← België

Arrest 138296 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.296 Rolnummer: A. 128480/XIV-12279 Zaak: Arrest 138296 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 16:06 Fiche Arrest nr 138.296 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.296 van 9 december 2004 in de zaak A. 128.480/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DURNEZ, kantoor houdende te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 augustus 1966 en van XXX nationaliteit, op 7 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-12.279-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. BOLLEN die, loco Advocaat J. DURNEZ, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker dient op 24 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2,2/ en 2,4/. 1.
  4. Verzoeker is door de Commissie op 12 februari 2002, bijgestaan door een Advocaat, gehoord. 1.
  5. De Commissie voor Regularisatie verleent op 26 februari 2002 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie d.d. 15 januari 2002 waarbij het dossier voor de aanvraag tot regularisatie ingediend door de verzoeker werd toegewezen aan deze kamer voor de zitting van 12 februari
  6. De regularisatie werd tijdig aangevraagd op grond van de onmogelijkheid tot terugkeer en op grond van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen (artikel 2.2/ en 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk). De verzoeker, die tijdig en behoorlijk werd opgeroepen, verscheen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, Mter. Sampermans, advocaat te Hasselt, en een tolk, Mw. Shak- ti Majumdar, die de bij de wet voorgeschreven eed heeft afgelegd, ter zitting van 12 februari
  7. De aanvrager kon ter zitting van 12 februari 2002 geen originele stukken m.b.t. identiteit en nationaliteit voorleggen (zie ook addendum bij aanvraag tot regularisatie). Volgens de bevestigende beslissing van weigering van verblijf d.d. 24 april 1995 is de aanvrager geboren te R., terwijl hij in de aanvraag tot regularisatie een andere geboorteplaats aangeeft (zie hoger). Gelet op het dossier van het secretariaat van de griffie en de stukken van de verzoeker. Uit deze stukken blijkt dat de verzoeker zijn verblijf op het Belgisch grondgebied op 1 oktober 1999 alleen door een doktersattest kan aantonen. Het dossier toont aan dat bij de aanvraag de daarin voorziene stukken werden bijgevoegd. Er wordt vastgesteld dat de verzoeker de laatste zes jaar niet onafgebroken in België verbleef. Dat hij aanvankelijk met moeite toegaf dat hij ook in Duitsland asiel had aang- evraagd. XIV-12.279-2/6 De aanvrager draagt geen voldoende elementen aan om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het voor hem onmogelijk is om, onafhankelijk van zijn wil, terug te keren naar de landen waar hij vóór zijn aankomst in België gewoonlijk verbleef, of naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Zijn familie woont en verblijft, volgens hem, nog in XXX. Hij verbleef lange tijd in Duitsland. Ook verbleef hij meer dan drie maanden in Rusland volgens de nota van het Onderzoekssecretariaat aan de Kamers (en in Tsjechië), landen die hij verliet zonder vrees in de zin van artikel 1,A

(2)van de Conventie van Genève. Hij kan een paspoort aanvragen doch bewijst niet dat hij dit gedaan heeft, hetzij rechtstreeks via de Ambassade, hetzij via familie. Hij haalt trouwens zelf aan dat hij probeert een kopij (?) ervan te bekomen (zie Addendum bij aanvraag tot regularisatie). Hij toont geen humanitaire redenen aan en evenmin dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Uit de voorgelegde stukken en de uitleg ter zitting blijkt dat de verzoeker: - niet langdurig in het Rijk verbleef en dat dit verblijf evenmin “relevant” is in de zin van artikel 9.9/ van de wet van 22 december 1999; - ook asiel heeft aangevraagd in Duitsland en aldaar verbleef in 1996 tot minstens 24 november 1998; dat niet kan worden uitgemaakt sedert wanneer hij naar België is terugge- keerd; - onvoldoende Nederlands spreekt, dit één jaar leerde doch niet slaagde; - wel deeltijdse arbeidsovereenkomsten voorlegt doch deze pas dateren van 1 oktober 2000, 2 oktober 2001 en 1 januari 2002; - van juli 1993 tot mei 1995 O.C.M.W.-steun genoot, zij het met enkele korte tussenperio- des(n) en in 1998 ambtshalve werd afgeschreven uit de bevolkingsregisters van de Stad Hasselt; - naar België kwam, maar hier geen familieleden heeft; zijn ouders, broers en zusters leven nog in XXX; - geen deel uitmaakt van enige vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zou aantonen. Overwegende dat de aanvrager niet beantwoordt aan de door de wet gestelde voorwaarden. De steunbetuigingen welke ter zitting werden neergelegd bewijzen evenmin dat de verzoeker deze condities vervult. De anders samengestelde Kamer, die zich op 10 oktober 2001 uitsprak, motiveerde zijn beslissing in dezelfde zin doch de besluitvorming (“beschikkend gedeelte”) was hiermede tegenstrijdig, hetgeen de Minister van Binnenlandse Zaken terecht opmerkte en het dossier terugstuurde. Overwegende dat nu de onmogelijkheid tot terugkeer noch de sociale bindingen en humanitaire redenen worden bewezen, de aanvraag op grond van artikel 2.2/ en 4/ van de wet van 22 december 1999 niet tot een gunstig advies aanleiding kan geven.” (...).”. 1.
  1. Op 4 september 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing. 2.
  2. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker in dit onderdeel in essentie aanvoert dat zijn familiaal leven in het gedrang komt, gelet op het feit dat hij een relatie zou hebben met een Belgische dame; Overwegende dat vooreerst deze relatie niet is bewezen en dat vervolgens het eventueel samenleven met een dame die de Belgische nationaliteit bezit, vreemd is aan de XIV-12.279-3/6 thans bestreden beslissing; dat deze omstandigheid niet kan leiden tot de nietigverklaring van deze beslissing; Overwegende dat in de mate verzoeker de schending aanvoert van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is, vermits dit artikel enkel betrekking heeft op de Vreemdelingenwet en niet op de Regularisatiewet; Overwegende dat het advies van de Regularisatiecommissie, waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken de overwegingen onderschrijft en tot de zijne maakt, steunt op de hierna genoemde pertinente, deugdelijke en afdoende motieven, die niet worden weerlegd door verzoeker: “Uit de voorgelegde stukken en de uitleg ter zitting (van de Regularisatiecommissie) blijkt dat de verzoeker: - niet langdurig in het Rijk verbleef en dat dit verblijf evenmin “relevant” is in de zin van artikel 9.9/ van de wet van 22 december 1999; - ook asiel heeft aangevraagd in Duitsland en aldaar verbleef in 1996 tot minstens 24 november 1998; dat niet kan worden uitgemaakt sedert wanneer hij naar België is teruggekeerd; - onvoldoende Nederlands spreekt, dit één jaar leerde doch niet slaagde; - wel deeltijdse arbeidsovereenkomsten voorlegt doch deze pas dateren van 1 oktober 2000, 2 oktober 2001 en 1 januari 2002; - van juli 1993 tot mei 1995 O.C.M.W.-steun genoot, zij het met enkele korte tussenperio- de(n)s en in 1998 ambtshalve werd afgeschreven uit de bevolkingsregisters van de Stad Hasselt; - naar België kwam, maar hier geen familieleden heeft; zijn ouders, broers en zusters leven nog in XXX; - geen deel uitmaakt van enige vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zou aantonen.”; Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 2.
  3. Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het eerste middel in essentie aanvoert dat de bestreden beslissing geen enkele considerans wijdt aan de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen die na het advies van de Regularisatiecommissie werden meegedeeld; Overwegende dat, daargelaten de vraag of de bevoegde Minister dient rekening te houden met bijkomende stukken die niet aan de Regularisatiecommissie werden meegedeeld en waarvan niet is aangetoond dat zij niet konden worden meegedeeld aan deze Commissie, uit het tweede onderdeel van het eerste middel niet blijkt met welke stukken de verwerende partij had moeten rekening houden en evenmin wordt verduidelijkt, hoe bepaalde stukken de weigeringsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken zouden kunnen doen ombuigen; XIV-12.279-4/6 Overwegende dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  4. Overwegende dat de Raad van State niet kan uitmaken, na een grondige analyse van het tweede middel, wat verzoeker precies bedoelt en welke schendingen van het recht in materiële zin hij aanvoert die zouden kunnen leiden tot de annulatie van de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoeker een verklaring en een foto neerlegt van een Belgische dame, waaruit zou moeten blijken dat “zij één jaar samen zijn”; dat het gaat om een schriftelijke niet gedateerde verklaring, met een kopie van de identiteitskaart van voornoemde dame en een foto waarop de dame en verzoeker voorkomen; dat verzoeker niet aanvoert dat hij trouwplannen heeft en dat niet is aangetoond dat hij effectief samenleeft met voornoemde dame; dat wat voorafgaat bovendien vreemd is aan de rechtsgrond van de regularisatieaan- vraag, zijnde de artikelen 2,2/, en 2,4/, van de Regularisatiewet; dat de bestreden beslissing tenslotte geen uitvoeringsmaatregel inhoudt; Overwegende dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  5. Overwegende dat verzoeker een derde middel aanvoert, afgeleid uit de schending van artikel 3 van het E.V.R.M; Overwegende dat verzoeker dit middel niet concretiseert en niet betrekt op de bestreden beslissing; dat bovendien de thans bestreden weigeringsbeslissing geen verwijderingsmaatregel noch “uitzetting” inhoudt, zodat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.279-5/6 BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-12.279-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.