← België

Arrest 138308 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.308 Rolnummer: A. 116914/VII-32890 Zaak: Arrest 138308 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 16:10 Fiche Arrest nr 138.308 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.308 van 9 december 2004 in de zaak A. 116.914/VII-32.890 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ------ DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 15 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 20 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-32.890-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 10 juli 2000 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 18 juli 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 31 januari 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19//05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Shkoder en hebt u de Albanese nationaliteit. U zou Albanië verlaten hebben omwille van de problemen van uw echtgenoot, XXX. Op 10 juli 2000 hebt u asiel aangevraagd in België. Er dient te worden opgemerkt dat u zich ter staving van uw asielaanvraag steunt op dezelfde motieven als uw echtgenoot, XXX. In het kader van het door hem ingediende dringend beroep heb ik echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Bijgevolg kan ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.”;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie een aantal opmerkingen formuleert aangaande “het ontbreken van elke memorie van antwoord”; dat wordt vastgesteld dat er wel een administratief dossier werd neergelegd door de verwerende partij, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, VII-32.890-2/7 waarin alle relevante informatie aanwezig is; dat de verzoekende partij eist dat artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zou worden toegepast in haar voordeel, met name dat het ingediende verzoekschrift ontvankelijk en gegrond zou worden bevonden gelet op het ontbreken van enig verweer door de verwerende partij, en dat subsidiair in casu een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Arbitragehof met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel door deze bepaling omwille van het verschillend behandelen van de diverse partijen in het geding; dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State nergens bepalen dat het niet indienen van een memorie van antwoord door de verwerende partij moet worden gesanctioneerd met de gegrondverklaring van het beroep; dat de raadsman ter terechtzitting uitdrukkelijk afstand doet van de desbetreffende gevorderde prejudiciële vraag; dat bovendien kan worden verwezen naar het arrest nr. 94/94 van 15 juli 1994 van het Arbitragehof; 3.1.
  6. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), doordat een tolk Albanees-Frans werd aangewend bij het verhoor voor het Commissariaat-generaal, terwijl het een Nederlandstalige procedure betreft, dat aldus een tolk Albanees-Nederlands of een bijkomende tolk Frans-Nederlands had moeten worden ingeschakeld, dat de ambtenaar die het verhoor afnam niet over een aantoonbare kennis van het Frans beschikt, dat verzoekster aldus werd benadeeld wanneer deze ambtenaar in verzoeksters verklaringen niet de nodige nuances heeft kunnen onderkennen, dat een interpretatie van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet in de zin dat het verhoor niet dient vertaald te worden naar de taal van de onderzoeker een schending van het gelijkheidsbegin- sel uitmaakt en dat dienaangaande een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Arbitragehof, dat ten slotte de vaststellingen in de bestreden beslissing van verzoeksters echtgenoot, XXX, te wijten zijn aan de gebreken in de vertaling; Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 39, §1, 17, §1, 57 en 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, doordat er in een Nederlandstalige procedure gebruik werd gemaakt van een tolk Albanees-Frans, dat verzoekster in Vlaanderen woont, dat de zaak lokaliseerbaar is in het Nederlandse taalgebied; Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, doordat het verhoor niet vertaald werd in de taal van de onderzoeker, dat dit een discrimina- tie uitmaakt van verzoekster ten opzichte van asielzoekers wiens verklaringen wel in de taal van de onderzoeker werden vertaald, dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld; dat evenwel ter terechtzitting de raadsman van verzoekster afstand doet van de eis tot het stellen van de prejudiciële vraag; VII-32.890-3/7 Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van de artikelen 39, §1, 17, §1, 57 en 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat het verhoor immers diende te worden vertaald naar de taal van de onderzoeker, dat zulks een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt; Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, omdat een beslissing niet kan steunen op deugdelijke motieven wanneer deze gebaseerd zijn op verhoren afgenomen in omstandigheden waarbij de tolk niet voldoet aan de vereiste taalkennis en de taal van de procedure niet gebruikt heeft; 3.1.
  7. Overwegende dat deze vijf middelen alle betrekking hebben op de vraag of er naar aanleiding van het onderzoek op het Commissariaat-generaal een tolk mag worden aangewend die vertaalt naar een andere landstaal dan die waarin het onderzoek wordt gevoerd, zonder dat er een bijkomende vertaling wordt gemaakt naar de taal van het onderzoek; dat het taalgebruik in het kader van de asielprocedure wordt geregeld door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet; dat dienvolgens de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in casu niet toepasselijk zijn; dat het aangevoerd artikel 51/4 nergens bepaalt dat de tolk die de verklaring van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dat rechtstreeks moet doen in de taal van het onderzoek; dat verzoekster overigens wel beweert, maar niet bewijst dat de tolk tijdens het verhoor haar verklaringen van het Albanees naar het Frans heeft vertaald; dat de verhoorverslagen immers in het Nederlands zijn opgesteld; dat op het einde van het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken bovendien uitdrukkelijk staat vermeld dat het gesprek werd gevoerd in het Albanees- Nederlands, waarna het verslag door verzoekster voor akkoord werd ondertekend; dat, voorts, verzoekster nergens in concreto aanduidt op welke wijze deze beweerde aanwending van een tolk Albanees-Frans haar in haar belangen zou hebben geschaad; dat de bestreden beslissing immers uitdrukkelijk de concrete motieven vermeldt waarom verzoeksters asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd bestempeld; dat verzoekster dient aan te tonen in welke mate deze motieven niet deugdelijk zijn en of deze hun oorsprong vinden in een slechte perceptie van het Frans in een Nederlandstalige procedure; dat verzoekster geen poging doet om in concreto aan te tonen dat het beweerde gebruik van een tolk Albanees- Frans de beslissing in een voor haar nadelige zin zou hebben beïnvloed; dat de eerste vijf middelen, die dezelfde grondslag hebben, derhalve niet gegrond zijn; 3.2.
  8. Overwegende dat verzoekster, blijkbaar de nummering van de veelvuldig door haar ingeroepen middelen uit het oog verloren, meteen overgaat tot een zevende middel, waarin zij de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoekster doet gelden dat geen rekening werd gehouden met het feit dat haar man een zwervend bestaan heeft gekend, zodat hij voor iedereen ongrijpbaar is en er ter zake moeilijk kan VII-32.890-4/7 worden voorgehouden dat zijn situatie incompatibel zou zijn met een toestand van gegronde vrees, dat de laatste keer dat haar echtgenoot terugkeerde er sprake was van een actuele gegronde vrees daar hij ter plekke vernam dat hij nog steeds gezocht werd, dat de communisten thans aan de macht zijn in Albanië, en dat de broer van haar man hem vertelde dat er vier tot vijf maal naar hem gezocht werd; dat verzoekster, met betrekking tot de vaststelling in de bestreden beslissing van haar echtgenoot, XXX, dat deze zeer vaag bleef over zijn verblijf in het buitenland, opnieuw opmerkt dat haar man een zwervend bestaan heeft gekend, “zonder vaste structuratie”, en dat het absoluut normaal is dat men in zo’n situatie niet kan opgeven waar men zich juist op welk tijdstip bevindt; dat zij meent dat deze aspecten niet goed of onvoldoende begrepen werden of zijn doorgedrongen en dat dit te verklaren is door de reeds eerder aangekaarte vertaalproblemen; 3.2.
  9. Overwegende dat uit de motivering van de thans bestreden beslissing duidelijk blijkt dat het motief gelegen is in de omstandigheid dat verzoekster zich ter staving van haar asielaanvraag steunt op dezelfde motieven als haar echtgenoot, XXX, en dat omwille van het feit dat in het kader van diens asielaanvraag een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, de Commissaris-generaal een gelijkaardige beslissing neemt in de asielaanvraag van verzoekster; dat verzoekster in haar uiteenzetting niet betwist dat ze haar asielaanvraag steunt op dezelfde feiten als degene die door haar echtgenoot zijn aangehaald; dat verzoekster overigens niets over het motief van de door haar bestreden beslissing zegt en enkel ingaat op de motieven die naar voren werden gebracht in de beslissing die betrekking heeft op haar echtgenoot; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoeksters echtgenoot een bevestigende beslissing nam omwille van de kennelijke ongegrondheid van zijn aanvraag; dat de Commissaris-generaal bijgevolg kon overwegen dat er ook ten aanzien van verzoekster niet kon worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd door te verwijzen naar de beslissing genomen ten aanzien van de echtgenoot van verzoekster; dat uit het arrest nr. 136.522 van 21 oktober 2004 betreffende het beroep van XXX overigens blijkt dat deze beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoeksters echtgenoot niet kennelijk onredelijk is; dat, wat de vermeende vertaalproblemen betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van de vorige middelen; dat het zevende middel niet gegrond is; 3.3.
  10. Overwegende dat verzoekster in een achtste middel de schending aanvoert van artikel 52, juncto artikel 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster in wezen stelt dat de Commissaris-generaal, optredend in dringend beroep, geen beslissing ten gronde mag nemen, vermits de asielaanvraag nog in het stadium van de ontvankelijkheid verkeert; 3.3.
  11. Overwegende dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkennings- VII-32.890-5/7 aanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de Commissaris-generaal in redelijkheid de aanvraag kennelijk ongegrond kon verklaren, nu verzoekster zich ter staving van haar asielaanvraag volledig steunt op de feiten die haar echtgenoot inroept en er in het kader van het door haar echtgenoot ingediende dringend beroep een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, zodat ook wat verzoekster betreft niet kan worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat een dergelijk onderzoek niet kan worden beschouwd als een onderzoek in de gegrondheidsfase; dat het achtste middel niet gegrond is; 3.4.
  12. Overwegende dat verzoekster in een negende middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, doordat de bestreden beslissing niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep, dat voormeld artikel een dwingende termijn heeft ingevoerd en dat voorts verwezen wordt naar het arrest “Allewaert”, nr. 73.717 van 18 mei 1998; dat verzoekster nog aanvoert dat voorzover artikel 63/2, § 2, van de Vreemdelingenwet een dwingende termijn heeft ingevoerd, dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, dat de termijnen voor alle partijen in de Vreemdelingenwet op een gelijkaardige wijze geïnterpreteerd dienen te worden, daar er anders een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijnen voorzien in de Vreemdelingenwet, dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt, en dat aldus een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient te worden gesteld; dat verzoekster evenwel, bij monde van haar raadsman, ter terechtzitting verklaarde afstand te doen van de gevorderde prejudiciële vraag; 3.4.
  13. Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3 van de Vreemde- lingenwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het overschrijden van een termijn van orde de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengt; dat voorts niet valt in te zien welk belang verzoekster heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen, nu zij al die tijd in België tegen de beweerde vervolging een veilig toevluchtsoord vond en zij ondertussen de nodige tijd kreeg om ter staving van haar asielaanvraag bewijsstukken naar voren te brengen; dat het negende middel niet gegrond is;
  14. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-32.890-6/7 BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.890-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.