id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.317 Rolnummer: A. 122677/VII-32883 Zaak: Arrest 138317 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 16:10 Fiche Arrest nr 138.317 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.317 van 9 december 2004 in de zaak A. 122.677/VII-32.883 In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. HUYSMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Berthoudersplein 57 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Georgische nationaliteit, op 19 juni 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 mei 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 27 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.883-1/9 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HUYSMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen kwamen België binnen op respectievelijk 28 december 1999 en 16 augustus 2000 en verklaarden zich vluchteling op respectievelijk 30 december 1999 en 17 augustus 2000. 1.2. Op 6 maart 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 30 mei 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal zijn als volgt gemotiveerd : Voor de eerste verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) VII-32.883-2/9 Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger, verklaart in Georgië problemen te hebben gekend met de bosbouwmaffia. U heeft rond 24 december 1999 het land verlaten en bent op 29 december 1999 in België aangekomen, waar u op 30 december 1999 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat u sinds 1997 werkte als hoofdboswachter in een natuurreservaat. Uw vader was hoofd van de ecologische politie. Vaak hielden jullie samen met het departement voor bosbouw razzia's, waarbij jullie meermaals illegale boskappers ontdekten, die werkten in opdracht van een zekere Gulu Parulava. Gela Kachkachshvili, het hoofd van de regionale administratie, en Giga Abuladze, het hoofd van het departement voor bosbouw, waren bij de illegale houthandel betrokken en zorgden er telkens voor dat de illegale kappers die jullie aanhielden, werden vrijgelaten. Op 29 mei 1999 betrapten jullie opnieuw een twaalftal illegale kappers. Uw vader werd bedreigd opdat hij geen proces-verbaal zou opstellen. Toen uw vader zijn wil doorzette en toch een proces-verbaal schreef, kwam het tot een schietpartij, waarbij uw vader gedood werd. Na deze feiten eiste u dat de dood van uw vader door de politie zou onderzocht worden, maar er gebeurde niets. In augustus 1999 kreeg u een dreigtelefoontje waarin gezegd werd dat u de zaak moest laten rusten. U meldde deze bedreiging aan de politie-inspecteur die de moord op uw vader moest onderzoeken, doch deze zei dat hij u op basis van valse getuigenissen kon beschuldigen van de dood van uw vader. U werd kwaad en sloeg hem. Die avond werd uw huis in brand gestoken. Uw broer raakte hierbij ernstig gewond. Op 21 augustus 1999 trok u met uw gezin naar uw schoonouders. Op 23 augustus 1999 had u een onderhoud met de minister van Staatsveiligheid, die beloofde u te zullen helpen. Op 12 november 1999 werd de moordenaar, Vaso Abuladze, opgepakt, de zoon van Giga Abuladze. Na zijn arrestatie ontving u voortdurend dreigtelefoons. U werd bang en besloot het land te ontvluchten. Uit uw dringend beroepschrift blijkt verder dat uw conflict met Kachkachshvili en Abuladze deels veroorzaakt werd door uw politieke sympathie voor de Labour Party. Uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken dient opgemerkt te worden dat uw problemen niet beantwoorden aan één van de criteria van de vluchtelingenconventie, namelijk omwille van ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. U en uw vader kenden immers problemen met personen die zich bezighielden met illegale boskap omdat jullie hiervan aangifte hadden gedaan bij de autoriteiten. Uit uw verklaringen blijkt tevens dat u wel degelijk op de bescherming van de autoriteiten heeft kunnen rekenen. Na uw onderhoud met de minister van Staatsveiligheid werd de moordenaar van uw vader immers opgepakt. Na diens arrestatie werd u via de telefoon bedreigd, doch nergens uit uw verklaringen blijkt dat u tegen deze dreigtelefoons geen bescherming zou kunnen krijgen. Wat betreft uw verklaringen in uw dringend beroepschrift, namelijk dat ook uw sympathie voor de Labour Party mede de oorzaak was van uw problemen, dient opgemerkt te worden dat u hiervan tijdens uw interview van de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding maakte, zodat ernstig aan de geloofwaardigheid van uw politieke engagement kan worden getwijfeld. Verder verklaarde u expliciet voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u nooit geraakt werd in uw fysieke integriteit (DVZ, nr.45), terwijl u in uw dringend beroepschrift verklaarde dat u omwille van uw sympathie voor de Labour Party door de oudste zoon van Abuladze met een mes bewerkt werd. Er kan dan ook ernstig getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Bovendien blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, dat leden van de Labour Party in Georgië niet door de huidige Georgische autoriteiten vervolgd worden (Cf. CEDOCA, Missierapport Georgië, maart 2002). Er kan dan ook geen actuele vrees ten gevolge van uw sympathie voor de Labour Party weerhouden worden. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. U heeft in het kader van uw asielprocedure geen documenten neergelegd die hetgeen hiervoor werd uiteengezet kunnen wijzigen. Gezien dit alles reeds duidelijk bleek uit uw administratief dossier werd het niet noodzakelijk geacht u voor een interview op het Commissariaat-generaal op te roepen.”. VII-32.883-3/9 Voor de tweede verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens, uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren, Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger, verklaart dat uw man in Georgië problemen kende met de bosbouwmaffia. U heeft op 9 augustus 2000 het land verlaten en bent op 15 augustus 2000 in België aangekomen, waar u op 17 augustus 2000 asiel heeft aangevraagd. Uw man vroeg reeds op 30 december 1999 asiel aan in België. U verklaart dat uw man en schoonvader lid waren van de Labour Party. Sinds 1997 werkte uw man als hoofdboswachter in een natuurreservaat. Uw schoonvader was hoofd van de ecologische politie. Vaak hielden zij razzia's, waarbij ze meermaals illegale bos kappers ontdekten, die werkten in opdracht van een zekere Gulu Parulava. De regionale autoriteiten waren bij deze illegale activiteiten betrokken en zorgden er telkens voor dat de illegale kappers die jullie aanhielden, werden vrijgelaten. Omwille van hun lidmaatschap van de Labour Party en omdat ze zich verzetten tegen de illegale houtkap kregen uw man en schoonvader problemen met hun oversten en de hoofden van de regionale autoriteiten. Op 29 mei 1999 betrapten ze tijdens een raid illegale kappers. Uw schoonvader werd bedreigd opdat hij geen proces-verbaal zou opstellen. Toen uw schoonvader zijn wil doorzette en toch een proces-verbaal schreef, kwam het tot een schietpartij, waarbij uw schoonvader gedood werd. Na deze feiten eiste uw man dat de dood van zijn vader door de politie zou onderzocht worden, maar er gebeurde niets. Op 19 augustus 1999 kreeg uw man een dreigtelefoontje waarin gezegd werd dat hij de zaak moest laten rusten. Diezelfde dag werd uw man bij de politie geroepen, waar hij te horen kreeg dat de politie hem op basis van valse getuigenissen kon beschuldigen van de dood van zijn vader. Uw man werd kwaad en sloeg de politie-inspecteur. Die avond werd uw huis in brand gestoken. Uw schoonbroer raakte hierbij ernstig gewond. Vervolgens trok u in bij uw moeder. Uw man regelde een onderhoud met de minister van Staatsveiligheid, die beloofde hem te zullen helpen. Enige tijd later werd de moordenaar van uw schoonvader, Vaso Abuladze, opgepakt. Hij was de zoon van Giga Abuladze, de directeur van de bosonderneming en overste van uw man. Na zijn arrestatie ontving uw man voortdurend dreigtelefoons opdat hij zijn klacht zou intrekken. Uit veiligheidsoverwegingen bracht hij u met de kinderen naar Batumi, waar uw zus woont. Uw man verliet het land. Na drie en een halve maand keerde u terug naar Tbilisi, in de veronderstelling dat de situatie terug veilig was. Enkele dagen na uw aankomst in Tbilisi kreeg u dreigtelefoons, waarin gevraagd werd waar uw man was. Drie dagen later kwamen twee onbekenden u opzoeken. Ze gaven u een week tijd om hen te vertellen waar uw man was, zo niet zouden ze uw kinderen vermoorden. U besloot terug te keren naar Batumi, van waaruit u in augustus 2000 naar België vertrok. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen, aangezien zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond werd bevonden,. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf te worden genomen. De persoonlijke problemen die u zou gekend hebben na het vertrek van uw man, met name de dreigtelefoons en het bezoek van de twee onbekenden die uw man zochten, zijn tevens een gevolg van de eerdere problemen van uw man, waarover reeds een uitspraak werd gedaan. De door u toegevoegde elementen VII-32.883-4/9 zijn niet van die aard dat zij het kennelijk ongegronde karakter van de asielaanvraag van uw man kunnen wijzigen Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen Vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (diploma'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.