← België

Arrest 138309 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.309 Rolnummer: A. 112953/VII-32864 Zaak: Arrest 138309 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 16:10 Fiche Arrest nr 138.309 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.309 van 9 december 2004 in de zaak A. 112.953/VII-32.864 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 7 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 5 oktober 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 december 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.864-1/12 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die, loco Advocaat S. SAROLEA, verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 28 december 2000 en verklaarde zich vluchteling op 29 december
  5. 1.
  6. Op 22 februari 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 5 oktober 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Joodse origine uit de deelrepubliek Kabardino- Balkaria, verklaart in uw land problemen te hebben gekend omwille van uw origine. VII-32.864-2/12 Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal op 6 april 2001 werd u in de zomer van 1999 in de stad Prohladny waar u woonde, door jonge leden van het RNE lastig gevallen. Vanaf dat ogenblik ontving u regelmatig dreigbrieven en -telefoons waarin naar uw Joodse origine verwezen werd en ermee gedreigd werd dat u het land moest verlaten, zo niet zou u iets ergs overkomen. Op 10 of 11 september 1999 werd de deur van uw appartement in brand gestoken. U ontving een telefoon waarin een zekere Semjenov zich bekend maakte en zei dat u diende te verdwijnen of dat u zou vermoord worden. Op 13 september 1999 diende uw moeder hierover klacht in bij de ROVD (regionale politie). Ze toonde ook de dreigbrieven en meldde de dreigtelefoons. De volgende dag belde Semjenov opnieuw op en liet weten dat het geen zin had te gaan klagen omdat hij overal zijn mensen had. Op 23 september 1999 ontving u een brief van de regionale politie met de melding dat zij met Semjenov gepraat hadden en hem verwittigd hadden dat er maatregelen zouden volgen indien hij nog iets onwettigs zou doen. In december 1999 vielen leden van het RNE echter uw verloofde, XXX, lastig en dreigden ermee brand te stichten in zijn huis en meubelzaak indien hij zijn relatie met u, een Joodse, niet zou stopzetten. Omdat XXX zijn familie geen problemen wou aandoen, vertrok hij voor onbepaalde tijd naar een onbekende bestemming. Ook u wist niet waar hij verbleef. Op 19 december 1999 waren er parlements- en gemeenteraadsverkiezingen. U was aangesteld als lid van de verkiezingscommissie en moest de stembrieven aan de kiezers afgeven. U zag hoe andere leden van de commissie met heel veel stembrieven vertrokken naar invaliden die thuis zouden stemmen en zonder stembrieven terugkwamen. U zag ook hoe communistische leden van de commissie kiezers beïnvloedden bij het stemmen. Gezien deze feiten, weigerde u de verkiezingsresultaten te ondertekenen en verklaarde u dat u de volgende dag klacht zou indienen bij het centrum van de verkiezingscommissie. Toen u dit de volgende dag effectief wou doen, werd u de officiële uitslag van de verkiezingen getoond, waarop ook uw handtekening te zien was. Toen u zei dat u nooit tekende en het document dus vervalst was, dreigde men ermee dat u moest zwijgen, zo niet zou u iets kunnen overkomen. Diezelfde week werd u door uw baas tot ontslag gedwongen. Iemand had hem verteld hoe onbetrouwbaar u was. Op 28 december 1999 werd u op straat aangevallen door twee mannen in politie uniform. Ze dreigden ermee dat u moest zwijgen, zo niet zouden ze u naar Tsjetsjenië sturen waar uw moeder u dan tegen een hoge prijs zou kunnen vrijkopen. U werd van een trap gegooid en viel bewusteloos. Toen u wakker werd, had u zeer veel pijn aan uw hoofd en buik. U slaagde erin naar huis te gaan maar eenmaal daar kreeg u een bloeding en belde uw moeder de ziekenwagen. U had een miskraam en verbleef gedurende twee weken in het ziekenhuis. Daarna verbleef u anderhalve maand bij een vriendin van uw moeder. Begin maart 2000 vertrok u dan naar een vroegere klasgenoot van u in de regio Stavropol. U verbleef daar zonder problemen tot november
  8. Toen keerde u naar huis terug en een week later begonnen de dreigementen opnieuw. Toen bleek dat Oleg u niet meer wilde zien en u vreesde dat de autoriteiten u geen bescherming zouden bieden, besloot u het land te verlaten. Reeds in juli 2000 had u eraan gedacht naar Israël te emigreren maar aangezien het te lang zou duren om de documenten hiervoor in orde te brengen, besloot u naar het westen te vluchten. Op 20 december 2000 vertrok u naar Georgië waar u twee dagen bij een collega van uw moeder verbleef. Op 22 december 2000 vertrok u dan naar België, waar u op 29 december 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw ex-USSR intern paspoort, uw geboorteakte en rijbewijs. Ter staving van uw asielrelaas legt u verder volgende documenten neer: brief van de ROVD van 23 september 1999 en krantenartikel van 6 december
  9. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat het merkwaardig is dat u bij uw verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat uw problemen begonnen in september 1999 toen u thuis twee dreigbrieven ontving (zie DVZ vraag 42). Daarbij maakte u helemaal geen melding van het feit dat u in de zomer van 1999 op straat werd lastig gevallen door jonge leden van het RNE, een feit dat u op het Commissariaat- generaal aanhaalt als oorzaak van uw problemen met het RNE aangezien zij door het medaillon dat u toen droeg te weten kwamen dat u Joodse bent (zie CGVS, p. 2). Gezien het belang van deze gebeurtenis is het moeilijk aan te nemen dat u deze op de Dienst Vreemdelingenzaken gewoon ‘vergat’ te vermelden. VII-32.864-3/12 Vervolgens dient opgemerkt te worden dat u onvoldoende aannemelijk maakt waarom u in verband met uw problemen met het RNE geen beroep kon doen op de bescherming van de Russische autoriteiten. Op 13 september 1999 diende uw moeder immers klacht in bij de ROVD. Deze klacht werd door de politie correct behandeld: er vond een gesprek plaats met Semjenov en men waarschuwde hem voor de gevolgen bij het plegen van verdere onwettige feiten. U werd hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. U argumenteert dat deze brief niets betekent daar u niet gelooft dat een dergelijke ontmoeting tussen de politie en Semjenov zou plaatsgevonden hebben (zie CGVS p. 7). Het betreft hier echter een interpretatie van uw kant waarvoor u geen enkel feitelijk bewijs aanbrengt. Verder argumenteert u dat het geen zin had nog klacht in te dienen bij de ROVD omdat Semjenov beweerde overal invloed te hebben en dat u zijn auto dikwijls bij de politiepost zag staan (zie CGVS p. 7). Ook deze argumentatie berust echter op subjectieve gegevens die u met geen enkel objectief feit kan ondersteunen. Bovendien maakt u met geen enkel element in uw relaas aannemelijk waarom u niet naar de hogere Russische autoriteiten kon stappen om klacht in te dienen over de problemen die U kende en over het gedrag van de lokale autoriteiten. Ten aanzien van uw problemen omwille van de verkiezingsfraude dient hetzelfde opgemerkt te worden. Vooreerst hebt u noch in verband met de verkiezingsfraude zelf noch in verband met de aanval van 28 december 1999 effectief klacht neergelegd. Ook hier maakt geen enkel element in uw relaas aannemelijk waarom u niet naar de hogere Russische autoriteiten kon stappen om klacht neer te leggen of waarom u niet bij nationale en internationale verkiezingswaarnemers gewag maakte van de fraude. Ten slotte dient erop gewezen te worden dat de problemen die u ondervond duidelijk een lokaal karakter dragen. U verbleef immers zonder de minste problemen gedurende anderhalve maand bij een vriendin van uw moeder en evenmin ondervond u problemen gedurende de negen maanden die u bij uw vroegere klasgenoot in de regio Stavropol doorbracht. U argumenteert dat elders gaan wonen niets zou uithalen daar u van vrienden in Moskou en Rostov aan de Don hoorde dat de situatie daar voor Joden even slecht is (zie CGVS p. 7). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Bureau of Democracy, Human Rights and Labour, Country Reports on Human Rights Practices: 2000, dd. februari 2001 & Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Russische Federatie, positie van de Joden, dd. april 2000) blijkt echter dat er binnen de Russische Federatie in elk geval geen sprake is van een gericht antisemitisch overheidsbeleid en dat president Poetin reeds openlijk sympathie toonde voor de Joden. Ook wordt er vermeld dat Russen van Joodse afkomst over het algemeen relatief ongehinderd invloedrijke openbare functies kunnen bekleden. Gezien het duidelijk lokale karakter van uw problemen en gezien het feit dat u buiten uw regio bij de hogere Russische instanties en ambtenaren gehoor en bescherming had kunnen vinden voor uw lokale problemen, moet worden besloten dat geen enkel element in uw asielrelaas erop wijst dat u zich als Joodse niet elders binnen de Russische Federatie zonder problemen had kunnen vestigen. Bijgevolg blijkt uit onderzoek van uw dossier dat er geen elementen aanwezig zijn die het vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie doen ontstaan. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (uw ex- USSR intern paspoort, uw geboorteakte en rijbewijs, brief van de ROVD van 23 september 1999 en krantenartikel van 6 december 2000) wijzigen hetgeen hierboven uiteengezet werd niet. Een deel ervan slaat enkel op uw identiteit en deze staat hier niet ter discussie. De brief van de ROVD bewijst zoals hierboven reeds opgemerkt dat de politie uw klacht wel degelijk correct heeft behandeld en heeft opgetreden en het krantenartikel bericht over mensen die naar Tsjetsjenië gestuurd worden, een element dat op zich niet betwist wordt.”; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel, bestaande uit drie onderdelen, aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van VII-32.864-4/12 vreemdelingen en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 door een manifest gebrekkige motivering. Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing kan worden ingedeeld in drie hoofdonderdelen, waarvan de eiseres zal aantonen dat elk van de drie onderdelen berusten op een manifest onredelijke motivering of een verkeerde appreciatie van de verklaringen van de eiseres;
  11. Eerste onderdeel: Wet betreft het nalaten door de eiseres van het vermelden van het incident in de zomer van 1999, toen ze voor het eerst werd lastiggevallen door leden van het R.N.E. Overwegende dat het correct is dat de eiseres niet uitdrukkelijk over dit incident heeft verteld tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken, maar dat ze wel heeft verklaard: “Ik ben Joodse en in mijn stad Prokhladny werd ik achtervolgd door de nationalistische groepering R.N.E. (Russische Nationale Eenheid). Ze zijn anti-joods. Aanvankelijk scheldden ze me gewoon uit.” (stuk 3, p. 12); Dat uit deze verklaringen van de eiseres kan afgeleid worden dat ze het op impliciete wijze toch over dat incident heeft gehad, nu ze daarbij enkel werd beledigd en bedreigd, terwijl vanaf september 1999 de bedreigingen op een materiële en fysieke wijze werden ten uitvoer gebracht (door het verbranden van de deur van haar appartement en de fysieke agressie); Dat het nalaten door de eiseres van het vermelden van deze gebeurtenis niet op onherstelbare wijze de geloofwaardigheid van haar relaas aantast, nu dit incident het minst erge was dat ze heeft meegemaakt en dat ze pas heeft beseft dat het R.N.E. haar viseerde op het moment dat ze dreigbrieven en -telefoons kreeg van een persoon die haar zijn naam gaf; Dat het vaststaande rechtspraak is van de Raad van State dat een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op adequate wijze moet worden gemotiveerd, zodat het duidelijk is voor de betrokkene waarom de negatieve beslissing is genomen; Dat het enkele nalaten door de eiseres van dit incident niet volstaat om tot het besluit te komen dat de asielaanvraag van de eiseres kennelijk ongegrond zou zijn;
  12. Tweede onderdeel: Wat betreft de mogelijkheid voor de eiseres om een beroep te doen op de Russische overheden voor een bescherming tegen vervolgingen. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de eiseres onvoldoende aannemelijk maakt waarom ze in verband met haar problemen met het R.N.E. geen beroep kon doen op de Russische overheden; Dat de bestreden beslissing daarvoor als motief aanhaalt dat de klacht die ingediend was door de moeder van de eiseres omwille van de dreigtelefoons en -brieven en omwille van de verbrande deur van het appartement van de eiseres, op een correcte wijze zou zijn behandeld omdat de politie haar had meegedeeld dat er een gesprek met Semjenov had plaatsgevonden en dat men hem had gewaarschuwd voor de gevolgen van eventuele later gepleegde onwettige feiten; Dat het als manifest onredelijk moet worden beschouwd dat de bestreden beslissing deze manier van afhandelen van delicten beschouwt als “het correct behandelen van een klacht”; Dat de bestreden beslissing hiermee voorbijgaat aan de ernst van de feiten die zijn gepleegd door die Semjenov ten aanzien van de eiseres, namelijk telefonische en schriftelijke doodsbedreigingen en brandstichting, wat toch wel ernstige vergrijpen zijn; Dat de politie zich daarna tevredenstelt met de mededeling dat ze zogezegd een “waarschuwing” hebben gegeven aan die Semjenov, komt op zijn minst als teleurstellend over voor de eiseres, om niet te moeten zeggen dat haar onveiligheidsgevoel erdoor nog verhoogt, nu ze merkt dat de politie haar enkel wil sussen met de bewering dat ze hem op de vingers hebben getikt voor de brandstichting en de doodsbedreigingen; Dat deze manier van afhandelen van delicten redelijkerwijze niet kan beschouwd worden als een correcte behandeling van de klacht van de moeder van de eiseres; Dat dit een manifest onredelijke motivering en appreciatie uitmaakt door de bestreden beslissing; Dat de bestreden beslissing stelt dat het feit dat de eiseres niet gelooft dat er een ontmoeting is geweest tussen Semjenov en de politie enkel een persoonlijke interpretatie is van haar kant, waar ze geen feitelijk bewijs aanbrengt, niet kan dienend VII-32.864-5/12 zijn voor de motivering van de bestreden beslissing, nu er van de eiseres geen onmogelijk feitelijk bewijs kan geëist worden; Dat de eiseres totaal teleurgesteld was omwille van het feit dat Semjenov niet zou worden vervolgd voor de brandstichting en de doodsbedreigingen en omdat ze het moest stellen met de mededeling van de politie dat ze een gesprek met Semjenov zouden hebben gehad, gedurende hetwelk er hem is gewaarschuwd voor de gevolgen van eventuele latere misdrijven die hij zou plegen; Dat in het licht van deze omstandigheden de reactie van de eiseres totaal begrijpelijk was, namelijk dat ze er niets van geloofde dat dit gesprek had plaatsgevonden en dat de politie haar wilde sussen om hun vriendje, Semjenov te beschermen; Dat de eiseres niet was uitgenodigd door de politie voor dat gesprek met Meneer Semjenov, zodat de eiseres er niet kan van getuigen dat dit ook effectief zou hebben plaatsgevonden. Dat, gelet op de brandstichting, het toch redelijk zou zijn dat Semjenov schadevergoeding zou betalen, gelet op het feit dat de feiten niet door hem werden betwist, nu de politie beweerde dat ze hem waarschuwden voor de gevolgen van het plegen van “verdere onwettige feiten”; Dat over een eventuele schadevergoeding niet is gesproken, wat de achterdocht en het ongeloof van de eiseres in een gesprek tussen Semjenov en de politie in die zin geloofwaardig maakt; Dat het een algemeen beginsel is dat in de materie van asieldossiers, de bewijslast die rust op de kandidaat-vluchteling in alle redelijkheid moet worden beoordeeld; Dat men van de eiseres niet kan eisen om feitelijke gegevens aan te brengen van haar mening dat dit gesprek tussen de politie en Semjenov niet heeft plaatsgehad, nu ze dit redelijkerwijze niet kan; Dat de politie duidelijk is tekortgeschoten in zijn taak om aan de eiseres een bescherming te bieden tegen de vervolgingen die uitgingen van die Semjenov en dat ze dus moeilijk een schriftelijke bekentenis van de politie kon gaan afdwingen om te bevestigen dat er geen gesprek heeft plaatsgehad; Dat de eiseres er ook geen weet van had op welke datum er zogezegd sprake zou geweest zijn van dat gesprek, zodat ze er zich niet zelf heeft van kunnen gaan vergewissen door zelf naar de politie te gaan op die dag; Dat de bestreden beslissing, door te stellen dat de eiseres geen enkel feitelijk element aanbrengt om aan te tonen dat dit gesprek niet heeft plaatsgevonden, een manifeste onredelijke motivering heeft gebruikt door van de eiseres een onmogelijk bewijs te eisen, terwijl haar stelling, rekening houdende met haar verklaringen, perfect begrijpelijk was; Dat de bestreden beslissing vervolgens stelt dat het eveneens op subjectieve gegevens steunt om te zeggen dat het geen zin had om zich nog tot de politie te wenden omdat Semjenov zei dat hij veel mensen kende en omdat de eiseres zelf dikwijls zijn auto bij de politie zag staan; Dat de bestreden beslissing stelt dat deze stelling van de eiseres wederom niet kan worden aangetoond met objectieve gegevens; Dat er moet aan herinnerd worden dat de bewijslast die rust op de eiseres op redelijke wijze moet geïnterpreteerd worden; Dat de eiseres elementen aanhaalt die voor haar de mening heeft doen ontstaan dat het geen zin meer had om zich tot de overheden te richten voor een bescherming, nu Semjenov had gezegd dat hij overal zijn vrienden had enerzijds en anderzijds, omdat ze zelf had vastgesteld dat zijn auto dikwijls bij de politie stond, wat voor haar de woorden van Semjenov bevestigde ; Dat de eiseres aldus aannemelijk maakt dat ze redelijkerwijze kon vrezen dat ze geen beroep kon doen op de Russische overheden om een bescherming te krijgen tegen deze vervolgingen, ook al gelet op de eerste poging van haarzelf om een klacht behandeld te zien, wat jammerlijk is afgelopen; Dat het niet duidelijk is wat voor een objectief gegeven, de bestreden beslissing van de eiseres verlangt om aan te tonen dat Semjenov verklaarde dat hij overal vrienden heeft en dat zijn auto dikwijls bij de politie stond; Dat er haar niet kan kwalijk genomen worden dat ze geen bandopnames heeft gemaakt van de telefoongesprekken die ze heeft gehad met Semjenov, omdat ze daarvoor de middelen niet had evenmin dat ze geen foto’s heeft genomen van de auto van Semjenov aan het politiekantoor of van Semjenov zelf in het politiekantoor, nu dat VII-32.864-6/12 eerste nog niets zou bewijzen “op objectieve wijze’ en omdat het tweede redelijkerwijze als onmogelijk en zelfs als gevaarlijk moet beschouwd worden voor de eiseres; Dat het algemeen wordt aangenomen dat de kandidaat-vluchteling een coherent en geloofwaardig verhaal moet naar voor brengen dat vrij is van grote contradicties, opdat hij als geloofwaardig zou kunnen worden beschouwd, wat als het belangrijkste bewijsmiddel in asieldossiers wordt aanvaard; Dat de eiseres in casu op coherente wijze haar verhaal heeft naar voor gebracht, zonder enige grote contradictie en dat daarom moet worden vastgesteld dat de eerste verwerende partij een beslissing had moeten nemen dat verder onderzoek noodzakelijk is, gelet op de coherentie van het relaas van de eiseres; Dat zij zelf heeft verklaard waarom ze meende dat het geen zin had, volgens haar, om nog beroep te doen op de Russische overheden en deze uitleg is in de verste verte niet onaannemelijk, zoals de bestreden beslissing stelt; Dat er van de eiseres enerzijds geen onmogelijk bewijs kan worden geëist enerzijds en dat anderzijds de eerste verwerende partij de verplichting heeft om te motiveren waarom de eiseres het dan geenszins aannemelijk maakt dat ze geen beroep meer kan doen op de Russische overheden, wat deze eerste niet doet, door enkel van de eiseres een onmogelijk bewijs te eisen; Dat de bestreden beslissing niet anders kan dan vaststellen dat de verklaringen van de eiseres hieromtrent als redelijk te beschouwen zijn en dat dit redelijkerwijze kan aanvaard worden als het gevoel veroorzakend dat ze geen bescherming meer kan krijgen; Dat de bestreden beslissing stelt dat geen enkel element in het relaas van de eiseres aannemelijk zou maken waarom ze geen bescherming zou krijgen van hogere Russische autoriteiten; Dat de eiseres heeft verklaard dat Semjenov haar heeft verteld dat hij overal vrienden heeft en dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom dit geen element zou zijn dat het aannemelijk maakt voor de eiseres dat ze geen beroep zou kunnen doen op hogere Russische overheden; Dat vervolgens de bestreden beslissing stelt dat geen enkel element in haar relaas aannemelijk zou maken waarom ze niet naar de hogere Russische en internationale autoriteiten zou kunnen stappen om de verkiezingsfraude aan te klagen; Dat de bestreden beslissing hierbij totaal voorbij gaat aan de bedreigingen die de eiseres heeft ondergaan door de andere leden van de kiescommissie en eveneens van politieagenten die haar van de trap hebben gegooid, waardoor ze bloedingen kreeg en wat een miskraam tot gevolg had; Dat dit een ernstige aanslag uitmaakt op de fysieke integriteit van de eiseres, uitgevoerd door vertegenwoordigers van de Russische overheden, zodat dit toch wel degelijk elementen zijn die de eiseres in een dergelijke staat hebben gebracht, zodat ze veel te bang was om nog op iemand een beroep te doen; Dat de bestreden beslissing totaal voorbijgaat aan deze elementen en nalaat te motiveren waarom deze elementen het niet aannemelijk zouden maken dat de eiseres vreesde geen beroep meer te kunnen doen op hogere instanties; Dat de bestreden beslissing deze elementen niet op hun waarde heeft geschat en de impact ervan op de eiseres heeft genegeerd, waardoor men zich niet kan tevreden stellen door eenvoudigweg te stellen dat geen enkel element in het relaas van de eiseres aannemelijk maakt dat ze geen beroep kon doen op hogere overheden; Dat om die reden de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering en een manifest onredelijke motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen;
  13. Derde onderdeel: Wat betreft het binnenlands vestigingsalternatief voor de eiseres en het beweerde lokale karakter van de vervolgingen. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de problemen van de eiseres een duidelijk lokaal karakter hebben; Dat dit niet op afdoende wijze is aangetoond door de bestreden beslissing, die enkel bepaalde informatie aanhaalt die stelt dat er geen sprake is van een systematisch anti- semitisch overheidsbeleid en dat in het algemeen Russen van Joodse afkomst relatief ongehinderd openbare functies kunnen bekleden; VII-32.864-7/12 Dat deze laatste overweging voor de eiseres van geen enkel belang is, nu zij geen openbare functie bekleedde; Dat het bovendien blijkt dat de bestreden beslissing een eenzijdige interpretatie heeft gehanteerd van de informatie die zij zelf aanhaalt en dat dit onderzoek eigenlijk moet gevoerd worden in het kader van een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag; Dat in het stadium van de ontvankelijkheid, men zich moet beperken tot het onderzoeken van het feit of de kandidaat-vluchteling aanhaalt en aannemelijk maakt dat hij vreest nog vervolgingen te zullen ondergaan omwille van één van de criteria opgesomd in het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève en of zijn relaas niet kennelijk ongegrond is; Dat het onderzoek naar het al dan niet lokale karakter van de vervolgingen moet plaatsgrijpen in het stadium van de gegrondheid van de asielaanvraag; Dat desalniettemin de informatie aangehaald door de Commissaris-generaal niet toelaat te stellen op een ondubbelzinnige wijze dat de eiseres geen risico’s zou lopen indien zij zich elders zou vestigen in Rusland; Dat de informatie aangehaald door de bestreden beslissing zelf aangeeft dat er nog steeds ernstige vormen van anti-semitisme zijn en dat de Russische regering, ondanks een sympathiebetuiging door Poetin, nog maar weinig stappen effectief heeft ondernomen tegen fascisme en extremisme (stuk 2, p. 1); Dat deze informatie zelf aangeeft: “Anti-semitisme is altijd een, weliswaar latent, doch evenzeer permanent aanwezig fenomeen in de RF geweest. Het sociale taboe dat de laatste decennia bijvoorbeeld in West-Europa op dit verschijnsel rust, heeft in de FR van oudsher ontbroken. Overigens richt anti-semitisme in de FR zich veeleer op de jood als prototype (karikaturaal getypeerd als machtshebbers, die er “duistere riten” op nahouden) dan op mensen in de omgeving van toevallige joodse afkomst. Dit neemt niet weg dat tegen individuele joodse burgers gerichte sociale discriminatie en zelfs geweldpleging plaatsvindt, zoals deze ook voorkomt tegen Kaukasische, Aziatische of Afrikaanse - d.w.z. duidelijk niet Russische herkomst. Met de toegenomen economische misère en uitzichtloosheid van de afgelopen jaren is de behoefte aan een niet-Russische zondebok weer gegroeid en vallen er vaker anti- semitische uitspraken van pers en politici te beluisteren die bij een breder publiek in vruchtbare aarde lijken te vallen. Ondanks deze publieke anti-semitische uitlatingen, lijkt de joodse bevolkingsgroep toch minder dan vroeger het risico te lopen om maatschappelijk gediscrimineerd te worden en lijkt de - uiterlijk herkenbare - Kaukasische bevolkingsgroep de plaats van de joden in dat verband te hebben ingenomen. (...) Mensen met een donker uiterlijk zijn de afgelopen twee jaren vaker het doelwit geworden van identiteitscontroles, aanhoudingen en arrestaties dan mensen met een lichte huidskleur; (...) Van een gericht anti-semitisch overheidsbeleid lijkt in elk geval geen sprake te zijn (...). Daar staat tegenover dat het aantal anti-semitische publicaties is toegenomen (...) en dat de staat daartegen nog niet voldoende effectief optreedt (...). Eind jaren tachtig en negentig overheerste onder de Russische joden een gevoel van bevrijding en vertrouwen in een bestaan zonder discriminatie. Dit vertrouwen is inmiddels flink geschaad doordat vooral in 1998 en 1999 een aantal ernstige anti- semitisch getinte acties en misdaden heeft plaatsgevonden. Bovendien nam het aantal anti-semitische uitlatingen toe, ook door nationaal opererende politici, hetgeen naar het zich laat aanzien vooral geschiedde in reactie op de economische crisis van augustus 1998 (...). Al de hierboven genoemde verschijnselen hebben een nieuw gevoel van onrust en onzekerheid teweeg gebracht onder de Russische joden. Voorlopig kan nog moeilijk beoordeeld worden of het bij deze incidenten vooral ging om een kortstondige opleving van vandalisme en erger, of dat er sprake is van een trend” (stuk 2, p. 4 en 5). Dat het overduidelijk blijkt uit deze informatie en de aangehaalde passages hierboven dat er allerminst kan uit worden afgeleid dat de vervolgingen ten aanzien van de Russische joden een lokaal probleem zouden zijn, waartegen men een bescherming zou kunnen bekomen bij de hogere Russische overheden of bij andere lokale overheden; Dat er veeleer wordt bevestigd dat er te veel onopgehelderde incidenten zijn, dat de regering tot op heden nog niet voldoende stappen heeft genomen tegen anti-semitisme VII-32.864-8/12 en dat anti-semitisme meer en meer gehoor krijgt over heel Rusland en zelfs wordt vertolkt door bepaalde Russische politici op nationaal niveau; Dat de bestreden beslissing dus niet op ondubbelzinnige wijze kan stellen dat de problemen van de eiseres een puur lokaal karakter zouden hebben, nu deze informatie dit niet aantoont, veeleer integendeel; Dat dit onderzoek op veel grondiger wijze moet gebeuren en zodoende thuishoort in het onderzoek ten gronde van de asielaanvraag; Dat er tot de conclusie moet gekomen worden dat de bestreden beslissing, eveneens op dit punt een manifest onredelijke motivering bevat en een manifest gebrek aan motivering, in strijd met de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”; 2.
  14. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A,

(2), van de Conventie van Genève betreft, deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat voorts uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat zij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat verzoekster aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, immers de materiële motiveringsplicht betreft, zodat het middel dan ook vanuit dit oogpunt dient te worden onderzocht; 2.2.
  1. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van verzoeksters middel betreft, erop dient te worden gewezen dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat deze alle belangrijke voorvallen in verband met zijn asielrelaas reeds van bij het eerste interview vermeldt, daar op de kandidaat-vluchteling de verplichting rust om zijn volledige medewerking te verlenen aan de asielprocedure; dat binnen het kader van de asielprocedure verzoekster immers ook een verantwoordelijkheid draagt, in die zin dat van haar wordt verwacht dat zij zo duidelijk en volledig mogelijk haar asielmotieven weergeeft, zeker wat de feiten betreft die de aanleiding vormen van de problemen in het land van herkomst; dat het dan ook niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal om in de bestreden beslissing vast te stellen dat het niet-vermelden van dit incident op de Dienst Vreemdelingenzaken “merkwaardig” is, aangezien op het ogenblijk van dit incident de R.N.E. te weten kwam dat verzoekster van Joodse origine is door het medaillon dat zij droeg; dat de bestreden beslissing daarenboven in haar geheel dient te worden gelezen en er rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering, zodat het verwijt van verzoekster als zou de Commissaris-generaal zich voor zijn besluit om haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond te bestempelen enkel hebben gebaseerd op deze nalatigheid van harentwege, niet opgaat; 2.2.
  2. Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, er niet kan worden gesteld dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de door verzoekster aangebrachte elementen waarom zij geen beroep kan doen op bescherming van de Russische autoriteiten, aangezien deze elementen alle op uitdrukkelijke wijze in de bestreden beslissing zijn uiteengezet, met verwijzing naar de desbetreffende passages in de verklaringen van verzoekster; dat de Commissaris-generaal oordeelde dat de elementen VII-32.864-9/12 aangebracht door verzoekster op geen enkele wijze ondersteund worden met objectieve gegevens en dat zij haar argumenten voor een deel steunt op vermoedens; dat verzoekster niet ontkent dat zij de verklaringen, zoals weergegeven in de bestreden beslissing, heeft afgelegd; dat dit onderdeel van het middel er dan ook in wezen op neerkomt een andere lezing te geven aan verzoeksters asielrelaas en dat verzoekster aldus om een nieuwe feitelijke beoordeling vraagt; dat de Raad van State echter, in het kader van zijn marginale toetsingsbevoegdheid, niet vermag zijn appreciatie in de plaats te stellen van die van de Commissaris-generaal, zodat ook dit onderdeel van het middel niet overtuigt; 2.2.
  3. Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, het allereerst de vaststelling van de Commissaris-generaal betreft dat verzoekster zonder de minste problemen gedurende anderhalve maand bij een vriendin van haar moeder verbleef en vervolgens gedurende negen maanden bij een vroegere klasgenoot in de regio Stavropol, op basis waarvan de Commissaris-generaal oordeelde dat verzoeksters problemen duidelijk een lokaal karakter dragen; dat de Commissaris-generaal bovendien van oordeel is dat verzoekster buiten haar regio bij de hogere Russische instanties en ambtenaren gehoor en bescherming had kunnen vinden voor haar lokale problemen, en dat zij bijgevolg over een binnenlands vestigingsalternatief bleek te beschikken; dat de Commissaris-generaal slechts naar aanleiding van verzoeksters argumentatie dat elders gaan wonen niets zou uithalen daar zij van vrienden in Moskou en Rastov hoorde dat de situatie daar voor Joden even slecht is, verwijst naar de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat de Commissaris-generaal hierbij rekening houdt met alle elementen van het rapport waarover hij beschikt en dat hij uit het geheel van dit rapport heeft afgeleid dat er binnen de Russische Federatie geen sprake is van een gericht antisemitisch overheidsbeleid; dat verzoekster deze informatie geenszins bestrijdt, doch zich beperkt tot het bekritiseren van de “eenzijdige interpretatie” ervan door de Commissaris-generaal en tot het poneren van de stelling dat het onderzoek van deze informatie gevoerd moet worden in het onderzoek ten gronde; dat hieromtrent dient te worden gesteld dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de Commissaris-generaal hierbij, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoekster zorgvuldig te onderzoeken en te vergelijken met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat in casu uit een eenvoudig onderzoek van verzoeksters verklaringen blijkt dat haar stelling als zou de situatie voor Joden in Moskou en Rostov overal even slecht zijn, niet strookt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat dit niet als een onderzoek VII-32.864-10/12 naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat verzoekster verder door andere passages uit voornoemde informatie aan te halen, zonder deze echter enigszins op haar persoonlijke situatie te betrekken, geen afbreuk doet aan de door de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing gemaakte vaststellingen en het geheel van de door de Commissaris- generaal ontwikkelde motivering; dat verzoekster er aldus niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat een schending van de motiveringsplicht niet kan worden aangenomen; dat het enige middel in al zijn onderdelen ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : VII-32.864-11/12 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.864-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.