← België

Arrest 138361 - - 10/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.361 Rolnummer: A. 130720/XIV-13075 Zaak: Arrest 138361 - - 10/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 16:12 Fiche Arrest nr 138.361 van 10 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.361 van 10 december 2004 in de zaak A. 130.720/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SCHÜTT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Van Noortstraat 16 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 juli 1954 en van XXX nationaliteit, op 12 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van enerzijds de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 november 2002 waarbij aan verzoeker een nieuwe termijn wordt toegekend om het grondgebied van het Rijk te verlaten, lopende van 12 november 2002 tot 17 november 2002 middernacht, en van anderzijds de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 9 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-13.075-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 november 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de vrijwillige verschijning en tussenkomst van de tweede verwerende partij ter terechtzitting van woensdag 17 november 2004; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. SCHÜTT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 18 augustus 1999 en verklaart zich vluchteling op 21 juni
  6. 1.
  7. Op 18 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnen-landse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 3 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 2.
  9. Overwegende dat verzoeker tegen de eerste bestreden beslissing, die als volgt luidt: “Een nieuwe termijn om het grondgebied te verlaten lopende van 12/11/02 tot 17/11/02 middernacht wordt aan betrokkene toegestaan.”, een enig middel afleidt uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen (Motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de eerste bestreden beslissing op geen enkele manier is gemotiveerd, terwijl het een individuele bestuurshandeling betreft, genomen door een XIV-13.075-2/6 administratieve overheid, en terwijl deze beslissing zich onderscheidt van de tweede bestreden beslissing, al was het maar omdat beide beslissingen niet uitgaan van dezelfde overheid.”; Overwegende dat uit de analyse van het enig middel tegen de tweede bestreden beslissing blijkt dat het beroep tot schorsing en tot nietigverklaring laattijdig werden ingediend tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 juli 2002; dat voornoemde beslissing uitvoerbaar was binnen een termijn van vijf dagen, ingaand op de datum van kennisgeving van voormelde beslissing, behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde; dat uit het Auditoraatsverslag en uit de debatten is gebleken dat verzoeker in de gevangenis verbleef van 15 juli 2002 tot 12 november 2002, zodat de bevoegde Minister of zijn gemachtigde voormelde beslissing van 3 juli 2002 niet kon uitvoeren; dat dit pas mogelijk was op het tijdstip waarop verzoeker de gevangenis verliet; dat de eerste bestreden beslissing bijgevolg geen nieuwe beslissing uitmaakt die voor schorsing en nietigverklaring vatbaar is, omdat zij enkel herhaalt wat reeds werd beslist in de beslissing van 3 juli 2002 van de Commissaris- generaal; dat immers aan verzoeker enkel een nieuwe termijn werd verleend om het grondgebied van het Rijk te verlaten, omdat de uitvoerbaarheid van voormelde beslissing van 3 juli 2002 tijdelijk werd opgeschort, tijdens de periode die verzoeker in de gevangenis doorbracht; dat de bevoegde Minister of zijn gemachtigde instaan voor de tenuitvoerlegging van definitief geworden administratieve beslissingen in het Vreemdelingencontentieux, die uitvoerbaar zijn; dat het in casu gaat om de definitieve beslissing van de Commissaris-generaal van 3 juli 2002 die op een latere datum wordt uitgevoerd; dat bijgevolg het enig middel niet ontvankelijk is omdat samengevat, de eerste bestreden beslissing enkel de tenuitvoerlegging betreft op een latere datum van een definitieve beslissing die zelf uitvoerbaar is; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; 2.
  10. Overwegende dat verzoeker tegen de tweede bestreden beslissing een enig middel afleidt uit “de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (Motiveringswet), en uit de schending van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel “audi et alteram partem” als beginselen van behoorlijk bestuur (...)”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij aanvoert dat de verzoekschriften bij de Raad van State werden ingediend op 12 december 2002, terwijl de tweede bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd naar verzoeker op 3 juli 2002, en bijgevolg aan verzoeker ter kennis werd gebracht op donderdag 4 juli 2002, zodat de laatst nuttige dag om de verzoekschriften in te dienen viel op maandag 5 augustus 2002; XIV-13.075-3/6 Overwegende dat uit het administratief dossier het volgende blijkt: - de beslissing van de Commissaris-generaal van 3 juli 2002 wordt op dezelfde datum aangetekend verstuurd naar verzoeker; - op 4 juli 2002 wordt voornoemde beslissing aangeboden op de woonplaats van verzoeker en een bericht van aangetekende zending wordt op dezelfde datum afgegeven (adm. doss., stuk 3); - het bevoegde postkantoor stelt vast dat verzoeker de aangetekende zending niet afhaalt en stuurt de zending terug naar het Commissariaat-generaal op 25 juli 2002, waar zij op 26 juli 2002 binnenkomt; - op 12 november 2002 brengt de directeur van de gevangenis van Merksplas de beslissing van de Commissaris-generaal van 3 juli 2002 een tweede maal ter kennis van verzoeker, die tekent voor ontvangst. Op dit exemplaar van de tweede bestreden beslissing wordt aan verzoeker een nieuwe termijn verleend om het grondgebied te verlaten, lopende van 12 november 2002 tot 17 november 2002 middernacht; Overwegende dat verzoeker in dit verband aanvoert dat de beslissing van de Commissaris-generaal van 3 juli 2002 pas op 12 november 2002 aan hem werd overhandigd, zodat de verzoekschriften tot schorsing en tot nietigverklaring die op 12 december 2002 aangetekend werden verstuurd tijdig werden ingediend bij de Raad van State; Overwegende dat uit de analyse van het administratief dossier blijkt dat feitelijk vaststaat dat verzoeker tijdig kennis kon nemen van de tweede bestreden beslissing en dat het feit dat hij de aangetekende zending niet heeft afgehaald aan zijn eigen toedoen is te wijten; dat de omstandigheid dat hij van 15 juli 2002 tot 12 november 2002 in de gevangenis zat geen verschoningsgrond uitmaakt en niet verklaart waarom hij vanaf 4 juli 2002 de beslissing van de Commissaris-generaal van 3 juli 2002 niet heeft afgehaald op het postkantoor; dat zijn verblijf in de gevangenis in casu geen geval van overmacht uitmaakt; dat verzoeker tijdens zijn verblijf in de gevangenis een beroep kon doen op een Advocaat van zijn keuze die een afschrift kon vragen van de tweede bestreden beslissing om alsnog tijdig een schorsingsberoep en een annulatieberoep in te dienen bij de Raad van State; Overwegende dat de kennisgeving van de beslissing van de Commissaris- generaal van 3 juli 2002 geschiedt op het ogenblik dat de aangetekende zending op de gekozen woonplaats van verzoeker wordt aangeboden, wat bij afwezigheid van verzoeker gepaard gaat met het achterlaten in de brievenbus van verzoeker van een bericht van aanbieding wat in casu is gebeurd op 4 juli 2002; Overwegende dat de afwezigheid van de geadresseerde op de gekozen woonplaats de termijn om beroep in te stellen noch stuit, noch schorst; XIV-13.075-4/6 Overwegende dat de termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State van openbare orde is en niet kan fluctueren al naargelang van de diligentie en de ijver waarmee verzoeker de aan hem geadresseerde zending afhaalt op het postkantoor; dat tenslotte feitelijk vaststaat, op basis van de gegevens van het dossier dat de aangetekende zending werd aangeboden voordat verzoeker in de gevangenis zat; dat bijgevolg het schorsings- en annulatieberoep dat verzoeker heeft ingediend op 12 december 2002 tegen de tweede bestreden beslissing laattijdig is en dat de exceptie opgeworpen door de eerste verwerende partij gegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.075-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.075-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.