in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet “relevant” is in de zin van art. 9,9/ van de wet van 22 december 1999; - geen Nederlands spreekt; - geen lessen Nederlands volgt; - sinds oktober 2000 af en toe tewerkgesteld is bij de firma V. te D.; - geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont; - zijn ouders en vier broers nog steeds in XXX verblijven. Integratie bestaat uit een oriëntering op de Belgische samenleving op diverse vlakken. Op basis van de vastgestelde feitelijke elementen heeft de commissie geconstateerd dat er bij betrokkene geen of alleszins onvoldoende integratie aanwezig is. Dat verzoeker duidelijk nog zeer sterke bindingen (vooral familiale) heeft met zijn land van herkomst. Overwegende dat verzoeker onvoldoende aantoont dat hij alhier noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren. De commissie kan geen enkel argument van sociale integratie ontdekken, de tewerkstelling daargelaten. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen, de aanvraag niet tot een gunstig advies kan leiden.”. 1.
- Op 10 februari 2003 heeft de raadsman van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 25 februari 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie van verzoeker verworpen door zich aan te sluiten bij de overweging- en van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Op 16 april 2003 werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
- Op 6 mei 2003 werd andermaal aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de derde bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), (eerste onderdeel), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, (tweede onderdeel), van artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), (derde onderdeel); dat XIV-15.167-3/6 verzoeker bovendien de schending aanvoert van de rechten van verdediging en van “het principe van de fair-play in bestuurshandelingen” (vierde onderdeel); Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is, omdat artikel 62 van de Vreemdelingenwet geen betrekking heeft op de Regularisatiewet, maar enkel op de Vreemdelingenwet; dat het tweede onderdeel evenmin ontvankelijk is omdat verzoeker dit onderdeel niet uitwerkt en niet betrekt op de eerste bestreden beslissing; dat verzoeker in dit verband enkel voorhoudt dat “de Minister kennis had of had moeten hebben van de argumenten ontwikkeld in de diverse brieven van de Advocaat van verzoeker en inzonderheid van de argumenten ontwikkeld in de brief van 10.2.2003.”; dat hij daaraan toevoegt dat “de Minister in zijn motivering de argumentatie moet beantwoorden (en dat) hij op geen enkel argument antwoordt.”; Overwegende dat verzoeker bijgevolg het tweede onderdeel niet concretiseert en niet aanduidt waarom en hoe het gebrek aan antwoord van de verwerende partij op de brief van 25 februari 2003 kan leiden tot de annulatie van de eerste bestreden beslissing; dat het derde en het vierde onderdeel evenmin ontvankelijk zijn, omdat zij niet verder werden uitgewerkt in de verzoekschriften; dat de exceptie van niet ontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen: 2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending “van artikel 2,4/ van de Regularisatiewet van 22 december 1999.”; Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat de eerste bestreden beslissing geen rekening houdt met de draagwijdte en de betekenis van de bijkomende stukken die hij neerlegt op 14 november 2002 ter zitting van de Nederlandstalige kamer van de Regularisatiecommissie; dat deze stukken tot doel hebben aan te tonen dat verzoeker sedert 1993 onafgebroken in België verblijft; dat de Regularisatiecommissie desbetreffend enkel overweegt dat “de bewijzen, waaruit onbetwistbaar zou moeten kunnen worden afgeleid dat verzoeker sedert 1993 onafgebroken in België verblijft te weinig in aantal, te disparaat en niet objectief natrekbaar zijn.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker ter zitting van de Regularisatiecommissie vijftien stukken neerlegt die voornoemd verblijf zouden moeten bewijzen; dat de Raad van State vaststelt dat noch de Commissie, noch de Minister zich hebben uitgesproken over de eventuele concrete bewijswaarde van deze stukken; dat voormelde considerans in het advies van de Regularisatiecommissie vaag en onduidelijk is en de Raad niet toelaat te toetsen of en in welke mate de bewijswaarde van de stukken in concreto werden geëvalueerd door de Commissie; dat het toekomt aan de Regularisatiecommissie en aan de bevoegde Minister om in concreto te oordelen over neergelegde stukken door een verzoeker, zodat kan worden uitgemaakt welke de bewijswaarde, de juridische relevantie, de XIV-15.167-4/6 betekenis en de draagwijdte is van stukken die aan het tegensprekelijk debat van de Regularisatiecommissie worden onderworpen; dat dit niet betekent dat de Commissie zich dient uit te spreken over de bewijswaarde van elk neergelegd stuk; dat dit wel betekent dat de bewijswaarde van de neergelegde stukken moet worden geëvalueerd en geapprecieerd door de stukken in te delen per categorie naargelang van hun betekenis en relevantie voor het eventueel bewijs van bepaalde feiten en gegevens met het oog op een correcte toepassing van artikel 9,9/, juncto artikel 2,4/, van de Regularisatiewet; dat bijgevolg voornoemd artikel 2,4/ werd geschonden, nu de eerste bestreden beslissing, de overwegingen van het advies van de Regularisatiecommissie onderschrijft en overneemt; dat de overweging van de Commissie dat verzoeker “onvoldoende lang in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet
- Overwegende dat nu het tweede middel in voornoemde mate gegrond is, de tweede en derde bestreden beslissing niet kunnen worden uitgevoerd, vermits zij geen steun vinden in de eerste bestreden beslissing; dat voornoemde bevelen door een materieel motiveringsgebrek zijn aangetast; dat het enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 2001 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen, in die mate gegrond is; dat er aanleiding is om voornoemde bevelen te vernietigen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2003 tot weigering van regularisatie en de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 16 april 2003 en van 6 mei
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-15.167-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-15.167-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.