← België

Arrest 138321 - - 09/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.321 Rolnummer: A. 155057/XII-4285 Zaak: Arrest 138321 - - 09/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 16:11 Fiche Arrest nr 138.321 van 9 december 2004 - Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.321 van 9 december 2004 in de zaak A. 155.057/XII-4285. In zake : 1. Luc BILLO, wonende te Jette, Lourdeslaan 78 2. Martine NOTEBAERT, wonende te Jette, Lourdeslaan 78. tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc Billo en Martine Notebaert op 1 september 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 11 juni 2004 van de Vlaamse regering tot vaststelling van het statuut van de gewestelijke ontvangers, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2004; Gezien het verzoekschrift dat Luc Billo en Martine Notebaert eveneens op 1 september 2004 hebben ingediend om te vorderen dat bij wege van voorlopige maatregel wordt bevolen “dat, in afwachting van een uitspraak over het verzoekschrift tot nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 11 juni 2004 tot vaststelling van het statuut van de gewestelijke ontvangers, verzoekende partijen verder toepassing kunnen maken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de XII-4285-1/6 personeelsleden van de rijksbesturen - inzonderheid hoofdstukken XII en XIII - en het besluit van de gouverneur van Brabant van 7 maart 1968 - inzonderheid artikel 29”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoekers, en van advocaat I. Vandenbon, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekers, gewestelijke ontvangers, sinds 17 december 2001 gedurende opeenvolgende perioden van twaalf maanden verlof zonder wedde genieten wegens voltijdse loopbaanonderbreking; dat op 1 juli 2004 het besluit van 11 juni 2004 van de Vlaamse regering tot vaststelling van het statuut van de gewestelijke ontvangers, in werking treedt; dat verzoekers in dit statuut een algemene regeling inzake verlof voor volledige of deeltijdse loopbaanonderbreking missen, evenals een regeling met betrekking tot het “gecontingenteerd verlof” of het “verlof voor afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden”; XII-4285-2/6 Overwegende, aangaande de vordering tot schorsing, dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoekers uiteenzetten dat door de eerdere toelatingen van verlof voor voltijdse loopbaanonderbreking en de toekenning van aanmoedigingspremies een verwachtingspatroon is ontstaan, dat het bestreden besluit “in belangrijke mate” ingrijpt in hun loopbaanplanning, dat “in even belangrijke mate” ingegrepen wordt in hun levenskwaliteit, dat zij immers “door hun herhaalde aanvraag tot toekenning van verlof voor volledige loopbaanonderbreking te kennen hebben gegeven maximaal gebruik te willen maken van de geboden mogelijkheid”, dat zij nu op zeer korte termijn geconfronteerd worden met een onherroepelijke keuze, die hoe dan ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel meebrengt, dat ofwel zij de toestemming moeten vragen om de dienst op 17 december 2004 te verlaten, in welk geval zij onmiddellijk “(de kans

  1. op)een vast inkomen en bescherming in het kader van de sociale zekerheid” verliezen, ofwel zij de functie van gewestelijke ontvanger op 17 december 2004 weer moeten opnemen, dat in het laatste geval de inspanningen die zij geleverd hebben om een zelfstandige activiteit op te bouwen elke zin verliezen en “het bestaan van een zelfstandige activiteit in oprichting” in gevaar komt; Overwegende dat verwerende partij verzoekers in de nota hoofdzakelijk verwijt niet concreet, vaag en onduidelijk te zijn; Overwegende dat verzoekers het hun toegestane verlof zonder wedde tot nog blijkbaar hebben gebruikt voor de voorbereiding van een zelfstandige activiteit; dat, willen zij voort gewestelijke ontvanger blijven, het bestreden besluit tot gevolg lijkt te hebben dat zij die voorbereiding zullen moeten staken; dat zij hierdoor XII-4285-3/6 het perspectief van een nieuwe professionele bezigheid verliezen én de vrucht van de inspanningen die zij ter zake reeds verrichtten; dat noch van het ene verlies, noch van het andere, met een minimum aan concrete en verifieerbare gegevens wordt aang- etoond dat het hun een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel berokkent; Overwegende dat het nadeel met betrekking tot het vooruitzicht van een nieuwe professionele activiteit, alleen wordt gestaafd met een verwijzing naar de verbetering van de “levenskwaliteit” die verzoekers van de nieuwe beroepsactiviteit verwachten; dat zij evenwel met geen woord toelichten om welke nieuwe bedrijvigheid het gaat, laat staan nog op welke wijze die bedrijvigheid hen meer “levenskwaliteit” zal, of tenminste kan, bezorgen; dat waar in die omstandigheden de Raad van State de beweerde grotere “levenskwaliteit” geen enkele beoordeling kan geven, hij evenmin het verlies van de verwachting ervan als ernstig en moeilijk herstelbaar kan aanzien; Overwegende dat hetzelfde geldt voor de geleverde inspanningen “zowel in morele, materiële als financiële zin” die verzoekers zich getroost zouden hebben om een zelfstandige activiteit te beginnen; dat ter zake geen enkel stuk wordt bijgebracht, noch enige andere verduidelijking in het verzoekschrift wordt gegeven; dat ook ter terechtzitting verzoekers niet verder komen dan een vage verwijzing naar studies die zij hebben laten uitvoeren en adviezen die zij hebben ingewonnen; dat dit niet weinig verwonderlijk is waar verzoekers dan toch al bijna drie jaar met de voorbereiding van de nieuwe activiteit doende zijn; dat hoe dan ook de Raad van State het verlies van inspanningen waarop hem geen zicht wordt gegund, niet als ernstig en moeilijk te herstellen kan beschouwen; Overwegende dat verzoekers niet aannemelijk maken een nadeel te lijden dat ernstig en moeilijk herstelbaar is; dat niet aan de tweede cumulatieve voorwaarde voor een schorsing is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen; Overwegende, aangaande de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel, dat het past de vordering samen te voegen met de vordering XII-4285-4/6 tot schorsing; dat de vordering overeenkomstig artikel 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts kan worden ingewilligd onder de in artikel 17, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden; dat met betrekking tot de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, verzoekers een identiek nadeel doen gelden als in hun vordering tot schorsing; dat het, om de hoger aangegeven redenen, niet overtuigt; dat ook de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel worden verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4285-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4285-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.321 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.995 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.