← België

Arrest 138383 - - 10/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.383 Rolnummer: A. 122987/XIV-10571 Zaak: Arrest 138383 - - 10/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 16:19 Fiche Arrest nr 138.383 van 10 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.383 van 10 december 2004 in de zaak A. 122.987/XIV-10.

  1. In zake : XXX, wonende te L., tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Israëlische nationaliteit, op 25 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 maart 2002 tot weigering van regularisatie, alsook van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aan verzoekster ter kennis gebracht op 18 juni 2002; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat P. CARSAU verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-10.571-1/9 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Israëlische nationaliteit, heeft op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. Deze aanvraag gold eveneens voor haar meerderjarige zonen XXX en XXX 1.
  4. De nota van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie dateert van 10 april
  5. 1.
  6. Verzoekster is door de Commissie op 4 september 2001, bijgestaan door een raadsman, gehoord. De zaak werd uitgesteld op de zitting van 8 oktober 2001 teneinde aan verzoekster toe te laten bijkomende stukken te overleggen. 1.
  7. Op 8 oktober 2001 is verzoekster, samen met haar twee zonen en bijgestaan door een raadsman, door de Commissie gehoord. 1.
  8. De Derde Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 7 januari 2001 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoekster. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “Verzoekster diende een aanvraag in ten einde regularisatie van haar verblijf te bekomen op grond van artt. 2.3/ en 2.4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Verblijf op 01 oktober 1999 Het daadwerkelijk verblijf van verzoekster op datum van 01 oktober 1999 blijkt uit de stukken van het dossier. Art.2.3/ De arts verbonden aan de Commissie, heeft vastgesteld dat betrokkene niet is getroffen door een ernstige ziekte die in het land van herkomst niet afdoende zou kunnen behandeld worden zodat de regularisatie op grond van dit criterium niet mogelijk blijkt. XIV-10.571-2/9 Art. 2.4/ Verzoekster kan onvoldoende humanitaire redenen of duurzame sociale bindingen in het land laten gelden; Verzoekster heeft de Israëlische nationaliteit en verblijft reeds sinds 1995 in het Rijk waardoor niet wordt voldaan aan de wettelijk gestelde voorwaarde met betrekking tot de duur van het verblijf op het grondgebied. Opvallend is dat verzoekster in de periode sinds 1995 tot op heden circa 15 reizen naar Israël heeft gemaakt hetgeen blijkt uit de visumstempels in haar paspoort. OM DEZE REDENEN brengt de derde kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag van verzoekster.”. 1.
  9. Op 4 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de eerste bestreden beslissing : “(...) Ik heb het schrijven van XXX van 15 februari ll. en van uw raadsman van 11 februari ll. inzake het ongunstig advies van de 3e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in goede orde ontvangen. De 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te LIER, op 26/01/2000 en dat het nummer 25002000012600026 draagt. Ik heb beslist dit ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie toch te moeten volgen. De door u en uw raadsman aangebrachte bijkomende elementen in het schrijven van 11 en 15 februari ll. zijn niet van aard om van het ongunstig advies af te wijken. In beide brieven wordt gesteld dat u niet akkoord kan gaan met het ongunstig advies van de 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie. Wat de medische redenen betreft die u aanhaalt, deze werden reeds grondig door de bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie onderzocht. De geneesheer, door het M.B. van 16 juni 2000 aangesteld om de Commissie voor Regularisatie bij te staan, concludeerde na onderzoek van de voorliggende elementen dat u niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 2, 3/ van de wet van 22 december
  10. U zou sedert 1995 in België verblijven, en u stelt humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen te kunnen laten gelden. U voldoet evenwel niet aan de verblijfsvoorwaarden van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december
  11. U hebt geen kinderen welke de leeftijd bezitten om naar school te gaan en die op 1 oktober 1999 in België verbleven. Derhalve dient u aan te tonen tenminste zes jaar in België te hebben verbleven op het ogenblik van uw regularisatieverzoek. Een eerste aanwijzing van uw verblijf in België dateert van 12 december
  12. Derhalve kan u onmogelijk op de dag van uw verzoek, te weten op 26 januari 2000, zes jaar in België aanwezig zijn. Bovendien toont uw nationaal paspoort aan dat u veelvuldig reizen ondernam naar Israël. De gegevens uit uw nationaal paspoort laten enkele vragen open, maar er kan maar sprake zijn van een aanwezigheid in België van ongeveer maximaal 4 jaar en vijf maanden. Men kan dan ook de vraag stellen of uw veelvuldige afwezigheden ook niet juist aantonen dat u wel degelijk ook duurzame banden bezit in Israël. U kan evenmin aantonen te hebben beschikt over een wettige verblijfstitel in België in de zin van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december
  13. Er ligt een verklaring voor welke stelt dat u in de loop van vijf jaar voorafgaand aan uw regularisatieverzoek geen bevel zou hebben ontvangen om het grondgebied te verlaten. Dat een dergelijke verklaring op zich onvoldoende is, aangezien u in onderhavige situatie ook vijf jaar in België dient te verblijven. Dat uw geregelde afwezigheden XIV-10.571-3/9 evenwel aantonen dat u maar een maximale verblijfsduur in België van zo'n 4 jaar en 5 maanden kan voorleggen. U hebt familie die in België verblijft, en dat dit duurzame sociale bindingen creëert. Dat over deze familiebanden geen twijfel kan bestaan. Dat uw veelvuldige reizen naar Israël evenwel de vraag doen stellen of uw banden met België wel degelijk sterker zijn dan uw banden met het land waarvan u de nationaliteit heeft. Dat bijvoorbeeld ook geen bewijs voorligt of u geen middelen van bestaan bezit in uw land van herkomst. Dat evenmin bewijs voorligt of u inderdaad geen familie meer zou bezitten in Israël. Dat wordt geargumenteerd dat ook rekening dient te worden gehouden met uw hoge leeftijd. Dat uit uw nationaal paspoort evenwel blijkt dat u veelvuldig heen en weer reist tussen België en Israël, en dat u steeds in normale omstandigheden uw familie in België kan bezoeken. Dat er ook sprake is van uw zoon XXX, voor wie u eveneens een regularisatieverzoek hebt ingediend. Dat evenwel weinig elementen in het administratief dossier op hem betrekking hebben: een geboorteakte, een verklaring dat hij in 1998/99 een cursus Nederlands volgde, twee medische stukken en een verklaring van getuigen die op u en de Heer XXX betrekking heeft. Dat uit deze stukken evenmin blijkt dat XXX zou voldoen aan de voorwaarden van de wet van 22 december
  14. Dat u door uw zoon in het verzoek op te nemen het advies en deze beslissing ook op hem van toepassing is. Dat het overlijden van uw echtgenoot reeds dateert van 20 oktober
  15. (...).”. 1.
  16. Op 18 juni 2002 wordt aan verzoekster een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing : “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN - Model B In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op 25.02.2002 wordt aan XXX geboren te Tschinvalie, op 19/01/1934 nationaliteit : Israël, het bevel gegeven om uiterlijk op dinsdag 2 juli 2002 het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van volgende Staten : Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland Portugal, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland en Denemarken. Reden van de beslissing : - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/ 12/1980). Motivatie in feite : - De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 25.02.2002 Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. (...).”. XIV-10.571-4/9
  17. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verzoekster geen enkel middel aanvoert tegen de tweede bestreden beslissing; dat het beroep tegen de tweede bestreden beslissing derhalve niet ontvankelijk is;
  18. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  19. Overwegende dat verzoekster als middelen aanvoert : “Eerste middel: afgeleid uit de schending van artikel 2.4/ van de Wet van 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk Volgens de Commissie voor Regularisatie in haar advies en volgens de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing dd.04.03.2002 heeft vertoger niet beantwoord aan de voorwaarden van artikel 2.4/ van de Wet van 22.12.1999, Meer bepaald wordt gesteld dat de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen. Vertoogster vraagt zich dienaangaande af hoe een relatie met een zoon, een schoondochter, en 2 kleinkinderen omschreven wordt. Het hoeft toch geen betoog dat sociale bindingen en humanitaire redenen ontegensprekelijk bestaan en zelfs vaststaan, wanneer men samenwoont met zoon, schoondochter en kleinkinderen. De Minister stelt in zijn beslissing overigens zélf dat over deze familiebanden geen twijfel kan bestaan. In die omstandigheden dient te worden aanvaard dat de humanitaire redenen en sociale bindingen in hoofde van vertoogster om geregulariseerd te worden vaststaan. De Minister formuleert dienaangaande eveneens de bedenking of de banden met Israël niet sterker zouden zijn dan die met België, omwille van de 15 reizen die vertoogster sedert 1995 tot op heden naar Israël heeft ondernomen. Het staat buiten kijf dat de banden met België het sterkst zijn, en zelfs in grote mate, nu in België de zoon, schoondochter en 2 kleinkinderen van vertoogster leven, en deze allen de Belgische nationaliteit bezitten. Overigens is het zo dat bij een zorgvuldige bestudering van het paspoort duidelijk zou blijken dat vertoogster de laatste 2 jaren niet meer naar Israël is afgereisd, om de eenvoudige reden dat zij daar thans niets meer te zoeken heeft: zij heeft in Israël geen familie meer. Stellen, zoals in de bestreden beslissing, dat vertoogster dit moet bewijzen is wel erg verregaand: hoe kan vertoogster bewijzen dat zij daar geen familie meer heeft? Men verlangt dat vertoogster het bewijs zou leveren van iets dat niet bestaat, dit is uiteraard onmogelijk. Hetzelfde geldt voor het bewijs dat vertoogster geen middelen van bestaan heeft in Israël: hoe kan zij dit bewijzen indien zij geen bestaansmiddelen heeft in Israël?! Zij heeft daarentegen wél ten overvloede bewezen dat haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in België woonachtig zijn, doch in de bestreden beslissing acht men dit blijkbaar ten onrechte niet voldoende. Het moge derhalve duidelijk zijn dat de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd.04.03.2002 ook artikel 2.4/ van de Wet van 22.12.1999 op manifeste wijze geschonden heeft, aangezien er wel degelijk sprake is van sociale bindingen en humanitaire redenen in hoofde van vertoger. Tweede middel: afgeleid uit de schending van artikel 9.9/ van de Wet van 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk Artikel 9.9/ van de Wet van 22.12.1999 stelt dat het dossier van regularisatie het volgende dient te bevatten: “voor de in artikel 2.4/ bedoelde vreemdelingen een bewijs dat hun aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen verblijvend in België op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben XIV-10.571-5/9 om school te lopen, en/of in voorkomend geval het bewijs dat ze wettig verbleven hebben in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten”. De Minister van Binnenlandse Zaken stelt in zijn beslissing dienaangaande het volgende: “Er ligt een verklaring voor welke stelt dat u in de loop van vijf jaar voorafgaand aan uw regularisatieverzoek geen bevel zou hebben ontvangen om het grondgebied te verlaten. Dat een dergelijke verklaring op zich onvoldoende is, aangezien u in onderhavige situatie ook vijf jaar in België dient te verblijven. Dat uw geregelde afwezigheden evenwel aantonen dat u maar een maximale verblijfsduur in België van zo'n vier jaar en 5 maanden kan voorleggen”. Daarmee schendt de Minister van Binnenlandse Zaken artikel 9.9/ van de Wet van 22.12.1999, aangezien dit artikel duidelijk inhoudt, dat het neerleggen van een verklaring inhoudende dat men 5 jaar voorafgaand aan het indienen van de regularisatieaanvraag geen bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen, één van de drie mogelijke voorwaarden is om geregulariseerd te worden. Vertoogster heeft deze verklaring in eer en geweten neergelegd ter zitting van de 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie, zodat zij voldoet aan 1 van de 3 voorwaarden uit artikel 9.9/ van de Wet van 22.12.
  20. Stellen dat ook daarbij een verblijfsduur van 5 jaar vereist is, staat nergens in de wet, en behelst een vrij interpretatie van de Minister. Bovendien is aan die vereiste van 5 jaar voldaan, nu vertoogster sedert december 1994 in het Rijk verbleef op permanente wijze. Ook dit gegeven werd vooraan in de beslissing van de Minister aanvaard, in volgende bewoordingen: “Een eerste aanwijzing van uw verblijf in België dateert van 12 december 1994.”. Derhalve had zij op het ogenblik van de indiening van haar regularisatieverzoek wel degelijk 5 jaar verblijf in België achter de rug. Het feit dat zij een aantal keren naar Israël reisde als vakantie doet daaraan geen afbreuk: haar permanente verblijf was immers al die tijd bij haar Belgische zoon, schoondochter en kleinkinderen. De bestreden beslissing schendt dan ook op ontegensprekelijke wijze artikel 9.9/ van de Wet van 22.12.1999, aangezien met de derde mogelijke voorwaarde van dit artikel geen rekening werd gehouden.”; 3.2.
  21. Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999, uit de samenlezing van de artikelen 2, 4/en 9, 9/van deze wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig artikel 9, 9/ van voornoemde wet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat het gaat om cumulatieve voorwaarden zodat de omstandigheid dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, volstaat om vast te stellen dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van dit criterium; dat uit de bestreden weigeringsbeslissing blijkt dat de Minister van oordeel is dat verzoekster niet voldoet aan de vereiste van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999; dat, zoals uit de bespreking van het tweede middel zal blijken, verzoekster er niet in slaagt aan te tonen er wel aan te voldoen; dat, gelet op de hiervoor gegeven draagwijdte van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 de Commissie, en bijgevolg de Minister kon besluiten dat verzoekster niet voldoet aan artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999; dat aldus de kritiek van verzoekster op de overwegingen in verband met het al dan niet voorhanden zijn van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen niet tot de XIV-10.571-6/9 nietigverklaring van de bestreden weigeringsbeslissing kan leiden; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  22. Overwegende dat wat het tweede middel betreft, artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk luidt als volgt: “Art.
  23. Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is de wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag : (...) 4/ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in hun land hebben ontwikkeld”; dat artikel 9, 9/ van dezelfde wet bepaalt dat voor de in artikel 2, 4/, bedoelde vreemdelingen het bij de aanvraag gevoegde dossier een bewijs moet omvatten “dat (hun) aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten”; dat uit deze bepalingen, samen gelezen, blijkt dat de vreemdeling die “duurzame sociale bindingen” doet gelden, ook het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig artikel 9, 9/, van de genoemde wet van 22 december 1999; dat uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat, wat betreft de voorwaarden van artikel 9, 9/, de wetgever een doorslaggevend belang heeft gehecht aan de duur van het verblijf, namelijk tot meer dan zes jaar of tot meer dan vijf jaar voor gezinnen met minderjarige kinderen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft geantwoord dat “in de formele logica de term ‘en/of’ een dubbele betekenis heeft. Het betekent ofwel ‘of’, en dan is één van de opgesomde voorwaarden voldoende, ofwel betekent het ‘en’ met dien verstande dat het geen enkele van de opgesomde voorwaarden uitsluit. Het volstaat dan dat aan een van de drie voorwaarden wordt voldaan, maar de eerste wordt wel degelijk als de belangrijkste beschouwd bij de beoordeling van de volledigheid van het dossier. De subtiliteit bestaat erin dat een bepaalde rangorde tussen de opgesomde voorwaarden wordt aangebracht zonder dat men enige voorwaarde ook uitsluit. Deze formulering is door hoogleraren bedacht (Gedr. St., Kamer, 1999-2000, doc 50 0234/005, 89)”; dat blijkens de parlementaire voorbereidingen de Minister van Binnenlandse Zaken binnen artikel 9, 9/ aldus een bepaalde rangorde heeft ingesteld waarbij het verblijf van 6 jaar (of 5 jaar of naargelang het geval) als de meest doorslaggevende voorwaarde wordt beschouwd; dat slechts in de mate aan deze eerste voorwaarde niet is voldaan en nog enkel in het geval dat er sprake is van een verblijf lichtjes lager dan 6 of 5 jaar, kan teruggevallen worden op de twee overige voorwaarden, waarbij het wettig verblijf opnieuw als XIV-10.571-7/9 belangrijker wordt beschouwd dan het ontbreken van een bevel om het grondgebied te verlaten gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag; dat het verblijf van 6 of 5 jaar bijgevolg als het ware noodzakelijk is en de twee overige voorwaarden slechts een versterkend effect hebben in de gevallen aan de verblijfstermijn zo goed als is voldaan; dat in casu blijkt dat verzoekster om van de toepassing van de wet te kunnen genieten een verblijf diende aan te tonen van minstens zes jaar; dat verzoekster daarin niet slaagt aangezien zij op het ogenblik van haar aanvraag slechts vijf jaar en één maand in België verbleef; dat verzoekster dit gegeven niet betwist; dat er bezwaarlijk kan worden gesteld dat de voormelde verblijfstermijn een klein tekort vertoont, zeker gelet op het feit dat de wet spreekt van een verblijf van ten minste zes jaar hetgeen reeds een minimumvereiste inhoudt; dat overigens verzoekster evenmin betwist dat zij niet voldoet aan de voorwaarde van het wettig verblijf; dat reeds op basis van het niet voldoen aan de eerste twee voorwaarden de Minister van Binnenlandse Zaken in alle redelijkheid kon oordelen dat verzoekster niet voldoet aan de formele vereiste van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 en derhalve niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999; dat de kritiek van verzoekster aldus gericht is tegen een overtollig motief, zodat een eventuele onregelmatigheid ervan niet van die aard is, dat de wettigheid van de bestreden beslissing wordt aangetast; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.571-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien december tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.571-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.