id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.320 Rolnummer: A. 157923/XII-4311 Zaak: Arrest 138320 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 16:11 Fiche Arrest nr 138.320 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.320 van 9 december 2004 in de zaak A. 157.923/XII-
- In zake : de BVBA WIVI-GAMES, die woonplaats kiest bij advocaten C. Van Aerde en Y. Van Damme, kantoor houdende te Brugge, Rijselstraat 274 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,
- de KANSSPELCOMMISSIE bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Wivi-Games op 29 november 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 november 2004 van de kansspelcommissie waarbij geweigerd wordt haar een vergunning klasse B uit te reiken voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II op het adres Busbekestraat 17 te Menen; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 1 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. Van Aerde, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Bruggeman, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partijen; XII-4311-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster een speelautomatenhal uitbaat te Menen, Busbekestraat 17; dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een door de kansspelcommissie voorafgaandelijk uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat de exploitatie moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; dat de gemeenteraad van Menen, na eerdere weigeringen van 16 februari 2001 en 15 juli 2002, op 15 juli 2004 opnieuw beslist geen convenant te sluiten met betrekking tot verzoeksters inrichting; dat verzoekster tegen de weigering een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing instelt bij de Raad van State; dat, zonder de uitkomst daarvan af te wachten, de kansspelcommissie op 10 november 2004 besluit verzoekers aanvraag bij afwezigheid van een convenant te verwerpen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevoch- ten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster in een eerste middel de schending van de rechtszekerheidsnorm en in een tweede middel de schending van het vertrouwensbeginsel aanvoert; dat zij toelicht dat de kansspelcommissie sinds januari 2002 de vaste gedragslijn hanteert “om geen beslissing te nemen over aanvraag tot vergunning klasse B, zolang er procedures hangende waren/zijn voor de Raad van State omtrent de weigeringsbeslissingen van de gemeente om een convenant af te sluiten met de aanvrager”, dat de bestaande kansspelinrichtingen zo voort het voordeel konden genieten van de overgangsperiode bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000, dat nu plots, zonder enige aankondiging of overgangsperiode, de kansspelcommissie haar beleid XII-4311-2/5 wijzigt, dat zij hierdoor verzoeksters verwachtingen teniet doet en haar een aanzienlijke schade berokkent, dat, indien verzoekster tijdig op de hoogte was gesteld van het gewijzigde beleid, zij had kunnen beslissen “om bepaalde investeringen niet te doen”; Overwegende dat, zoals gezien, de wet van 7 mei 1999 voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II een voorafgaande schriftelijke vergunning klasse B verplicht stelt; dat evenwel, overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B, de exploitanten van de reeds bestaande lunaparken, onder voorwaarden die hier niet ter zake doen, hun inrichting verder mogen uitbaten tot op het ogenblik dat de kansspelcommissie een beslissing over hun inrichting heeft genomen; dat volgens de besproken middelen de kansspelcommissie reeds bijna twee jaar de gedragslijn heeft aangenomen om haar beslissing over de aanvraag uit te stellen totdat de procedures zijn beslecht die de aanvrager tegen de eventuele weigering van een convenant door de gemeente zou hebben ingesteld; Overwegende dat het bestaan van een dergelijke vaste gedragslijn in de bestreden beslissing zelf wordt tegengesproken; dat het in de nota voor de verwerende partijen luidt dat de kansspelcommissie “nooit voorhield noch de schijn wekte dat enkel een beslissing over de vergunning zou worden genomen indien de Raad van State zou uitspraak hebben gedaan over het schorsingsberoep in verband met de weigering van het convenant”; Overwegende dat verzoeker de realiteit van de gedragslijn “in het dossier van Wivi-Games maar ook in andere dossiers” uitsluitend staaft aan de hand van volgende uiteenzetting : “- Bij beslissing van de gemeenteraad van Menen van 16 februari 2001 werd door de stad Menen beslist geen convenant af te sluiten met WIVI-Games Hiertegen werd beroep ingesteld bij de Raad van State. Op 30 mei 2001 besliste de Kansspelcommissie tot sluiting van de kansspelinrichting van WIVI-Games wegens het ontbreken van een convenant. Bij beslissing van 21 december 2001 trok de stad Menen haar weigering tot het verlenen van een convenant in. Op 09 januari 2002 trok de Kansspelcommissie haar weigeringsbeslissing in en meldde dat de aanvrager opnieuw kon genieten van de overgangsperiode voorzien in artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 22 december
- Op dat ogenblik had WIVI-Games dienvolgens nog steeds geen convenant. - Bij beslissing van de gemeenteraad van Menen van 15 juli 2002 werd door de stad Menen opnieuw beslist om geen convenant af te sluiten met XII-4311-3/5 WIVI-Games. Bij schrijven van 17 juli 2002 deelde de stad Menen deze beslissing aan WIVI-Games mee, met de vermelding : 'Kopie van deze beslissingen werd eveneens toegestuurd aan de gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen en aan de Kansspelcommissie, alsook aan uw raadsman'. Dienvolgens was de Kansspelcommissie minstens sinds 18 juli 2002 op de hoogte van het feit dat WIVI-Games opnieuw niet over een convenant beschikte. De Kansspelcommissie reageerde echter niet. WIVI-Games werd niet uitgenodigd door de Kansspelcommissie, maar mocht gewoon verder genieten van de overgangsperiode zoals voorzien in art. 19 van het K.B. van 22 december
- Ook in de tussenperiode, toen de stad Menen haar beslissing had ingetrokken en nog geen nieuwe beslissing had genomen, reageerde de Kansspelcommissie niet. Tegen de beslissing van de stad Menen werd door WIVI-Games beroep ingesteld bij de Raad van State die de beslissing van de stad Menen schorste bij arrest nr. 120.006 van 27 mei
- WIVI-Games werd gedurende deze hele periode niet geconvoceerd. De Kansspelcommissie bleef, zolang de procedure voor de Raad van State werd gevoerd, afwachten”; Overwegende dat het exposé alleen betrekking heeft op één dossier, namelijk dat van verzoekster; dat in dit ene dossier de kansspelcommissie na de eerste weigering van een convenant door de gemeenteraad niét wachtte met haar beslissing op de uitkomst van de procedure tegen de weigering, en na de tweede weigering blijkbaar wél met een beslissing heeft gewacht; dat de kansspelcommissie thans, na de derde weigering, weer niet meer wacht; dat bijgevolg wordt vastgesteld dat verzoekster de gedragslijn op slechts één beweerde toepassing ervan steunt; dat dit vooralsnog onvoldoende is om het bestaan van de gedragslijn voor vaststaand te kunnen houden; dat in de gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat de middelen op een foutief uitgangspunt berusten; dat zij niet ernstig zijn; Overwegende dat verzoekster geen ernstige middelen aanvoert; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XII-4311-4/5 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4311-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.320 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.937 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.