← België

Arrest 138317 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.317 Rolnummer: A. 122677/VII-32883 Zaak: Arrest 138317 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 16:10 Fiche Arrest nr 138.317 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.317 van 9 december 2004 in de zaak A. 122.677/VII-32.883 In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. HUYSMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Berthoudersplein 57 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Georgische nationaliteit, op 19 juni 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 mei 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 27 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.883-1/9 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HUYSMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen kwamen België binnen op respectievelijk 28 december 1999 en 16 augustus 2000 en verklaarden zich vluchteling op respectievelijk 30 december 1999 en 17 augustus 2000. 1.2. Op 6 maart 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 30 mei 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal zijn als volgt gemotiveerd : Voor de eerste verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) VII-32.883-2/9 Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger, verklaart in Georgië problemen te hebben gekend met de bosbouwmaffia. U heeft rond 24 december 1999 het land verlaten en bent op 29 december 1999 in België aangekomen, waar u op 30 december 1999 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat u sinds 1997 werkte als hoofdboswachter in een natuurreservaat. Uw vader was hoofd van de ecologische politie. Vaak hielden jullie samen met het departement voor bosbouw razzia's, waarbij jullie meermaals illegale boskappers ontdekten, die werkten in opdracht van een zekere Gulu Parulava. Gela Kachkachshvili, het hoofd van de regionale administratie, en Giga Abuladze, het hoofd van het departement voor bosbouw, waren bij de illegale houthandel betrokken en zorgden er telkens voor dat de illegale kappers die jullie aanhielden, werden vrijgelaten. Op 29 mei 1999 betrapten jullie opnieuw een twaalftal illegale kappers. Uw vader werd bedreigd opdat hij geen proces-verbaal zou opstellen. Toen uw vader zijn wil doorzette en toch een proces-verbaal schreef, kwam het tot een schietpartij, waarbij uw vader gedood werd. Na deze feiten eiste u dat de dood van uw vader door de politie zou onderzocht worden, maar er gebeurde niets. In augustus 1999 kreeg u een dreigtelefoontje waarin gezegd werd dat u de zaak moest laten rusten. U meldde deze bedreiging aan de politie-inspecteur die de moord op uw vader moest onderzoeken, doch deze zei dat hij u op basis van valse getuigenissen kon beschuldigen van de dood van uw vader. U werd kwaad en sloeg hem. Die avond werd uw huis in brand gestoken. Uw broer raakte hierbij ernstig gewond. Op 21 augustus 1999 trok u met uw gezin naar uw schoonouders. Op 23 augustus 1999 had u een onderhoud met de minister van Staatsveiligheid, die beloofde u te zullen helpen. Op 12 november 1999 werd de moordenaar, Vaso Abuladze, opgepakt, de zoon van Giga Abuladze. Na zijn arrestatie ontving u voortdurend dreigtelefoons. U werd bang en besloot het land te ontvluchten. Uit uw dringend beroepschrift blijkt verder dat uw conflict met Kachkachshvili en Abuladze deels veroorzaakt werd door uw politieke sympathie voor de Labour Party. Uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken dient opgemerkt te worden dat uw problemen niet beantwoorden aan één van de criteria van de vluchtelingenconventie, namelijk omwille van ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. U en uw vader kenden immers problemen met personen die zich bezighielden met illegale boskap omdat jullie hiervan aangifte hadden gedaan bij de autoriteiten. Uit uw verklaringen blijkt tevens dat u wel degelijk op de bescherming van de autoriteiten heeft kunnen rekenen. Na uw onderhoud met de minister van Staatsveiligheid werd de moordenaar van uw vader immers opgepakt. Na diens arrestatie werd u via de telefoon bedreigd, doch nergens uit uw verklaringen blijkt dat u tegen deze dreigtelefoons geen bescherming zou kunnen krijgen. Wat betreft uw verklaringen in uw dringend beroepschrift, namelijk dat ook uw sympathie voor de Labour Party mede de oorzaak was van uw problemen, dient opgemerkt te worden dat u hiervan tijdens uw interview van de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding maakte, zodat ernstig aan de geloofwaardigheid van uw politieke engagement kan worden getwijfeld. Verder verklaarde u expliciet voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u nooit geraakt werd in uw fysieke integriteit (DVZ, nr.45), terwijl u in uw dringend beroepschrift verklaarde dat u omwille van uw sympathie voor de Labour Party door de oudste zoon van Abuladze met een mes bewerkt werd. Er kan dan ook ernstig getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Bovendien blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, dat leden van de Labour Party in Georgië niet door de huidige Georgische autoriteiten vervolgd worden (Cf. CEDOCA, Missierapport Georgië, maart 2002). Er kan dan ook geen actuele vrees ten gevolge van uw sympathie voor de Labour Party weerhouden worden. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. U heeft in het kader van uw asielprocedure geen documenten neergelegd die hetgeen hiervoor werd uiteengezet kunnen wijzigen. Gezien dit alles reeds duidelijk bleek uit uw administratief dossier werd het niet noodzakelijk geacht u voor een interview op het Commissariaat-generaal op te roepen.”. VII-32.883-3/9 Voor de tweede verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens, uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren, Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger, verklaart dat uw man in Georgië problemen kende met de bosbouwmaffia. U heeft op 9 augustus 2000 het land verlaten en bent op 15 augustus 2000 in België aangekomen, waar u op 17 augustus 2000 asiel heeft aangevraagd. Uw man vroeg reeds op 30 december 1999 asiel aan in België. U verklaart dat uw man en schoonvader lid waren van de Labour Party. Sinds 1997 werkte uw man als hoofdboswachter in een natuurreservaat. Uw schoonvader was hoofd van de ecologische politie. Vaak hielden zij razzia's, waarbij ze meermaals illegale bos kappers ontdekten, die werkten in opdracht van een zekere Gulu Parulava. De regionale autoriteiten waren bij deze illegale activiteiten betrokken en zorgden er telkens voor dat de illegale kappers die jullie aanhielden, werden vrijgelaten. Omwille van hun lidmaatschap van de Labour Party en omdat ze zich verzetten tegen de illegale houtkap kregen uw man en schoonvader problemen met hun oversten en de hoofden van de regionale autoriteiten. Op 29 mei 1999 betrapten ze tijdens een raid illegale kappers. Uw schoonvader werd bedreigd opdat hij geen proces-verbaal zou opstellen. Toen uw schoonvader zijn wil doorzette en toch een proces-verbaal schreef, kwam het tot een schietpartij, waarbij uw schoonvader gedood werd. Na deze feiten eiste uw man dat de dood van zijn vader door de politie zou onderzocht worden, maar er gebeurde niets. Op 19 augustus 1999 kreeg uw man een dreigtelefoontje waarin gezegd werd dat hij de zaak moest laten rusten. Diezelfde dag werd uw man bij de politie geroepen, waar hij te horen kreeg dat de politie hem op basis van valse getuigenissen kon beschuldigen van de dood van zijn vader. Uw man werd kwaad en sloeg de politie-inspecteur. Die avond werd uw huis in brand gestoken. Uw schoonbroer raakte hierbij ernstig gewond. Vervolgens trok u in bij uw moeder. Uw man regelde een onderhoud met de minister van Staatsveiligheid, die beloofde hem te zullen helpen. Enige tijd later werd de moordenaar van uw schoonvader, Vaso Abuladze, opgepakt. Hij was de zoon van Giga Abuladze, de directeur van de bosonderneming en overste van uw man. Na zijn arrestatie ontving uw man voortdurend dreigtelefoons opdat hij zijn klacht zou intrekken. Uit veiligheidsoverwegingen bracht hij u met de kinderen naar Batumi, waar uw zus woont. Uw man verliet het land. Na drie en een halve maand keerde u terug naar Tbilisi, in de veronderstelling dat de situatie terug veilig was. Enkele dagen na uw aankomst in Tbilisi kreeg u dreigtelefoons, waarin gevraagd werd waar uw man was. Drie dagen later kwamen twee onbekenden u opzoeken. Ze gaven u een week tijd om hen te vertellen waar uw man was, zo niet zouden ze uw kinderen vermoorden. U besloot terug te keren naar Batumi, van waaruit u in augustus 2000 naar België vertrok. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen, aangezien zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond werd bevonden,. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf te worden genomen. De persoonlijke problemen die u zou gekend hebben na het vertrek van uw man, met name de dreigtelefoons en het bezoek van de twee onbekenden die uw man zochten, zijn tevens een gevolg van de eerdere problemen van uw man, waarover reeds een uitspraak werd gedaan. De door u toegevoegde elementen VII-32.883-4/9 zijn niet van die aard dat zij het kennelijk ongegronde karakter van de asielaanvraag van uw man kunnen wijzigen Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen Vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (diploma'

  1. s)houden geen verband met de door u aangehaalde problemen en wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Gezien dit alles reeds duidelijk bleek uit uw administratief dossier werd het niet noodzakelijk geacht u voor een interview op het Commissariaat-generaal te roepen.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Schending van de art. 52 en 62 van de Wet van 15.12.1980 en de art. 2 en 3 van de Wet van 29.7.1991 m.b.t. de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur: Overwegende dat art. 52 van de Vreemdelingenwet aan de Minister van Binnenlandse Zaken en bijgevolg aan de Commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen, na dringend beroep een ruime appreciatiebevoegdheid toekent; Dat de samenhang en de standvastigheid van het vluchtverhaal van verzoekers het criterium moet zijn voor verweerder om de ontvankelijkheid van de aanvraag te beoordelen; Dat vastgestelde contradicties op essentiële punten op ontegensprekelijke wijze de geloofwaardigheid van verzoekers zouden kunnen aantasten; Dat evenwel het belang van eventuele contradicties moet worden beoordeeld in functie van het geheel der afgelegde verklaringen; Dat vanaf het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekers een precieze, gedétailleerde en omstandige uiteenzetting hebben gegeven van de feiten die hebben geleid tot hun vlucht; Dat het vluchtverhaal coherent is en de verklaringen standvastig, niet alleen aangaande essentiële gebeurtenissen maar ook aangaande bepaalde détails en precieze omstandigheden; Dat de simpele vaststelling dat de asielaanvraag onontvankelijk zou zijn omdat verzoekers geen gegevens zouden aangebracht hebben dat er, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen zouden bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève en zij daardoor aan geloofwaardigheid zouden inboeten, op zich niet volstaat om de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van de aanvraag vast te stellen; 1. Het voor het CGVS naar voor gebrachte dossier toont volgens hen aan dat verzoekers geen beroep zouden kunnen doen op de Conventie van Genève, waar: - deze geen bescherming biedt aan personen dewelke in hun land van oorsprong aangifte deden van illegale boskap; Nochtans behoren deze personen tot een welbepaalde sociale groep, nl. degenen dewelke orde en recht wensen te laten zegevieren; In casu vonden de Georgische autoriteiten de moordenaar van verzoekers' vader, en arresteerden hem, doch voor bescherming ten overstaan van verzoeker en de verschillende bedreigingen, dewelke hij ontving, konden zij niet zorgen; - volgens haar informatie leden van Labour Party, zoals verzoeker, actueel niet meer zouden vervolgd worden in Georgië; Het CGVS had van deze vervolging kennis genomen na lezing van het beroepsverzoekschrift, doch kon hier geen geloof aan hechten waar verzoeker desbetreffend op het interview in DVZ hierover niets zou gezegd hebben; Nochtans werden verzoekers niet gehoord; 2. Dat door de CGVS de hoorplicht en de rechten van verdediging van verzoekers geschonden worden wanneer hij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf VII-32.883-5/9 neemt ten aanzien van verzoekers zonder deze opnieuw uit te nodigen voor een verhoor waarin zij hun relaas en standpunt kunnen doen kennen ; Dat nochtans de Raad van State van oordeel is dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen (Mast A., Overzicht van het Belgische administratief recht, Kluwer Rechtswetenschappen België, op 1.8.1997 bijgewerkte uitgave, nr. 46); Dat de bevestigende beslissing tot gevolg heeft dat verzoekers België dienen te verlaten; Dat niet kan ontkend worden dat door voormelde beslissing, gesteund op verzoekers’ persoonlijke gedragingen en dito motieven, verzoekers’ belangen, meer zelfs verzoekers’ vrijheid en leven, zwaar bedreigd en of aangetast worden; Dat ook Van Heule in “Vluchtelingen. Een overzicht van de Wet van 6.5.1953" meent dat gezien de bijzondere persoonlijke aard van de (
  2. on)ontvankelijkheidsbeslissingen een mondeling interview door de Commissaris-generaal zich opdringt (Gent, Mys en Breesch, 1993, 42-43); Dat de Commissaris-generaal bij de behandeling van het dringend beroep moet nagaan of verzoekers naar hun land van herkomst kunnen worden teruggeleid; Dat enkel in een mondeling verhoor verzoekers uitgedrukte persoonlijke vrees kan worden geëvalueerd; Dat verzoekers derhalve bij de behandeling van hun dringend beroep door de Commissaris-generaal mondeling dienen te worden geinterviewd; Dat dit in casu niet het geval was, waardoor de hoorplicht geschonden werd; Dat verzoekers’ rechten van verdediging geschonden werden doordat zij niet opnieuw de kans kregen tijdens een mondeling verhoor op het CGVS hun relaas uiteen te zetten; De geloofwaardigheid van het verhaal van verzoekers wordt dan ook niet aangetast. Het Commissariaat-generaal heeft integendeel haar beslissing onvoldoende met redenen omkleed om te kunnen besluiten tot een weigering van verblijf; Dat de feiten waar verzoekster haar vrees voor vervolging op baseert dan ook onvoldoende werden onderzocht; Dat zeer concreet geen onderzoek verricht werd naar alle hoger aangehaalde feitelijke omstandigheden ; Bovendien omhelst de afwezigheid van argumentatie van verweerders door de loutere verwijzing naar de eigen verklaringen van verzoekers op DVZ, dan ook op zich een schending van de art. 2 en 3 van de Wet van 29.7.1991 houdende de verplichting van uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.”; 2.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal op grond van zijn in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) vervatte appreciatiebevoegdheid tot respectievelijk de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van eerste verzoekers asielaanvraag en de kennelijke ongegrondheid van tweede verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, omdat de vluchtmotieven van verzoekers niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève, omdat blijkt dat verzoekers wel degelijk op de bescherming van de autoriteiten hebben kunnen rekenen, omdat verzoeker over zijn politieke inzet niets gezegd heeft tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en aldus de geloofwaardigheid hiervan in het gedrang komt, en bovendien omdat verzoekers relaas aangaande zijn vrees voor vervolging omwille van zijn politieke inzet niet overeenstemt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat volgens deze informatie leden van de Labour Party in Georgië niet door de huidige Georgische autoriteiten worden vervolgd, dat er bijgevolg geen sprake is van vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat, aangezien verzoeksters asielrelaas VII-32.883-6/9 gebaseerd is op de problemen van haar echtgenoot, ook wat haar betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld door de Conventie van Genève kan worden vastgesteld; Overwegende dat verzoekers de motieven van de Commissaris-generaal niet weerleggen; dat verzoekers geen concrete elementen aanvoeren die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoekers ook geenszins de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt bestrijden, noch aantonen dat deze informatie niet correct zou zijn; dat het overigens niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om zijn beoordeling van de actuele toestand in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat het argument dat verzoekers behoren tot een welbepaalde sociale groep, namelijk diegenen die “orde en recht wensen te laten zegevieren”, een wel zeer vergezochte interpretatie van de Conventie van Genève betreft die dan ook niet kan worden bijgevallen; dat een schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoekers de schending van de hoorplicht aanvoeren; dat er vooreerst dient op worden gewezen dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal, om reden dat de aanvragen van verzoekers respectievelijk kennelijk ongegrond en bedrieglijk, en kennelijk ongegrond worden bevonden, doordat geen van de door verzoekers neergelegde elementen toelaat te besluiten tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, niet als zulk een maatregel kunnen worden gezien; dat deze beslissingen immers voortvloeien uit de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en niet zijn gestoeld op het persoonlijk gedrag van de kandidaat-vluchtelingen zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve niet is voldaan aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht; dat de Commissaris- generaal bovendien niet verplicht is om een kandidaat-vluchteling te horen, ook niet wanneer deze hier zelf of bij monde van zijn raadsman uitdrukkelijk of impliciet om heeft gevraagd; Overwegende dat de Commissaris-generaal in elk geval individueel beoordeelt of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat het enkel vereist is dat verzoekers in het kader van hun asielprocedure nuttig voor hun belangen kunnen opkomen; dat verzoekers deze mogelijkheid hadden bij het indienen van het beroepschrift in dringend beroep en bij het invullen van de vragenlijst van het Commissariaat-generaal; dat zij de kans kregen om zo nodig aanvullende stukken in te dienen; dat verzoekers bovendien niet aantonen waarom het noodzakelijk zou zijn hen VII-32.883-7/9 “opnieuw uit te nodigen voor een verhoor”; dat verzoekers nalaten uiteen te zetten welke elementen zij nog aan hun asielrelaas, zoals uiteengezet voor de Dienst Vreemdelingenzaken, hadden willen toevoegen, en welke mondelinge argumenten de bestreden beslissingen dan in positieve zin zouden kunnen beïnvloeden; dat verzoekers er aldus niet in slagen aan te tonen dat zij benadeeld werden door de omstandigheid dat zij geen tweede keer werden verhoord; dat de grieven van verzoekers hieromtrent geenszins overtuigen; dat wat de ingeroepen rechten van verdediging betreft, dient te worden aangestipt dat deze op het administratiefrechtelijke vlak alleen in tuchtzaken toepasselijk zijn; dat de rechten van verdediging derhalve niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers de schending ervan dan ook niet dienstig kunnen inroepen; Overwegende dat, gelet op het voorafgaande, dient te worden besloten dat de bestreden beslissingen de motieven bevatten waarop ze zijn gesteund; dat deze motieven draagkrachtig en afdoende zijn; dat een schending van de motiveringsplicht dan ook niet kan worden aangenomen; dat het enige middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vier, door : VII-32.883-8/9 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.883-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.